Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

maandag 29 februari 2016

Eerste beginselen


Door Bas Jongenelen

Soms loop je bij de opruiming van een oude bibliotheek tegen een boekje aan dat er onooglijk uitziet, maar inhoudelijk heel bijzonder is. De bibliotheek van de Fontys Lerarenopleiding Tilburg heeft een groot deel van de collectie in de verkoop gedaan om ruimte te maken voor digitale opslag. In die verkoop zijn ook boeken terecht gekomen die niet uit de eigen collectie kwamen, of die in ieder geval niet als zodanig herkenbaar waren. Ik pikte er een klein boekje uit, zonder bibliotheekkenmerken als stickers en stempels: Eerste beginselen der Nederduitsche spraakkunst, gevolgd door eene verhandeling over de lees- of schrijfteekenen, en door een reglement voor scholen. Het kostte één euro.

Taaljournalist

Door Marc van Oostendorp



Mensen die over taal schrijven hebben meestal een bepaalde, vaak niet eens erg verhulde, agenda. Ze willen hun hart luchten over de almaar voortschrijdende ineenstorting van alles. Ze willen het volk onderwijzen over het verschil tussen hen en hun. Of ze willen datzelfde volk duidelijk maken dat Noam Chomsky een bedrieger is en dat de échte taal veel beter beschreven kan worden in de nieuwste versie van de head-driven phrase structure grammar.

Het aardige aan Gaston Dorrens nieuwe boek, Vakantie in eigen taal, is dat zo'n agenda vrijwel geheel ontbreekt. Er hoeft niets bewezen te worden, er hoeft geen actie te worden ondernemen, zijn immers op vakantie.

Dorren noemt zich een taaljournalist, en dat is een perfecte omschrijving, in ieder geval als je het als parallel ziet met reisjournalist. Hij is niet zozeer op zoek naar nieuws, schandalen of zelfs diepgravende achtergronden, maar hij is iemand die een bepaald gebied – de taal – goed kent, erdoor gefascineerd is en er reizigers rondleidt. Hij zal niet ontkennen dat er een paar lelijke plekken zijn, al doet hij natuurlijk het liefst de mooie plekken aan.


Een schoone historie van Palmerijn van Olijve : Hoofdstuk 62


Een seer schoone ende ghenoechelicke
historie vanden aldervroomsten ende vermaertsten ridder

Palmerijn van Olijve,

sone van den coninck van Macedonien, ende van de schoone Griane,
dochter van Remicius, keyser van Constantinopelen,
de welcke vele wonderlicke avontueren in haren leven ghehadt hebben,
seer ghenoechelick ende playsant om lesen.

Uitzonderlijk vrij en eigenzinnig uit het Frans vertaald, zo niet herschreven,
door een klassiek geschoolde Amsterdammer [?],
in de oudste bewaard gebleven druk van Jan Janszen, Arnhem 1613,
vermoedelijk een herdruk van N.N., Arnhem 1602.

Hoofdstuk 62 van de in totaal 139

Verantwoording (met naschriften)

Wie is wie in Palmerijn van Olijve?

Alle tot nog toe gepubliceerde hoofdstukken in één pdf:
van inmiddels 549 pagina’s A4


zondag 28 februari 2016

Neder-L-cartoon #87

De Taalprof is sceptisch over kwantitatief onderzoek
naar de saaiheid van het schoolvak Nederlands

Hempie

Door Marc van Oostendorp

In mijn zondagochtendcollege leg ik uit wat het probleem is met het woord 'hemd' en wat de verschillende varianten van dat woord in Nederlandse dialecten verklaart.


zaterdag 27 februari 2016

Neder-L-cartoon #86

De beknopte bijvoeglijke bijzin
brengt de Taalprof in een poëtische stemming

Laffe terroristen van de liefde in de 18e eeuw

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (61)
Het Nederlandse sonnet bestaat 451 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Wanneer noem je iemand laf? Ja, populistische politici aan het begin van de 21e eeuw weten het wel: als je iemand verafschuwt, is het genoeg. Maar vroeger, toen is dat toch wel anders geweest? Een groot dichteres als Juliana Cornelia de Lannoy, die wist toch wel wat ze deed – bijvoorbeeld toen ze mannen bespotte in een sonnet?

De Volmaakte Man

Gestadig in het werk tot nut van ’t huisgezin,
En ievrig om zijn ambt met glorie te bekleeden;
Niet driftig, nooit geneigd tot wufte of dartle zeden;
Bezorgd voor zijn belang, maar wars van slecht gewin:

Aan ’t spel niet toegedaan, aan Bacchus vocht nog min;
Bedacht om zelfs met nut zijn speeltijd te besteden;
Geen laf bewonderaar van vreemde aanvalligheden;
Verliefd, en teederlijk, maar op zijne Echtvrindin!

Getrouw tot in den dood aan de eedle vriendschapsbanden;
Bereid om voor den staat zijn leven te verpanden;
Meedogend, heusch, oprecht, wijs, vriendlijk, zacht van geest.

De Man, met zoo veel deugd, met zoveel roem beschonken,
Die Man, zoo dubbel waard in Dichtlust mij te ontvonken,
Is, naar ik merken kan, nog nooit op aard geweest.


vrijdag 26 februari 2016

Vacature: Voltijds docent (tenure track) in het vakgebied Nederlandse taalkunde, Universiteit Gent

  • Uiterste inschrijvingsdatum: Mar 30, 2016 23:59
  • Vakgroep/directie/dienst: LW06 - Vakgroep Taalkunde
  • Type contract: Statutaire aanstelling
  • Bezetting: 100%
  • Vacature type: Zelfstandig academisch personeel
Voltijds ambt van docent (tenure track) met hoofdzakelijk onderzoeksopdracht ten laste van het Bijzonder Onderzoeksfonds in de faculteit Letteren en Wijsbegeerte

Aan de Universiteit Gent, faculteit Letteren en Wijsbegeerte, is met ingang van 1 oktober 2016 een voltijds ambt van docent in het Tenure Track stelsel te begeven in de aanvangsgraad van docent.
Het ambt is te begeven in het vakgebied Nederlandse taalkunde.

Het opnemen van dit mandaat geeft aanleiding tot een aanstelling in een tijdelijk dienstverband in een tenure track stelsel voor een duur van vijf jaar en impliceert het privilege om zich gedurende deze periode nagenoeg exclusief toe te leggen op onderzoeksactiviteiten, met een beperkte onderwijsopdracht ten belope van maximum 8 studiepunten per semester, gemiddeld over drie jaar.


Blikken kunnen doden in de Wetsteen van De Brune

Door Ton Harmsen

Als blikken konden doden was er geen honger, ziekte en oorlog meer nodig. Toch moeten we de kracht van de oogopslag niet helemaal onderschatten: Jan de Brune de Jonge weet te vertellen dat de onbeteugelde blikken die David op Bathseba wierp vijf mensen het leven hebben gekost. Als inleiding hierop geeft hij een reeks feiten en opinies over het menselijk gezichtsvermogen, waarin ongewone natuurverschijnselen en toegepaste psychologie aan de orde komen.

