Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

vrijdag 1 april 2016

Funeraire poëzie: tekstbijlage Daniel Heinsius

Door Ton Harmsen

Poëzie over de dood is nog altijd levend:

      Ik hoef geen harp, ik wil alleen een bal
      En vleugels had ik bij mijn leven al

Met deze woorden meldt Johan Cruyff zich bij Petrus, nadat hij onmiddellijk bij aankomst in Cruyfftaal kritiek heeft geleverd op de plaatsing en de omvang van de hemelpoort. Alleen al dat dit gedicht van FF Negmeijer een monoloog van de overledene zelf is maakt het bijzonder. Troost, rouwbeklag en het gemis voor de nabestaanden ontbreken: helden hoeven geen rouw, helden willen eer. Negmeijer neemt een loopje met Cruyff: hij parodieert de lichtelijk paradoxale zinnetjes waarmee hij de wereld probeerde te verbeteren. Bijzonder serieuze funeraire poëzie is het dus niet, maar het past zonder moeite in het aloude genre.

Neerlandici kennen dit kleine genre uit het grote proefschrift van Sonja Witstein, Funeraire poëzie in de Nederlandse Renaissance (1969). Zij maakte voor het eerst systematisch gebruik van retorica en poëtica bij het analyseren van gedichten. Nieuw was dat zeker niet: het was al lang duidelijk, ook in de neerlandistiek, dat de poëzie gevormd is door technieken die de dichters op school geleerd hadden, en dat allerlei verschijnselen in toneelstukken voortkomen uit ideeën van Horatius en Corneille. Maar zo consequent als in deze studie had nog niemand gebruik gemaakt van de theorie uit de oudheid en de renaissance. Als eerste formuleerde Sonja Witstein het nauwe verband tussen retorica en poëtica: de opbouw van literaire teksten is verwant aan de dispositio van de redevoering; de logica erin vergelijkt zij met de argumentatio van politici en juristen, en schoonheid in de poëtische taal komt overeen met de elocutio, het zoeken van de juiste woorden in een betoog.

Ex fumo dare lucem is een van de prachtige formules uit Horatius’ Ars poetica. ‘Hy pooght niet roock uit glans, maer glans uit roock voort te brengen’, vertaalt Vondel. Het is een dichterlijke techniek: je hoeft niet in de eerste paragraaf uiteen te zetten welke punten je gaat behandelen, maak het liever een beetje spannend voor de lezer. Noem je onderwerp niet direct, maar geef een omschrijving, waaruit geleidelijk duidelijk wordt wat er bedoeld is. Het is de manier waarop Agamemnon bij Seneca de ziener Calchas aanspreekt. Hij zegt niet ‘O Calchas!’ maar (in Vondels vertaling):

      Ghy die de Griecxsche vloot wt Aulis hebt getoogen,
      En onsen toght gespoeyt: Ghy die den Hemel doet
      Ontsluyten door uw’ konst: Wien ’t ingewant, en ’t bloed
      Der dieren is bekent: Ghy wien ’t gekraeck des Hemels,
      En langgesteerte star, met nasleep vol gewemels,
      Des noodlots raed ontdeckt: wiens mond, en woorden my
      Soo dier staen, Thestors soon! Goods wil ontdeck ons vry,
 (De Amsterdamsche Hecuba, vs. 514-520)

Daniel Heinsius hield zich aan deze raad van Horatius. In zijn gedicht op de dood van admiraal Jacob Heemskerck, die in 1607 voor Gibraltar ondanks zijn dodelijke verwonding de Spanjaarden versloeg, komt de naam Heemskerck – behalve in de titel – zelfs helemaal niet voor. Ook Hercules, die in het gedicht een belangrijke rol speelt wordt aangeduid met een perifrase:

    Naer dat hy van te voor was door het ys gebroken,
    En buyten Son en Maen een weerelt hadd’ ontloken,
       Daer niemant was geweest, noch Liber, noch den helt
       Die aen des werelts endt twee paelen heeft gestelt. (vs. 5-8)

De lezer kent de Herculische zuilen bij Gibraltar, dus verdere explicatie is niet nodig: deze omschrijving zonder de naam te noemen geeft het plezier van de herkenning. Moeilijker is misschien dat Liber Bacchus is, al is het gesneden koek voor wie Heinsius’ overige werk kent. Maar Heinsius noemt Bacchus en Hercules allerminst toevallig of willekeurig, zij vormen het uitgangspunt voor een belangrijk lof-argument: Heemskerck heeft grotere daden verricht. A fortiori heeft hij dus recht op een plaats in de hemel, zoals de stervelingen Bacchus en Hercules die verworven hebben:

    Al ist dat zy nu bey, by Iupiter geseten,
    Bevrijt sijn van de doot, en met de Goden eten,
       Het is nochtans bekent, dat haere kloeckste daet
       En haeren grooten roem beneden dese staet. (vs. 9-12)

Beiden zijn, hoewel sterfelijk geboren, vanwege hun grote daden opgenomen bij de Olympische goden. Wij kennen Bacchus vooral als de vrolijke god van de wijn, maar hij speelt ook een grote rol in de strijd van de giganten tegen de goden, en voortgetrokken door twee angstaanjagende panters heeft hij India veroverd. De twaalf werken van Hercules tonen diens bovenmenselijke kracht. En toch – zo argumenteert Heinsius – is hun verdienste minder groot dan die van de held die in dit gedicht bezongen wordt.

