Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

vrijdag 8 april 2016

Funeraire poëzie: tekstbijlage P.C. Hooft

Door Ton Harmsen

    Heemskerck die dwars door’t ys en’t yser dorste streven
    Liet d’eer aen’t land, hier’t lyf, voor Gibraltar het leven.

Net als het lange gedicht van Daniel Heinsius op de dood van Jacob van Heemskerck, die in 1607 de slag bij Gibraltar won maar die overwinning betaalde met zijn leven, bevat dit distichon van P.C. Hooft vrijwel uitsluitend lof. Hij doet dat heel kunstig en opvallend: ‘ys’ en ‘yser’ zijn woorden die bij een grote overeenkomst in klank een heel verschillende betekenis hebben (wat de stijlleer paronomasia noemt); ‘eer’, ‘lyf’ en ‘leven’ zijn drie objecten van ‘Liet’ (een tricolon). Het allitererende ‘liet-land-lijf-leven’ maakt het tweede vers ook bijzonder welluidend. Met recht siert dit gedicht het grafmonument van de zeeheld.

Het lijkt of Hooft een vergissing maakt in het metrum, omdat in Gibraltar de eerste en de laatste lettergreep beklemtoond zijn. In de zeventiende eeuw sprak men het echter uit zoals in het Spaans en het Frans, zoals we ook zien in het gedicht van Vondel op het portret van Gerard Hulft. Die uitspraak is etymologisch beter verantwoord dan de onze: Gibraltar is een verspaansing van de Arabische naam Jabal Ṭāriq (جبل طارق), de Tariqberg. Een andere bijzonderheid is de trochee ‘Heemskerck’ – hier maakt Hooft gebruik van een vrijheid, die in het eerste woord van een jambisch vers niet ongebruikelijk is.

Liet ‘eer’, ‘lyf’ en ‘leven’. Een vergelijkbaar tricolon maakt Hooft in het grafschrift voor zijn vriendin Brechtje Spiegels (1605)

In Maechdelijcke leden
Cleen, aerdich, blanck, besneden,
    Herbergend’, haer onthiel
    Een suiverlijcke Siel
    Tot, dat sij hemelwaert
    Kiesende’ een snelle vaerdt
Door ’s wallich-werelts afkeer
Vant lichaem liet dit graf heer,
    Slaaf van verdriet ons eeuw
    ’t Verlaten Aertrijck weeuw
    Van deuchden d’ongemeinst,
    Oprechtheit ongeveinst,
Verheuchelijcke vroetheit
Kennisdragende goetheit.

Als hij dit schrijft, één volzin, verdeeld over jambische drievoeters, is Hooft 23 jaar. Wij voelen zijn ademstokkende verdriet alleen al mee in de vorm: slechts drie keer slepend rijm in veertien korte verzen. Vrijwel alle zeventiende-eeuwse poëzie heeft een vaste afwisseling van staand en slepend rijm. In dit gedicht komt tweemaal (vs. 5 en vs. 11) een herhaling van staand rijm voor, wat de lezer naar adem doet happen. Met al zijn dichterlijke brille is dit gedicht een uiting van diepgevoelde emotie.

Ook hier verbindt Hooft het werkwoord ‘liet’ met drie objecten, en bovendien drie indirecte objecten: het graf laat zij achter als heer van het lichaam, onze eeuw als slaaf van verdriet, en het aardrijk als weduwe van deugden. En dat laatste wordt uitgesplitst in een ander tricolon: haar deugden zijn oprechtheid, vroedheid en goedheid. Zo maakt Hooft een gedicht dat voornamelijk aan Brechtjes laus gewijd is. Ook deze lof kent drie argumenten: haar schoonheid, haar ziel die het op de walgelijke wereld niet uit kon houden, en haar deugden. De overige funeraire bouwstenen gebruikt Hooft spaarzaam, maar ze zijn aanwezig: dat de wereld haar deugden moet missen is een iacturae demonstratio, dat zij hemelwaarts gegaan is consolatio en dat de eeuw ‘slaaf van verdriet’ is geworden is een kwestie van luctus.

Heel anders van karakter is de Lijkklaght over Pieter Dircxz. Hasselaer die Hooft elf jaar later schrijft. Hij begint met een opwekking tot rouw via de bekende omweg van de ‘alii nos-topos’: bij anderen is het zús, bij ons is het zó, of: anderen hebben het zús gedaan, maar wij doen het zó. Na acht verzen over de rouwrituelen van Grieken en Romeinen schrijft hij Amsterdam in acht parallelle verzen voor dat het net zo moet rouwen. Hij beschrijft eerst de rouwkleding die de Romeinen voorgeschreven kregen als een lieveling van het volk werd begraven. Dan een bijzonder voorbeeld: toen zijn vriend of minnaar Hephaestion overleed (niet eens aan iets heroïsch maar aan verkeerd voedsel) liet Alexander de Grote, volgens Plutarchus, de manen en staarten van de paarden scheren en de kantelen van torens en muren slopen. In de bouwkunde betekent ‘scheren’ het afsnijden van onregelmatigheden. Paarden en muren moesten dus geschoren worden. In dit exorbitante rouwbetoon gaat Hooft zelfs verder: van paarden maakt hij ‘volck en vee’. Óf hij heeft naast Plutarchus een andere bron gebruikt (Plutarchus’ Pelopidas of Euripides’ Alkestis), óf hij is in de stemming om enige dichterlijke overdrijving toe te passen:

Soo Rome recht had om te klêen in eenen rouwe
Den Raedt, den Ridder, en de welgebooren Vrouwe,
    Wanneer men braght, van ’t vier naer onderaerdschen kolck,
    Ghebeent, welx vleesch oft bloedt noyt kostlijck voor het volck,
Maer zielmild was gheweest: moght Alexander scheeren,
Om sijn Hephaestions lijkstaeti te vereeren,
    Muyren en toorens hoogh, soo wel als volck en vee,
    Tot datmen geen kanteel en sagh aen slot oft stêe:
Soo mooght ghy Amsterdam met recht dan nu wel scheuren
De stroocken van uw rock, van al uw klêen de kleuren
    En d’hayren wt uw hooft: ’t welck bloodt zy, als van ouwds,
    En schaem sich al ’t jaer lang des Caisarlijcken gouds.
Slecht vry aen allen oordt de borstweer van uw schanssen,
Swart het vergult cieraedt, breeckt de doorluchte transsen
    Van al uw toorens af: voorneemlijck van de geen
    Die Hasslaers wijck bewaeckt, want hy is overlêên. (vs. 1-16)

Na de opwekking tot rouw gaat Hooft over tot de lof. Hasselaer heeft tijdens het beleg van Haarlem in 1572, waarbij zijn beroemde tante een glansrol speelde, een mislukte poging gedaan om met een galei de Spanjaarden te dwarsbomen, maar hij heeft met succes een brief van Willem van Oranje in Haarlem bezorgd. Deze activiteiten vertelt Hooft uitvoerig, zonder dat hij erin slaagt er grote heldendaden van te maken. Toch komt Hasselaer bij iedere vergelijking, met vriend en vijand, met tijdgenoot en oude Romein, altijd als de beste uit de bus. Het is opvallend dat Hooft niet alleen de gegevens van Plutarchus overdrijft, maar ook meer dan honderdvijftig verzen besteedt aan het loven van heldendaden die bij nader inzien niet bijzonder spectaculair zijn. De Spanjaarden wisselen Hasselaer uit voor hun admiraal Bossu, in de woorden van Hooft:

    Noch deed het u te kort, als ’t, om te lossen u,
    In handen vallen deed den Ammirael Bossu. (vs. 151-152)

Een prachtige dichterlijke formulering, maar vanwaar al deze overdreven lof? Het is van belang te weten dat de zoon van de overledene getrouwd was met Agatha, de oudste zuster van de dichter. De familieband gaf voor Hooft de heldendaden van Hasselaer extra glans. In ieder geval hebben de Hasselaers, nadat zij uit Haarlem naar Amsterdam waren verhuisd, daar een flitsende carrière gemaakt: uit het bovengenoemde gedicht over Gerard Hulft blijkt dat deze een goed deel van zijn aanzien ontleent aan het feit dat zijn moeder een lid van de familie Hasselaer was. Sonja Witstein noemt het feit dat Hoofts zuster getrouwd was met een zoon van Hasselaer, zonder daar veel consequenties aan te verbinden. Ik deel haar terughoudendheid voor het vermelden van wie er bij de dichter in de straat woonden of op dezelfde school hebben gezeten; maar in dit geval kan alleen de familiaire band een verklaring opleveren voor de exuberante lof die Hooft Hasselaers Haarlemse heldendaden toezwaait. Diens politieke en vooral financiële carrière belicht hij veel minder; de glans van het Haarlemse heldendom was kennelijk mooier dan de glans van macht en geld. Het blijkt dat de naam van Kenau toen al zo groot was, dat het belangrijker is haar neef te zijn en aan haar zijde gevochten te hebben, dan carrière te maken in de politiek en de scheepvaart.

De lijkklacht eindigt met iacturae demonstratio en luctus: de Amsterdamse burgerij rouwt en weent:

Soo komt de stadt vol rouws, en al de straet vol traenen:
    Een eer ghewisselijck waer toe dat alleman
    Van Alexander niet ghedwonghen worden kan. (vs. 174-176)

Hier komt het verhaal van de rouw over Hephaestion in een heel ander daglicht te staan! Witstein spreekt van een comparatio a simile als Hooft Alexander de Grote betrekt bij zijn opwekking tot rouw; hier benadrukt hij echter iets heel anders. In deze comparatio a contrario blijkt het rouwbetoon voor Hephaestion geregisseerd te zijn en dat van het volk voor Hasselaer spontaan. Daar doet Hooft nog een schepje bovenop door de overledene ook nog eens met Cato te vergelijken:

    Soo saghmen eerst doen Cato doodt was watmen miste. (vs. 182)

En daarmee brengt hij op de valreep een nieuw laudatief argument op tafel: Hasselaer was even wijs, en ook even bescheiden als de legendarische Romeinse moraalfilosoof.

Naast deze lijkklacht schreef Hooft een grafschrift voor Hasselaer. Dit distichon bevat geen tricolon maar een antithese, en met een dubbele alliteratie (meer de deugd, min de dood) weet Hooft er een prachtig vers van te maken:

    Dit graf houdt Hasselaer gheborghen in den schóót.
    Geen man oyt achte meer de deughd, oft min de doodt.

Zelfs van dit distichon drukt Sonja Witstein in haar proefschrift maar de helft af. Om maar te zwijgen van de 188 verzen van de lijkklacht. Wie de teksten er graag bij heeft – en daarzonder is het moeilijk zelf een mening te vormen over deze minder-bekende gedichten – kan gebruik maken van het volledige corpus dat de site van de opleiding Nederlands in Leiden aanbiedt. Daar staan de teksten in de volgorde van Witsteins boek.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.