De Brune is na de vroege dood van zijn vader opgevoed door zijn moeder, Maria du Jon. Als dochter van Franciscus Junius sr., hoogleraar theologie in Leiden aan het eind van de zestiende eeuw, had zij een geleerde broer en een geleerde zwager. De Brune heeft veel meegekregen van deze ooms. Hij woonde bij Gerardus Johannes Vossius (Al wat in boecken steeckt is in dat hooft gevaren) in Amsterdam en vervolgens bij de filoloog Franciscus Junius jr. die als antiquarius in dienst was bij Thomas Howard, de graaf van Arundel, een van de grootste kunstverzamelaars van zijn tijd. In zijn Wetsteen der vernuften (1644) laat de jonge Jan de Brune zien dat hij van de grote bibliotheken van zijn ooms genoten heeft. Hij kent de weg in de klassieke en eigentijdse literatuur, bijbel en theologie, natuurkunde en biologie. Zijn buitengewoon intelligent aan elkaar geprate stroom citaten daaruit maakt het werk een staalkaart van de actualiteit en de smaak van 1644. Het complete boek (400 pagina’s) staat op de website van de opleiding Nederlands in Leiden in één document. Dat maakt het mogelijk de gehele tekst efficiënt te doorzoeken.

Is onze taalverarming te stuiten?

Onverwachte vragen uit de wetenschapsagenda (14)
Door Marc van Oostendorp

Ik ken mensen die boos zijn op taalkundigen. Niet dat zij de straten van de hoofdstad afschuimen op zoek naar Kees Hengeveld om deze een muilpeer te verkopen, of dat zij slogans schilderen ('Linguists Go Home') op het huis van Pieter Muysken, maar zij hebben met onze discipline wel iets te verhapstukken: waarom ondernemen wij geen actie – actie tegen de afbraak van de Nederlandse taal?

Natuurlijk komt die woede voort uit verontrusting over die afbraak en verontruste burgers moeten wij van de elite zoals bekend altijd serieus nemen. Uit deze verontwaardiging komt denk ik ook deze vraag aan de Wetenschapsagenda voort:

donderdag 25 februari 2016

Promotie Simon Smith: liefde in ‘Die Riddere metter Mouwen’

proefschrift simon smithOp dinsdag 8 maart verdedigt Simon Smith zijn proefschrift ‘Der minnen cracht’. Opstellen over liefde in de Arturroman ‘Die Riddere metter Mouwen’. 
Tijd: 13.45 uur | Locatie: Auditorium in het hoofdgebouw van de Vrije Universiteit Amsterdam, De Boelelaan 1105, Amsterdam. Receptie na afloop.
Promotor: Johan Koppenol | Copromotor: Roel Zemel

"ik geloof ’t ± zoo in elkaar zit" (Vincent van Gogh)


door Jan Stroop


De bijzin zonder ‘dat’, anno 2016                                         
                              
Bij mijn lectuur van de brieven van Vincent van Gogh waren me twee grammaticale eigenaardigheden opgevallen. De eerste is ’t overvloedige gebruik van ’t wederkerend voornaamwoord bij begrijpen: ik begrijp me dat heel goed. Daar ging mijn vorige stukje over.

Het tweede verschijnsel dat me opviel is de gewoonte van Van Gogh om ’t onderschikkende voegwoord dat weg te laten in zinnen als:  ik hoop het hem goed zal gaan (7 augustus 1873);  ik geloof ’t ± zoo in elkaar zit (22 september 1884)

Etymologie: rekel

Door Michiel de Vaan 

rekel zn. ‘mannetjesvos; deugniet’

Nnl. rekelken ‘straathond’ (1550), rekel ‘waakhond’ (1552), ‘jachthond’ (1605), ‘mannetjeshond’ (1661). Toegepast op personen: rekelschoft, deugniet’ (1552), ‘gierigaard’ (1561) ‘manspersoon’ (1623). Overgedragen op andere dieren: rekel-wolf ‘mannetjeswolf’ (1750), rekel mannetjesvos’ (1857). Dialectaal rekel ‘mannetjeskonijn, rammelaar’ in Limburg.

Verwante vormen: Middelnederduits reke naast rekelgrote boerenhond’, Vroegnhd. Rache ‘speurhond’ (alleen in Gessner’s Thierbuoch, 1563; mogelijk Alemannisch dialect), Oudengels ræce, racca ‘speurhond’, Engelse dialecten rake ‘herdershond’, Oudnoors rakki m. ‘hond’.

Het woord rekel gaat terug op *rakila-, dat blijkbaar in het Nederlands-Nederduits is afgeleid van *rakan- ‘speurhond’. De andere Germaanse talen wijzen op PGm. *rakan- en *rakkan-. Beide zijn verzelfstandigd uit een PGm. woord voor ‘grote hond’ of ‘speurhond’ met nominatief *rakō, genitief *rakkan- (Kroonen 2013: 404). Het woord kan oorspronkelijk ‘speurder’ hebben betekend en horen bij het werkwoord rekken (PGm. *rakjan-), dat zich immers uit een betekenis ‘zich uitstrekken naar, zich richten op’ heeft ontwikkeld. Andere Nederlandse verwanten met a-klinker zijn rak ‘vaarwater’ uit *raka- ‘recht’ en raak ‘hark’.

Call for papers: Devotio Individualization of religious practices in Western European Christianity (Nijmegen, October 2016)

Call for papers
Radboud University, Nijmegen

Devotio
Individualization of religious practices in Western European Christianity
(c. 1350 – c. 1550)
Wednesday, 26 – Thursday, 27 October 2016

Religiosity was ubiquitous during the later Middle Ages. Divine services influenced both the public domain and the course of each individual’s life, and thus established a widely experienced communality. Individual believers, however, had ample opportunities to develop a highly personalized devotion, side by side with, and sometimes even slightly detached from official doctrine. Their creativity and the diversity of their inner beliefs are the main focus of this conference.

dehaag.com nâh auk beschikbaah innut Haags

Teâh ere van Marnix Rueb en ut standbeild van Haagse Harry

De toeristies kulterele website van De Haag, dehaag.com, kent vanaf 25 feibruwarie un nieuwe taalvegsie op ut speiciale domèn dehaag.com: hélémaal innut Haags. Anlèding hieâhvoâh is de onthulling vannut standbeild van Haagse Harry op dondâhdag 25 feibruwarie. Dan wogt op de Graute Marrek un 2,5 meitâh haug standbeild van de paupelère stgipheld onthuld

Marco Esser, direkteuâh De Haag Marreketing: “Dehaag.com kent un antal taalvegsies: Neidâhlans, Engels, Dùits, Frans en – zellufs – Chineis. Ik ben heil blè dat we nâh èndelijk auk un Haagse taalvegsie hebbûh. As eâhbetaun an Marnix Rueb en zèn creijasie Haagse Harry. Ut wegd wel un keâh tèd dat we op onze website de bezoekâhs in onze ège taal wellekom hetûh! Ut is tenslotte de mauiste taal achtâh de dùinûh.”


De Turks-Marokkaanse z

Door Marc van Oostendorp



Dankzij het werk van Linda van Meel, die op 15 maart in Nijmegen promoveert, weten we nu alweer wat meer over de Marokkaanse z. Bijvoorbeeld dat hij net zo goed door Turken wordt gebruikt.

Van Meel was promovenda in een groter project over het ontstaan van zogenoemde etnolecten – variëteiten van een taal die gebruikt worden door moedertaalsprekers die een bepaalde etnische achtergrond hebben en deze achtergrond ook in hun taalgebruik tot uiting laten komen, zoals dialecten variëteiten zijn van mensen uit een bepaald geografisch gebied en sociolecten variëteiten van mensen uit een bepaalde sociale groep (de middenklasse; de vrouwen; de hoogopgeleiden).

In het project werden Turkse, Marokkaanse én 'witte' jongeren opgenomen die met elkaar spraken in verschillende samenstelling. Van Meel richtte haar onderzoek vooral op enkele klanken zoals de tweeklank ei en de klinkers aa en ah. En dus die z.