Ook al is Heemskerck gesneuveld, zijn moedigheid – met afgeschoten voet bleef hij recht overeind – leidde tot de overwinning in de zeeslag, en was daarom van grote invloed op de onderhandelingen die het Twaalfjarig Bestand voorbereidden. Heinsius bezingt hem zonder over hem te treuren: het uitspreken van bedroefdheid over de dood van een militair is in vrijwel alle gevallen goed, maar niet als het een held betreft die door zijn dapperheid en strategisch inzicht ver boven de gewone, sterfelijke mensen staat: het decorum staat niet toe een persoon te betreuren die verdient als een held in de hemel opgenomen te worden. Anders dan FF Negmeijer zet Heinsius hier een serieus gezicht bij.

Het gedicht opent met de traditionele hîc jacet-formule van een grafschrift: ‘Hier binnen in dit graf, o Vrienden, licht gesloten / Den onbeweechden helt van Amsterdam gesproten.’ Dat maakt het heel concreet; de lezer ziet het graf voor zich. Maar met zijn 116 verzen is de tekst veel te lang om werkelijk op een grafmonument uitgebeiteld te worden. Die functie kreeg het distichon van P.C. Hooft:

    Heemskerck die dwars door’t ys en’t yser dorste streven
    Liet d’eer aen’t land, hier’t lyf, voor Gibraltar het leven.

Funeraire poëzie heeft vier bouwstenen: de lofprijzing (laus), het rouwbeklag (luctus), het aantonen van het verlies voor de nabestaanden (iacturae demonstratio) en de troost (consolatio). Zij komen niet alle vier in ieder funerair gedicht voor, en de volgorde is vrij. In Heinsius’ gedicht op Heemskerck is vooral de laus uitgewerkt. Zijn troost baseert Heinsius op het feit dat Heemskerck in de heldenhemel is opgenomen, en van daar neerkijkt op het gewoel van het volk en op zijn eigen heldendaden:

       Int midden van de doot noch even onbevreest,
       Niet voelende de pijn, en gevende de geest.
    Die vliegend’ uyt het lijf wiert dadelick verheven
    Int midden van de locht daer al de helden leven. (vs. 35-38)

De iacturae demonstratio laat Heinsius niet zomaar weg, hij hanteert haar in een onverwachte variant. De vijanden, de Spanjaarden, zullen met spijt naar Heemskercks graf kijken, omdat hij begraven ligt in de aarde die hij zelf heeft vrijgevochten:

    Gestorven voor u volck, vol lof, vol eer, vol weerde,
    Begraven en bedeckt van vrygevochten eerde.
       En dat de vyant is noch d’aldermeest’ ellendt
       Niet lange naer u doot, heeft hy dat self bekent. (vs. 113-116)

Zo schrijft Heinsius aan het verlies van Heemskercks leven een symbolische kracht toe: de Spanjaard is niet verweesd maar verslagen.

Het gedicht staat vooraan in de Nederduytsche poemata, de bundel met alle Nederlandstalige gedichten van Heinsius. Petrus Scriverius bezorgde deze uitgave in 1616, en alsof het een klassieke auteur betreft geeft hij er aantekeningen en commentaar bij. Hij presenteert de classicus Heinsius als de eerste poeta doctus, de eerste echte Nederlandse renaissancedichter. Hij roemt ook de Nederlandse taal: een rijke en oude taal, die net zo geschikt is voor het schrijven van gedichten als Latijn, Grieks, Italiaans of Frans. Dat Heinsius, die altijd poëzie in het Latijn of in het Grieks publiceert, evengrote hoogten weet te bereiken met het Nederlands is een aanmoediging voor de Nederlandstalige dichters. En zo begint met deze bundel de zegetocht van de Nederlandse renaissance.

De soms omvangrijke teksten die Sonja Witstein in haar proefschrift behandelt drukt zij niet compleet af – het boek zou aanzienlijk dikker zijn geworden. Toch heeft de lezer soms behoefte de vele citaten in hun context te zien. Op het internet zijn die gedichten nu gemakkelijk te vinden; de complete verzameling is bij elkaar gezet op de site van de opleiding Nederlands. Daar staan ze in de volgorde van Witsteins boek.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.