Ik denk dat de meeste Nederlanders en Vlamingen zich wel iets kunnen voorstellen bij de Marokkaanse z.

woensdag 24 februari 2016

Theater Kwast brengt gruwelen van de Parijse bloedbruiloft ten tonele

Op 7 mei 2016 sluit Theater Kwast dit seizoen Mond op Mond af met de bloedstollende tragedie Parijse Bruiloft van Reyer Anslo (1625-1669), over de beruchte massamoord op de protestanten in de Bartholomeusnacht (1572).

Tijdens de huwelijksfeesten van de protestante Hendrik van Navarra en de katholieke prinses Margarethe, de jongere zuster van de Franse vorst Karel IX, wordt er in Parijs een mislukte moordaanslag gepleegd op de leider van de Franse protestanten. Catherina de Medici, de heerszuchtige moeder van de Franse koning, bespeelt haar instabiele zoon en dwingt hem genadeloos in te grijpen uit angst voor wraak. Het uiteindelijke besluit van Karel ontketent een ongekende moordpartij, waar hij geen controle meer over heeft.   


Vacature: Universitair Docent Moderne Nederlandse Letterkunde (1,0 fte, Rijksuniversiteit Groningen)

De Faculteit der Letteren van de Rijksuniversiteit Groningen is op zoek naar een universitair docent Moderne Nederlandse Letterkunde gericht op de periode 1825 tot heden.

Van de universiteit docent (UD) wordt verwacht dat deze inzetbaar is in het onderwijs van de bachelor Nederlandse Taal en Cultuur (NTC), de master Neerlandistiek, Dutch Studies en de research master (REMA) Literary and Cultural Studies.

Het onderzoek maakt deel uit van het onderzoeksinstituut ICOG.

Specifieke taken:

  • geven van onderwijs op het gebied van literatuurgeschiedenis, literaire-tekstanalyse, literatuurtheorie met aandacht voor interdisciplinaire aspecten van het vakgebied
  • verrichten van onderzoek van erkend niveau in bovengenoemd vakgebied
  • begeleiden van BA- en MA-scripties in bovengenoemd vakgebied
  • vervullen van bestuurlijke en organisatorische taken.

De wereld van !!1!

Door Marc van Oostendorp

Soms kan een taalverschijnsel ineens in je bewustzijn doordringen. Het is er al lange tijd geweest, je moet het al vaker hebben gezien, maar je hebt er nooit aandacht aan besteed, tot er een tweet voorbijkomt die een wereld voor je opent. Dat gebeurde mij gisteren:

Het gaat natuurlijk om die !!1!. Ik had het verschijnsel de weken ervoor al vaker gezien, en ook al wel begrepen wat het betekende:

dinsdag 23 februari 2016

Het reisverhaal van Coenraad Ruysch. Deel XV: Rome en Napels

Wij publiceren hier een kritische editie van het reisverslag van Coenraad Ruysch, verzorgd door Alan Moss van de Radboud Universiteit Nijmegen. Hieronder staan links naar de tot nu toe verschenen delen:

Alan Moss heeft ook een eigen, informatieve, website.

Call for Papers Taal & Tongvalsymposium

Taal & Tongval: Language Variation in the Low Countries is a peer-reviewed journal devoted to the study of language variation in the Dutch language area, which organizes an annual one-day colloquium on a current topic in the study of language variation. The theme of the 2016 edition is “Vernacular vitalities: old-school dialects, contemporary koines and new urban speech styles”. It will take place at the Royal Academy for Dutch Language and Literature (KANTL) in Ghent on 25 November 2016.

In much of Western Europe, the last five to six decades are generally seen as the era of pervasive dialect levelling and dialect shift, processes that are taking place with varying intensity and speed, on account of the ever-encroaching impact of linguistic standardization, intensified communication and increased geographical and social mobility in modern nation-states (Hinskens, Auer & Kerswill 2005; Vandekerckhove 2009). At the same time, there are more and more signs that dialect death and attrition are counterbalanced by a range of processes pointing to the vitality rather than the obsolescence of vernacular language forms:


Een enorme mini-jurk: een haakjesparadox

Door Marc van Oostendorp


Wat betekent 'een enorme mini-jurk'? Het kan natuurlijk een minijurk zijn voor een reus ('Rutger kwam naar ons feest in zijn enorme mini-jurk'), maar als je de intonatie goed legt, kan het zeker ook iets anders betekenen: een jurk die héél klein is. In die zin kan het woord dus zowel het tegendeel zijn van minijurkje, maar juist ook precies hetzelfde betekenen als dat verkleinwoord.

Er zitten een paar aspecten aan deze materie vast. De eerste is dat enorm natuurlijk op zich kan betekenen heel groot, maar dat hij bij uitbreiding wordt gebruikt als versterking: enorm klein is juist heel klein.

Maar wat fascinerender aan dit voorbeeld is, is dat de betekenis 'heel klein jurkje' betekent dat je de woordgroep kennelijk zo kunt opvatten (met haakjes om woorden die qua betekenis dicht bij elkaar staan):

maandag 22 februari 2016

Linguïstisch Miniatuurtje CLXV: In de klas in de war

Laatst was ik in gesprek met een collega-taalkundige, die zich afvroeg wat nu eigenlijk het essentiële verschil was tussen de constructie in de klas zijn en in de war zijn. Hij kende natuurlijk de theorie van de schoolgrammatica, die zegt dat het eerste een werkwoordelijk gezegde is met een bijwoordelijke bepaling van plaats in de klas, en het tweede een naamwoordelijk gezegde met een naamwoordelijk deel in de war. Hij was uiteraard ook op de hoogte van alle verschillen die je zou kunnen maken, maar hij vroeg zich af of dat niet 'alleen semantische verschillen' waren. Er leken immers geen volgordeverschijnselen aan het verschil gekoppeld: in de bijzinsvolgorde krijg je zowel de bijwoordelijke bepaling als het naamwoordelijk deel alleen vóór de werkwoordelijke eindgroep. Dus alleen omdat ik in de war/in de klas ben en niet *omdat ik ben in de war/in de klas. 'Is het dan niet syntactisch eigenlijk hetzelfde?' vroeg hij zich af. Ja, daar zeg je zowat.

Oproep: scriptieprijs 18e eeuw

Jaarlijks reikt de Werkgroep 18e Eeuw de Scriptieprijs 18e Eeuw uit aan de auteur van een masterscriptie over een aspect van de geschiedenis, literatuur, filosofie of beeldende kunst van de ‘lange’ achttiende eeuw (1670-1830). Scripties kunnen zowel in het Nederlands, Engels, Frans en Duits zijn opgesteld. Voor deze editie dient de scriptie in 2015 te zijn goedgekeurd, van excellente kwaliteit te zijn en zich door originaliteit of een interdisciplinaire benadering te onderscheiden.

De prijs bestaat uit een korte voorstelling van de scriptie op het jaarcongres van de Werkgroep 18de Eeuw, een geldbedrag van € 250 en de mogelijkheid tot publicatie van de scriptie in artikelvorm in het jaarboek van de werkgroep.


Vacature: Lector Afrikaans, Universiteit van Fort Hare

UNIVERSITEIT VAN FORT HARE
FAKULTEIT VAN SOSIALE EN GEESTESWETENSKAPPE


Aansoeke van geskikte kandidate word ingewag vir die volgende pos:


Lektoraat: Departement Afrikaans: Oos-Londenkampus
Minimumvereistes:
  • ’n Magistergraad in Afrikaans; ’n Doktorsgraad in Afrikaans sal ’n voordeel wees.
  • ’n Basiese teoretiese kennis van die dissipline.
  • 5 jaar ondervinding in tersiêre onderrig en bewese navorsingsuitsette.
  • Die potensiaal om akademiese en administratiewe verantwoordelikhede op departementele vlak te onderneem.
  • Die vermoë en bereidwilligheid om deel te neem aan gemeenskapsprojekte.
  • Goeie interpersoonlike vaardighede.

De nadelen van populariseren

Door Marc van Oostendorp

Er zijn weinig onderzoekers die openlijk twijfelen aan het nut van populariseren. Ik ken ze wel: mensen die denken dat we vooral zoveel mogelijk onderzoek moeten doen, en hoogstens af en toe communiceren met wetenschappers in andere vakgebieden. Die vinden dat je wanneer je met het publiek praat altijd teveel moet versimpelen en dat dit de toch al fragiele aanzien van ons vak bij de échte wetenschappers nog verder doet afbrokkelen.

De meerderheid vormen ze niet. Het officiële beleid van veel instanties – NWO, de universiteiten – is om contact met het publiek aan te moedigen: het wordt doorgaans gezien als de belangrijkste manier waarop geesteswetenschappen voor de samenleving nuttig kunnen worden gemaakt, kunnen worden 'gevaloriseerd'.

Productie

Je zou zeggen: alle reden om je als jonge onderzoeker op dit o zo belangrijke onderdeel van het wetenschappelijk bedrijf te storten. Maar daar kun je toch ook grote twijfels bij hebben: het is de vraag of het wel zo goed is voor je wetenschappelijke loopbaan.

Daarover verscheen afgelopen week een interessant artikel in The Journal of Neuroscience.

Een schoone historie van Palmerijn van Olijve : Hoofdstuk 61


Een seer schoone ende ghenoechelicke
historie vanden aldervroomsten ende vermaertsten ridder

Palmerijn van Olijve,

sone van den coninck van Macedonien, ende van de schoone Griane,
dochter van Remicius, keyser van Constantinopelen,
de welcke vele wonderlicke avontueren in haren leven ghehadt hebben,
seer ghenoechelick ende playsant om lesen.

(Zeer) Vrij en eigenzinnig uit het Frans vertaald en soms herschreven
door een onbekende renaissancistische Amsterdammer [?],
misschien wel Bredero zelf [?],
in de oudste bewaard gebleven druk van Jan Janszen, Arnhem 1613.

Hoofdstuk 61 van de in totaal 139

Verantwoording (met naschriften)

Wie is wie in Palmerijn van Olijve?

Alle tot nog toe gepubliceerde hoofdstukken in één pdf:
van inmiddels 545 pagina’s A4


zondag 21 februari 2016

De nieuwe drive voor leraren Nederlands

De gemeenschap rond de Facebookgroep Leraar Nederlands maakte vorig jaar een 'Google Drive' aan waarop leraren lesmateriaal met elkaar konden delen. Die groep dreigde bijna aan zijn eigen succes ten onder te gaan: het bleek te makkelijk te gebeuren dat een leraar per ongeluk materiaal verwijderde. Er is nu een nieuwe plaats gevonden voor de 'drive' die beter te beheren is: http://drive.hetschoolvaknederlands.nl/.


Vrede, godverdomme, vrede

Door Marc van Oostendorp

Op 22 februari 2014 overleed de dichter Leo Vroman (geb. 1915) op veel te jonge leeftijd. Ter gelegenheid van die sterfdag draag ik in het Beatrixpark te Amsterdam Vromans gedicht Vrede voor.


zaterdag 20 februari 2016

Klinkend Nederlands: video's Onze Taal congres

In het nieuwe nummer van Onze Taal wordt aandacht besteed aan het congres dat het genootschap in november hied. Via YouTube stelt het genootschap daarnaast alle video's van dat congres ter beschikking. Nu deze februarizaterdag net zo regenachtig is als die in november:

De e klinkt hard én zacht

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (60)
Het Nederlandse sonnet bestaat 451 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Iets minder dan één op de vijf letters in een Nederlandse tekst is een e en de letter is daarmee op afstand de meest voorkomende. Dat geldt in ieder geval voor tal van tellingen voor het Nederlands van rond de millenniumwisseling, maar er lijkt me weinig reden om te denken dat het anders lag in de achttiende eeuw, toen er bijvoorbeeld ook nog uitgangen voor naamvallen en woordgeslachten werden geschreven die allemaal natuurlijk ook een e hadden.

Wie een kunststukje wil flikken, moet daarom een sonnet schrijven zonder e schrijven, zoals Albertus Frese (1714-1788) deed – zoals veel 18e-eeuwers sprak hij daarbij overigens van klinkdicht, wat in dit geval natuurlijk ook een passender woord was; zijn naam kortte hij bij publicatie af tot A.F., zodat ook daarvan geen problemen te verwachten waren:


vrijdag 19 februari 2016

Palamedes van ongekrenkt naar ongekreukt

Door Ton Harmsen

In 1652, als Willem II van zijn paard is gevallen en Willem III nog op een hobbelpaard rijdt, herschrijft Vondel de Palamedes. De eerste versie was in 1625 verschenen onder grote politieke druk, en zo vijandig ontvangen door de gomaristen dat Vondel een nieuwe uitgave niet eerder aandurfde. Aan het begin van het Eerste Stadhouderloze Tijdperk verschijnt de nieuwe versie van het stuk in maar liefst acht edities (als er geen valse dateringen tussen zitten). Vergelijking met de eerste druk laat zien dat Vondels taal en zijn poëticale opvattingen zich in een kwart eeuw enorm ontwikkeld hebben. Inhoudelijk zijn de verschillen niet heel groot – daar was natuurlijk ook niet veel reden toe, omdat het Oldenbarnevelt-verhaal in een allegorie verpakt is. Wel is Vondel wat minder zorgeloos over woorden die met de kerk en de heiligen te maken hebben. Thersites’ verzoek ‘haylightme tot beul’ (1625, vs. 1684) herschrijft hij tot ‘Betrouw me ’t scherprecht toe’. Thersites, de hooligan onder de Grieken, is nog een hele meneer geworden.
Vocabularium, zinsbouw, spelling en poëtisch ritme zijn echter totaal veranderd, en de prozastijl van het voorwerk niet minder. Vondel formuleert compacter: ‘’S anderen daeghs daer na’ (1625) wordt ‘des anderen daeghs’ (1652). Het loze woord ‘dat’ gebruikt hij niet meer:  ‘Mijn naem die sy een vloeck waer dat hy word genoemt’ verandert Vondel in ‘Mijn naem een vloeck zy, waer dees ergens wort genoemt’. Tegenover 350 maal ‘dat’ in 1625 staat het woord 250 maal in de nieuwe redactie.

Ulysses legt in de eerste druk zijn fatale plan als volgt uit aan zijn handlanger Diomedes. Hij wil gebruik maken van de recente verhuizing van Palamedes:

Zachte g

Door Leonie Cornips


Een medeklinker als de ‘zachte (g)’ heeft geen enkele betekenis; het verwijst niet naar ‘iets’ in de wereld. Bij een woord als boom zien we een stam en takken met groene bladeren voor ons, bij een zachte (g) helemaal niets. Maar toch kent dit kleine klankje vele sociale betekenissen. Voor Limburgers is de zachte (g) een echte achilleshiel. Deze krant staat vol met columns als van Gé Reinders en ingezonden brieven over hoe Limburgers zich tot de zachte (g) verhouden. ‘Mensen met een zachte (g) kunnen een softe en onzekere indruk maken op mensen uit bijvoorbeeld de Randstad’, schrijft Pascal Cuijpers. P. Bors uit Venlo laat weten: ‘Enige tijd geleden verliet ik het station van Eindhoven, met een klant overleggend aan de telefoon. Iemand hoorde dit en liet onmiddellijk weten te horen dat ik uit Limburg kwam.’ Ad Canters uit Tegelen: ‘Vaak heb ik voor mijn werk cursussen gevolgd in Amsterdam, Utrecht en Rotterdam. Steeds maar weer dat genöäl: ‘Uw komp saekuh oit Limburch, dat hoar ik oan u accint.’ 

Natuurlijk is het niet alleen de zachte (g) waardoor veel Limburgers aan hun Nederlands te herkennen zijn maar ook aan hun melodieuze wijze van spreken, de huig (r) en noem maar op. Maar de zachte (g) is wel het kenmerk dat de essentie van de Limburger afbeeldt met alle bijbehorende stereotypen – ze vieren allemaal carnaval, zijn katholiek, frauduleus, gezellig, incompetent – en bijbehorende emoties. En dat terwijl de zachte (g) volgens de Dialectatlas van het Nederlands ook elders voorkomt: in Brabant, het oostelijk deel van Gelderland, een beetje in Overijssel tot gedeeltes in Drenthe toe en een klein stukje Zuid-Holland. 

Een bed in Moresnet

Door Marc van Oostendorp

Een boek over Moresnet! Daarvoor ben ik natuurlijk meteen naar de boekwinkel gerend. Tussen 1816 en 1920 waren dat onze zuiderburen. Nadat Napoleon verslagen was en Europa anders verdeeld moest worden, bleef dit strookje land onbeslist tussen Nederland en Pruisen. Ook toen België zich afscheidde, bleef Moresnet neutraal. Pas na de Eerste Wereldoorlog was het gedaan en werd het een gemeente van België.

Moresnet is een taalkundig paradijsje. Uit het nieuwe boek, Moresnet, Opkomst en ondergang van een vergeten buurlandje van de journalist Philip Dröge, komt dat ook wel naar voren. Frans, Duits en Nederlands botsen daar op elkaar en vooral in de 'neutrale' periode kwamen mensen uit al die taalgebieden ook nog ter plekke gelukszoekeren. Bovendien kwam een groepje mensen op het idee om van Moresnet een 'Esperantoland' te maken, Amikejo (vriendschapsplaats), waar het Esperanto de officiële taal zou worden en de wereldwijde beweging zijn hoofdzetel zou vinden.

Wat Dröge niet vermeldt: het dialect van Moresnet is ook nog eens fascinerend.

donderdag 18 februari 2016

Etymologie: reu

Door Michiel de Vaan

reu zn. ‘mannetjeshond’

Middelnederlands ruede (1285) ‘hond, valse hond’ (als scheldwoord), verder ‘grote, sterke hond, bloedhond; mannetjeshond’, overdrachtelijk ‘ellendeling, onmens’; bantrode ‘kettinghond’ (1437). Vnnl. rue (1550, Lambrecht), rueikin ‘reutje’ (1550), reud ‘mannetjeshond; geile man’, reudhond (1599), mv. ook roën (Gheurtz, Adagia, 1552), dialectisch reut, rut (Vlaams). Afleidingen: roden, reuden (1599), ruen (1567) ‘loops zijn’, reudigh ‘loops’ (1599). Of de met o en oo gespelde vormen daadwerkelijk een oo-klank vertegenwoordigen en niet eu, is vanwege de periode en herkomst van de teksten niet met zekerheid te zeggen.

Online lezen in tijdschrift De Vooys: De Vlaamse taalstrijd

Vlamingen ruziën graag over taal. In november 2014 was het weer zover, toen de krant 'De Standaard' in een ‘taaltest’ peilde naar het gebruik van zogenaamde belgicismen: in Nederland ongebruikelijke woorden en uitdrukkingen die ook in Nederlandstalig België lang werden afgekeurd, maar in de praktijk wel heel vaak voorkomen. Woorden en uitdrukkingen zoals vuilbak (‘prullenbak’) en de vergadering gaat door (‘vindt plaats’) vonden taalminnaars allerhande maar niets. Enkele maanden later werd de discussie nog eens dunnetjes overgedaan, toen 'De Standaard' uitpakte met het 'Gele boekje': een langere lijst belgicismen, waarvan een groot aantal volgens de redactie voortaan als ‘goed’ Nederlands mochten gelden.

 In de rubriek ‘Verstand van zaken’ van het Utrechtse tijdschrift Vooys legt ditmaal taalkundige Sarah Van Hoof de Vlaamse taalstrijd onder de loep. Ze beschrijft hoe wetenschappers, journalisten en schrijvers zich al decennialang bezighouden met deze vraag: hoe Vlaams mag het Nederlands van de Vlaming nu eigenlijk zijn? Het artikel kan gratis worden gelezen op de website van het tijdschrift.

Boekpresentatie & debat: “The roots of nationalism” (Amsterdam, 19 april 2016)

cover-roots-of-nationalism.jpgHet nationalisme neemt de laatste jaren in Europa weer sterk toe. Hoe oud zijn nationalistische sentimenten en wanneer zijn nationale identiteiten ontstaan? Nationale identiteiten worden vaak beschouwd als uitvindingen van de moderne tijd, maar er is een groeiende groep ‘traditionalisten’ die stelt dat de wortels van het nationalisme en nationale identiteitsvorming verder terug gaan. In hoeverre liggen culturele continuïteiten aan de basis van moderne uitingen van nationalisme? Hoe ver reikt de arm van de geschiedenis? Is er een algemeen patroon op te stellen dat voor alle Europese landen geldt, of moeten we differentiëren tussen de verschillende landen, zoals IJsland, Nederland, Hongarije, Duitsland, Denemarken, Frankrijk, Rusland en Engeland?
Op 19 april vindt in Spui25, Amsterdam, een debat plaats over deze vraagstukken. Drie kenners van de Europese geschiedenis zullen van gedachten wisselen: Joep Leerssen, Judith Pollmann en Yolanda Rodríguez Pérez.

Bij deze gelegenheid wordt de bundel The Roots of Nationalism. National Identity Formation in Early Modern Europe, 1600-1815 (Amsterdam University Press) voorgesteld. Dit boek, dat geredigeerd werd door Lotte Jensen (Radboud Universiteit) gaat over het ontstaan van nationale identiteitsvorming in vroegmodern Europa en bevat bijdragen van onder meer David Bell, Azar Gat en David Hadfield.

Wanneer: 19 april 2016, 17:00u-18:30u
Waar: Spui 25-27, Amsterdam
Aanmelden dient te gebeuren via deze website.

De onuitroeibare neiging van de mens om verhalen te vertellen

Door Marc van Oostendorp


Zoals je je pas Nederlander voelt wanneer je Roosendaal in zuidelijke richting gepasseerd bent, zo voel ik me pas echt taalkundige wanneer ik een boek lees als Van hof tot overheid.

Het onderwerp is interessant genoeg. In 12 hoofstukken komen allerlei 'instituties' voorbij die in de loop van de geschiedenis iets met de literatuur te maken hadden: van het hof en het klooster via de rederijkerskamers en de bibliotheken tot inderdaad – ja, de titel zegt het al, de overheid.

De hoofdstukken zijn nogal divers, bijvoorbeeld van stijl en van opzet. Zo begint het hoofdstuk over de rederijkerskamers aldus:

Vanuit een genealogisch perspectief op de geschiedenis van de Nederlandse literatuur is een rederijkerskamer een vorm van sociabiliteit waarbinnen amateurschrijvers en performers literaire teksten schreven en voordroegen of theaterteksten maakten en opvoerden.

Terwijl het hoofdstuk over drukkers en verkopers van literatuur (1450-1800) eindigt met de volgende zin:

woensdag 17 februari 2016

Grenzen binnen de taalkunde

Door Lucas Seuren

Als promovendus heb je het toch maar mooi voor elkaar. Je kunt vier (soms drie) jaar los gaan op een onderwerp dat je na aan het hart ligt, je bepaalt je eigen uren, en regelmatig mag je jouw onderzoek in leuke buitenlandse steden presenteren. Bovendien staat alles in het teken van leren, en wat is er nou leuker dan dat? Met het oog op dat laatste organiseert de Landelijke Onderzoeksschool Taalwetenschap elk jaar een zomer-  en een winterschool. Daar krijg je als jonge onderzoeker twee weken de kans om te leren van vooraanstaande wetenschappers. Het is vooral een mooie gelegenheid voor verbreding, om kennis te nemen van vakgebieden waar je je normaal niet mee bezighoudt.

Mijn geheime liefde (al heb ik geen Valentijnskaart gestuurd) op dit soort bijeenkomsten is altijd semantiek. Dat heeft twee redenen. Als voormalig bèta vind ik de logisch-wiskundige benadering erg aantrekkelijk. En bovendien houden semantici zich vaak bezig met dezelfde problemen als ik. In januari was de winterschool in Tilburg, waar Valentine Hacquard (University of Maryland) ons confronteerde met het probleem van zogenaamde attitude verbs: dit zijn werkwoorden die een mentale staat of communicatieve handeling uitdrukken zoals willen, denken, en zeggen. Een van de vragen die haar bezighield, en waar ze ons mee confronteerde, was hoe het kan dat bepaalde werkwoorden presupposities meekrijgen, terwijl andere deze presupposities niet hebben.

Surinaamse studenten geven lezingen over diversiteit en meertaligheid

In het kader van de Internationale Dag van de Moedertaal organiseert de masteropleiding Nederlandse Taal en Cultuur van het Institute for Graduate Studies and Research (IGSR) in Paramaribo in samenwerking met de Surinaamse Vereniging van Neerlandici (SVN) een serie korte lezingen van haar studenten.

Surinaams Nederlands
Deze dag staat in het teken van de linguïstische en culturele diversiteit en de meertaligheid. Door de moedertaal in ere te houden, blijft de taalkundige en culturele traditie bestaan en zal men zich meer bewust worden van de verschillen tussen de diverse groepen. In Suriname worden immers meer dan twintig talen gesproken en dat maakt Suriname tot een meertalig land.

Deze presentaties zijn opdrachten, uitgevoerd voor de module Meertaligheid in Suriname, verzorgd door dr. Kofi Yakpo, verbonden aan The University of Hong Kong.


Hoe komt het dat de grammatica van oude talen ingewikkelder is dan die van moderne talen?

Onverwachte taalvragen aan de Nationale Wetenschapsagenda (13)

Door Marc van Oostendorp

Je kunt je best voorstellen dat iemand zich eens achter de oren krabt, zich het volgende afvraagt en dat dan instuurt naar de Nationale Wetenschapsagenda:

Sterker nog, er wordt door allerlei taalkundigen gewerkt aan iets wat uiteindelijk deze vragensteller zou moeten kunnen bevredigen. We zijn er alleen nog lang niet.

dinsdag 16 februari 2016

Taalprof 10 jaar


De volledige redactie, de ondersteunende dienst, alsmede het bedrijfsroltongtoeterorkest van Neder-L feliciteert de Taalprof, cartoonist en onvermoeibaar reageerder, van harte met het tienjarig bestaan van zijn eigen blog – in al die tijd een ongeslagen voorbeeld van valorisering van de taalwetenschap.

Je kunt de Taalprof bewonderen om zijn volharding, om zijn stijl, om zijn heldere geest, om zijn vele originele observaties over de taal, of om zijn interessante kijk op de didactiek. Maar het meest bewonderen wij de Taalprof om het eindeloze geduld waarmee hij telkens met mensen in alle uithoek van het internet in discussie gaat over de grammatica en het nut daarvan.

De Taalprof is de nestor van de Nederlandse taalblogosfeer. Hij is een inspiratiebron voor ons allemaal. Op naar de komende 110 jaar Taalprof!

Oproep: Academische jaarprijzen MNL 2016

Oproep tot het doen van voorstellen voor bekroning van de beste masterscriptie, het beste artikel en de beste dissertatie op het gebied van de Nederlandse letterkunde 2014 en 2015

De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde reikt jaarlijks drie prijzen uit: voor de beste masterscriptie, het beste academische artikel en de beste dissertatie. Het gaat daarbij om het bekronen en stimuleren van veelbelovende onderzoekers. De prijzen bestaan uit € 250 voor de beste masterscriptie, € 500 voor het beste artikel en € 750 voor de beste dissertatie.

Op 17 september 2016 worden de prijzen uitgereikt op het gebied van de Nederlandstalige of Afrikaanse letterkunde, voor een scriptie, een dissertatie en een wetenschappelijk artikel, geschreven in de academische jaren 2014 en 2015.
Inzendingen (in pdf) worden tot 1 mei 2016 ingewacht via mnl@library.leidenuniv.nl.  

Verschenen Onze Taal 85.2/3

Februari/maart 2016

85ste jaargang nummer 2/3
Veel artikelen zijn los te koop bij eLinea en Myjour.

Meer lezen? Koop het losse nummer of word lid!


Congres ‘Klinkend Nederlands’

Marc van Oostendorp en Michiel de Vaan
Van swootjeeroo apploo tot soet appo
De uitspraak van het Nederlands van 500 tot 2500

De uitspraak van onze taal verandert iedere dag een beetje, maar pas over een afstand van enkele eeuwen begin je de verschillen echt te merken. Hoe klonk het Nederlands in 500 en 1500? En hoe zal het in 2500 klinken?

Henkjan Honing
Voor de muziek uit
Waarom muzikaliteit aan muziek én taal voorafgaat

Hoe het brein van onze verre voorouders eruitzag, is niet meer na te gaan. Toch is er via een omweg misschien iets te zeggen over het ontstaan van taal, en de rol die muziek daarbij speelde.


Promotie Simon Smith: 'Der minnen cracht'

Op dinsdag 8 maart 2016 promoveert Simon Smith aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, faculteit Geesteswetenschappen, op zijn proefschrift 'Der minnen cracht'. Opstellen over liefde in de Arturroman 'Die Riddere metter Mouwen'.

Tijd: 13.45 uur.
Locatie: het Auditorium in het hoofdgebouw van de Vrije Universiteit, De Boelelaan 1105, Amsterdam. Receptie na afloop.
Promotor: Johan Koppenol.
Copromotor: Roel Zemel.

Wat is er raar aan een lerares, een dichteres en een minnares?

Door Marc van Oostendorp


Wat is het verschil tussen een wandelaarster en een zangeres? Aan onder andere die intrigerende vraag besteedt Jan Don aandacht in het nieuwe nummer van het tijdschrift Nederlandse Taalkunde. Volgens hem heeft het ermee te maken dat iedere vrouw die wandelt zich een wandelaarster mag noemen terwijl zomaar een beetje zingen iemand nog niet tot een bona fide zangeres maakt.

Dons artikel gaat over vrouwelijke persoonsnamen in het Nederlands. Die zijn in onze taal over het algemeen afgeleid van de mannelijke door middel van een achtervoegsel. Daarvan hebben we een hele reeks: behalve -ster en -es zijn re bijvoorbeeld ook nog -in (boerin), -e (agente, Zweedse), en -ice (conductrice). Wanneer gebruik je welke? Daarover zijn de taalkundigen die zich met woordvorming bezighouden, de morfologen, nog lang niet uitgepraat.

Uitzonderlijk

Een belangrijk deel van Dons artikel gaat over woorden waar het mannelijk eindigt op -er (werker) en -aar (peuteraar). Dat is op zich al een interessant paar:

maandag 15 februari 2016

De Musyck Kamer in teken van Louis Grijp

Op zaterdagmiddag 27 februari gaat De Musyck Kamer, het live programma met oude muziek van de Concertzender, weer open. De opnamen vinden plaats vanaf 14.00 uur in de Dekenkapel van de Pieterskerk in Utrecht. Deze editie van De Musyck Kamer zal voornamelijk in het teken staan van de onlangs overleden musicoloog en luitist Louis Peter Grijp. Leden van Camerata Trajectina zijn bereid gevonden om over Louis Grijp en zijn werk te vertellen dat ze muzikaal gaan omlijsten. Meer informatie.

Baby's die niet huilen horen het verschil tussen Frans en Arabisch

Door Marc van Oostendorp


Kinderen van een paar uur oud kunnen hun moedertaal al herkennen! Het is misschien geen zwaartekrachtsgolf, maar een dit weekeinde online geplaatst artikel uit Neuropsychologia – de officiële verschijningsdatum is pas in april – zorgde in ieder geval wel voor een rimpeling.

Een paar uur oud! Hoe weten we dat? Het is de onderzoekers gelukt door op een vernuftige manier nieuwe experimentele technieken in te zetten.

Om te beginnen kun je tegenwoordig vrij gemakkelijk en zonder al te veel belasting in iemands hersenen kijken, of in ieder geval zien waar relatief veel activiteit plaatsvindt. Je hoeft er alleen een bandje om het hoofdje te doen. En er zijn kennelijk genoeg ouders die zoiets geen probleem vinden, voor de wetenschap.

Alleen rijst dan natuurlijk wel de volgende vraag: hoe merk je dat het kind zijn moedertaal hoort?

Een schoone historie van Palmerijn van Olijve : Hoofdstuk 60


Een seer schoone ende ghenoechelicke
historie vanden aldervroomsten ende vermaertsten ridder

Palmerijn van Olijve,

sone van den coninck van Macedonien, ende van de schoone Griane,
dochter van Remicius, keyser van Constantinopelen,
de welcke vele wonderlicke avontueren in haren leven ghehadt hebben,
seer ghenoechelick ende playsant om lesen.

Vrij en eigenzinnig uit het Frans vertaald en soms herschreven
door een onbekende renaissancistische Amsterdammer [?],
misschien wel Bredero zelf [?],
in de oudste bewaard gebleven druk van Jan Janszen, Arnhem 1613.

Hoofdstuk 60 van de in totaal 139

Verantwoording (met naschriften)

Wie is wie in Palmerijn van Olijve?

Alle tot nog toe gepubliceerde hoofdstukken in één pdf:
van inmiddels 537 pagina’s A4


zondag 14 februari 2016

Ik denk dus ik denk

Door Peter-Arno Coppen

Ik heb een diep respect voor filosofen. Ik vind dat filosofie een belangrijk en respectabel vak zou kunnen (zou moeten) zijn in het voortgezet onderwijs. In zekere zin ben ik het dan ook wel een beetje eens met het pleidooi van Martin Slagter de afgelopen week in Trouw, en deze week nog in een polemiek met Christine Brackmann in Neder-L, dat filosofen zich zouden moeten ontfermen over het onderwijs in het denken van de leerlingen. Maar ik vrees dat er een zekere mate van begripsverwarring aan het ontstaan is waardoor het lijkt alsof er een fundamentele discussie gevoerd wordt.

Wat is de meest voorkomende klank van het Nederlands?

Door Marc van Oostendorp

In mijn zondagochtendminicollege – rechtstreeks vanaf een afdakje ergens in Leiden -- leg ik uit wat de meest voorkomende klank van het Nederlands is, waarom je dat zou willen weten en waarom het moeilijk te achterhalen is.

zaterdag 13 februari 2016

Taalvaardigheid en denkvaardigheid: vorm en inhoud


Afgemeten aan de toonhoogte van de reactie van bestuurslid Levende Talen Christine Brackmann op mijn artikel in Trouw van 10-2 jl., heb ik blijkbaar een gevoelige snaar geraakt met mijn stelling dat neerlandici ‘denkvaardigheidsonderwijs’ over moeten laten aan filosofen. Het grootste deel van haar stuk besteedt Brackmann aan de ‘drogredenen’ waar mijn artikel ‘bol’ van zou staan. Zo schrijf ik dat het ‘Manifest Nederlands als schoolvak’ het vak Nederlands leuker en moderner wil maken. ‘Drogreden 1’ stelt Brackmann gevat vast, want de woorden ‘leuk’ en ‘modern’ komen niet voor in het manifest. Dat klopt. Maar wel de volgende omschrijvingen en doelstellingen: ‘minder saai’, ‘aantrekkelijker’, ‘eigentijds’, ‘meer plezier’ en ‘al 25 jaar niet veranderd’. Je kunt erover twisten of ‘leuk en modern’ en adequate samenvatting is van die omschrijvingen en doelstellingen (mij lijkt van wel), maar als je dit een drogreden noemt, heb je toch niet helemaal begrepen wat dat is. 

Je zou kunnen zeggen dat het hele stuk van Christine Brackmann een illustratie is van mijn punt dat neerlandici voor logica en argumenteren te rade moeten gaan bij filosofen. Zo schrijft Brackmann: “Slagter zet neerlandici weg als onbekwame lieden. Een retorische truc, hier ook te kwalificeren als drogreden 3.” Als ik iets níet beweer, dan is het wel dat neerlandici ‘onbekwame lieden’ zijn. Dat vind ik ook helemaal niet. Sterker: ik ben zelf neerlandicus. In vind alleen dat neerlandici zich bij hun vakgebied moeten houden: taalvaardigheidsonderwijs.

Wat een veel ingewikkelder probleem!

Wat we nog niet weten over het werkwoord (14)
Door Marc van Oostendorp


Wat is het verschil tussen wat en hoe? Soms lijken ze dicht bij elkaar te liggen. Neem de zin:

- Wat ben jij sterk!

Wanneer je daarvan een afhankelijke zin wil maken, zeggen Broekhuis en Corver in het binnenkort te verschijnen laatste deel over werkwoordelijke groepen van de Syntax of Dutch, moet je wat veranderen in hoe:

- Ik was vergeten wat sterk jij bent [uitgesloten]
- Ik was vergeten hoe sterk jij bent.

Wat is hier aan de hand?

Hé natuur!

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (59)
Het Nederlandse sonnet bestaat 451 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Op het Canarisch eiland La Gomera kunnen ze hun zinnen fluiten: ze hebben een manier gevonden om klinkers en medeklinkers om te zetten in fluitbare signalen, zodat herders bijvoorbeeld over grote afstand kunnen praten. 

Van belang is daarbij dat ze wanneer ze beginnen te fluiten eerst hun gesprekspartner aan te spreken: 'A Maria', 'A Ricardo', enzovoort. Vooral die A is van belang: daardoor weet de lezer wat de basistoon is waarop gefloten wordt. Alleen zo kun je de volgende uitspraak zo interpreteren. 

Misschien is ook in gesproken taal A, of in het Nederlands o  ('”O knaap,” sprak de regter, en deed zich geweld') wel ontstaan. Voor je iemand aanspreekt zeg je kort iets betekenisloos, zodat die ander alvast aan je stem kan wennen, je toonhoogte, je klankkleur.

Alleen, als dat de verklaring is, waarom doen we dat dan eigenlijk niet meer? Niet meer zoals in de achttiende eeuw Juliana Cornelia de Lannoy het nog wel deed:

vrijdag 12 februari 2016

De krakende notenboom en de Loosduinse kindertjes

Door Ton Harmsen

Willem Godtschalck van Focquenbroch hanteert een succesvolle stijl: burlesk en spottend. Hij trapt met verve de heilige huisjes van het decorum omver. Vaak werkte hij samen met zijn vriend Joannes Ulaeus, die een traditionele stijl hanteert, en juist als ze hun gedichten achter elkaar afdrukken accentueert dat de platte grappigheid van meester Fok. Een voorbeeld is de klacht van de vluchteling (in Focquenbrochs tijd, en nu weer actueel) in de eerste verzen van de eerste Ecloga van Vergilius (Amsterdam, Johannes van den Bergh, 1666), in de vertaling van Ulaeus:

Ach Tityr! ghy leght vast, gerust, en stil te dromen,
Hier in de schaduw’, van dees’ breede boeke bomen,
    En stelt een velt-deun, op uw schelle Herders-fluyt,
    Terwijl wy vluchten uyt ons Vaderlandt, en uyt
Ons haag’lick errefdeel met droef, en bitter suchten;
Wy zijn gedwongen uit ons Vaderlandt te vluchten,
    En gy, leght hier in’t loof, en leert met soet gegil,
    Het Bos de weergalm, van u schoonen Amaril. (p. 1)

Focquenbroch vertaalt dit ‘op een andere Toon’:

Pleidooi tegen denkvaardigheid staat bol van de drogredenen

Door Christine Brackmann
Bestuurslid sectie Nederlands Vereniging Levende Talen
Docente Nederlands aan het Christiaan Huygenscollege te Eindhoven

De schrijvers van het ‘Manifest Nederlands op school’ zouden het vak Nederlands ‘leuker’ en ‘moderner’ willen maken. Martin Slagter, neerlandicus en filosoof, wordt er maar moe van. En leraren Nederlands moeten zich volgens hem niet bekommeren om denkvaardigheden. Zijn artikel ‘Leraar Nederlands, hou je bij je vakgebied’ in Trouw van 10 februari staat echter bol van de drogredenen.

Slagter verwijt de manifestschrijvers dat hun belangrijkste drijfveer lijkt te zijn dat ze het vak Nederlands leuker en moderner willen maken. “Wat hebben onderwijsvernieuwers toch met ‘leuk’?” verzucht hij naar aanleiding van de stellingen in het manifest. Ik heb het manifest doorzocht, maar de woorden ‘leuk’ en ‘modern’ komen er niet in voor. Slagter vertekent hier het standpunt van de opstellers. Drogreden 1. 

De rare taalwereld die 'des te meer' oproept

Wat we nog niet weten over het werkwoord (13)

Door Marc van Oostendorp

Er zijn onderwerpen waar de auteurs van de Syntax of Dutch zich duidelijk niet zo goed raad mee weten. Des te is daar een voorbeeld van. Wat kun je bijvoorbeeld beter zeggen:
  • Hoe langer ik ernaar kijk, des te meer ik erin ontdek.
  • Hoe langer ik ernaar kijk, des te meer ontdek ik erin.
De Algemene Nederlandse Spraakkunst en sommige andere auteurs geven de voorkeur aan het tweede patroon, en ook taaladvieswebsites hebben daar een voorkeur voor. Maar wie een beetje in teksten gaat zoeken vindt minstens evenveel instanties van het eerste, en mij lijkt dat ook helemaal geen vreemde woordvolgorde.

Dus wat moet je ermee? Het probleem dat de auteurs van de Syntax of Dutch zich niet baseren op een of andere verzameling afspraken over wat we wel of niet als correct beschouwen, maar op taalgevoel: wat voelt een moedertaalspreker aan als goed Nederlands, los van alle regels? Wie des te gebruikt, bezigt echter stadhuistaal en dan houdt je taalgevoel al snel op. Ik moet toegeven dat ik het ook niet zou weten: het kan allebei.

donderdag 11 februari 2016

Etymologie: eppe

Door Michiel de Vaan

eppe zn. ‘peterselie, boterbloem, akkerwinde’

Mnl. eppe vr. ‘selderij, apium graveolens’ (1240). Een tekstvoorbeeld uit 1253 (de Noordlimburgse gezondheidsregels): botere ende coil gemaket mitter eppe si doin di den munt smaken ‘boter en kool bereid met selderij geven een goede smaak in je mond’ [zodat je niet uit je mond stinkt]). Nnl. eppe (1554, Dodoens), in samenstelling ook watereppe (1543), boereneppe (1543), bergeppe, broekeppe, hofeppe, steeneppe (1554).

In moderne dialecten duidt eppe nog verschillende planten aan (boterbloem, selderij, akkerwinde) in de Achterhoek, en eppelijn betekent ‘kamille’ in Oost-Vlaanderen en Zuidwest-Brabant.

Verwanten: Middelnederduits eppe, Oudhoogduits epfi en epfih (m. of o.) ‘selderij’, Mhd. epfe en epfich o., Mohd. Eppich m. ‘selderij’.

Een Kontinentaal Westgermaans leenwoord *apja- uit Latijn apium ‘selderie’. Het ontleende woord deed in het Westgermaans nog mee met de j-geminatie van *pj tot *ppj.

Studiemiddag 'Van wiegendruk tot world wide web'

Op vrijdag 26 februari 2016 kunt u in de Koninklijke Bibliotheek een studiemiddag bijwonen rond de nieuwe publicatie van KB-conservator Marieke van Delft, getiteld 'Van Wiegendruk tot world wide web'.

Zes sprekers uit het boekenveld gaan in op ontwikkelingen van de bijzondere collecties en de boekwetenschap. Deze voordrachten zijn inspiratie voor een discussie over dit onderwerp tussen studenten, uitgevers, bibliothecarissen, boekverkopers en -liefhebbers.

Publieksmiddag: Mijnwerkers in de Euregio en daarbuiten

26 April 2016, 13.15 – 1600 Maastricht University,
Faculty of Arts and Social Sciences, Maastricht
Grote Gracht 80-82, Zolder (3e etage)

Organisatoren: 
Leonie Cornips (Meertens Instituut & Maastricht University)
Pieter Muysken (Radboud University)


Bestaat er zoiets als de meest efficiënte taal en zo ja welke?

Onverwachte vragen in de wetenschapsagenda (12)
Door Marc van Oostendorp

Kun je talen met elkaar vergelijken? En nog belangrijker kun je ze dan op een ranglijst plaatsen? Het is in ieder geval iets dat mensen graag doen. Ze vragen dan: is het Nederlands een moeilijke taal? Wat is de mooiste taal die u kent? En raken danig sip wanneer je ze het enig juiste antwoord geeft: dat hangt er maar vanaf.

Het Nederlands is een uiterst moeilijke en lelijke taal voor een niet zo snuggere Chinees die geen enkel nut ziet in het leren van die taal, en heel makkelijk en schoon voor een taalgevoelige Duitse jongeling die verliefd is op een eentalig meisje uit Arnhem. Wie er gelijk heeft valt bij de huidige stand van de wetenschap niet uit te maken.

In de hoorn des interrogatieven overvloeds die de wetenschapsagenda is, vinden we dan weer een heel andere vraag over de ordening der talen: