Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

vrijdag 1 april 2016

Column 104 : Voer voor filologen : corruptie, contaminatie en confusie

Door Willem Kuiper

Verreweg de meeste Middelnederlandse literaire teksten zijn vertaald, meestal uit het Frans, met het Latijn als goede tweede. Hoe graag zouden wij filologen willen weten welk boek de vertaler op zijn schrijftafel had liggen, en wat zouden wij graag diens autograaf met de vertaling in handen houden. Dan zouden wij kunnen zien hoe de vertaler met zijn brontekst is omgegaan. Maar helaas, autografen zijn uiterst zeldzaam en maar (hoogst) zelden weten wij zeker (genoeg) welk boek als legger gebruikt werd.
     Om de Vergaderinge der historien van Troyen met het origineel te vergelijken, maak ik om praktische redenen, maar ook in overeenstemming met de wetenschappelijke stand van zaken, gebruik van een gedrukt boek, waarvan William Caxton de uitgever is c.q. heet te zijn. William Caxton is de maker van het eerste gedrukte Engelstalige boek. Dat deed hij in 1473-1474 te Brugge in samenwerking met de Vlaming Colard Mansion: Recuyell of the Historyes of Troye, door Caxton zelf uit het Frans vertaald. Ziet er zo uit:

 Bibliothèque nationale de France, département Réserve des livres rares, RES-Y2-399

U ziet dat het lettercorps is aangepast aan de Engelse taal, want het bevat de letters ‘k’ en ‘w’. Die letters komen normaal gesproken niet voor in Franse lettercorpsen.
     Volgens de catalogus van de Bibliothèque nationale de France (BnF) zijn de twee boeken hieronder eveeens door William Caxton gedrukt: 1) de Franse brontekst Le recoeil des histoires de Troyes

Bibliothèque nationale de France, département Réserve des livres rares, RES-Y2-170

en 2) de Histoire de Jason,

Bibliothèque nationale de France, département Arsenal, RESERVE FOL-BL-933

die Raoul Lefèvre een paar jaar eerder schreef.
     Beide laatste boeken zijn in hetzelfde Franse lettercorps gezet, zonder ‘k’ en ‘w’. Helaas ontbreekt in beide drukken een colofon met daarin de naam van de drukker(s) / uitgever(s) en plaats en jaar van uitgave. Ga maar kijken op Gallica en voer als zoekterm “William Caxton” in.
     Volgens Lotte Hellinga is deze Jason-druk (circa 1477) het exemplaar geweest van de vertaler van de Historie van Jason, die eerst in handschrift verscheen en vervolgens gedrukt werd door Jacob Bellaert, Haarlem circa 1485: ‘The History of Jason: From Manuscripts for the Burgundian Court to Printed Books for Readers in the Towns of Holland’ in: Lotte Hellinga, Texts in transit. Manuscript to Proof and Print in the Fifteenth Century. Leiden 2014, chapter 12, p. 304-365 (met dank aan Bart Besamusca). Of Caxton de drukker was of Colard Mansion, met wie Caxton eerder had samengewerkt, laat zij in het midden, als ik goed gelezen heb. Volgens de Engelse Wikipedia was Caxton in 1476 teruggekeerd naar Londen, waar hij in Westminster een drukkerij begon en als eersteling de Canterbury tales van Chaucer drukte.
   
Hoe kun je zien of een bepaald boek het voorbeeld geweest is van een ander boek? Bijvoorbeeld aan de structurering in hoofdstukken en paragrafen. Die wordt niet door de vertaler bedacht maar overgenomen uit de brontekst. Eigennamen zijn ook belangrijke getuigen. Ik geef één voorbeeld. Gedurende de Middeleeuwen werden het eiland Sicilië en de regio Cilicië voortdurend met elkaar verward. Zo ook in de Vergaderinge. De editie Aeschbach van het handschrift leest correct “Cilice” en iets minder correct “Silice” in hoofdstuk 9, paragrafen 2 en 3, waar de druk van Colard Mansion [?] “Sicil(l)e” leest en Jacob Bellaert “Sicilien” afdrukt. Aan de hand van dit soort fouten kan verwantschap overtuigend aannemelijk of onaannemelijk gemaakt worden.

Inmiddels ben ik voor wat Bellaert betreft aangekomen in het slot van diens hoofdstuk 13, wat overeenkomt met het einde van hoofdstuk 15 in het Frans. De Nederlandse vertaler of Bellaert heeft op eigen initiatief of op basis van zijn brontekst de hoofdstuktitels 14 en 15 genegeerd en de tekst laten doorlopen. De inhoud van deze hoofdstukken kan in een paar zinnen worden samengevat: Saturnus wordt (weer) paranoia en wil zijn zoon Jupiter vermoorden. Jupiter is inmiddels gehuwd met zijn zuster Juno en bevindt zich in de stad Perthennen (Perthemie in zowel het Franse handschrift als de Franse druk). De onderdanen van Saturnus vinden het verschrikkelijk als zij van zijn plannen horen, maar zij moeten hem als hun koning gehoorzamen, en proberen Jupiter niet te vinden. Maar hij wordt gevonden omdat hij zich niet verbergt. Saturnus komt nu openlijk voor zijn moordplannen uit en valt de stad Archaden aan, waarin Jupiter zijn toevlucht gezocht heeft bij zijn zoon Archas. Zie hier hoe het er bij Bellaert uitziet:

Vergaderinge, fol. d1 recto, kolom b
Vergaderinge, fol. d1verso, kolom a

Het begin is probleemloos:
[B]i dit ghebot wist Jupiter dat hij de ghene was daer Saturnus om te velde quam. Die van Archaden ghingen te rade sonder Jupiter ende spraken op dese materie ende quamen ende gaven dese antwoerde: hoe dat si ghehouden waren Jupiter te dienen ende dat si hem bescermen souden ende dat si mit hem leven ende sterven souden teghen alle de werelt. Als Saturnus dese antwoerde hoerde, heetelic mit vueriger blakender toerne beval hi datmen de stat bespronge.
De inwoners van de stad Archaden verklaren zich solidair met Jupiter tegen Saturnus, waarop een van woede kokende Saturnus beveelt de stad aan te vallen. En nu komt het:
Die van Creten ghenaectende vast ter mueren, ende die vander stat luden “Ter wapen!” ende stelden hem ter weer mit groter moedicheit haer mueren te bescermen.
Saturnus is koning van Creten, zijn mannen, de aanvallers, heten daarom: “Die van Creten”. “Ghenaectende” lijkt mij een contaminatie van de verleden tijd ‘ghenaecten’ en het tegenwoordig deelwoord ‘ghenaec(k)ende’. Omdat het onderwerp van de zin verandert van “Die van Creten” naar “die vander stat” kies ik voor de verleden tijd: ‘ghenaecten’. Dus terwijl de aanvallers de muren van de stad Archaden dreigend naderen wordt er in de stad door middel van een geluidssignaal het bevel “Te wapen!” gegeven. Waarna de stedelingen zich gewapend boven op de stadsmuren posteren om die tegen de aanvallers te verdedigen.

De makkelijkste manier om een (middeleeuwse literaire) stad in te nemen is door middel van verraad. Vaak is de Saraceense koningsdochter verliefd op de knappe jonge christen held en gelooft zij in het geniep in Jezus of hoopt zij op een ander, vrijer leven, wat haar ertoe brengt om bijvoorbeeld het riolenstelsel onder de stad open te zetten zodat de vijand ongezien en ongemerkt de stad kan binnendringen. Listen als het Paard van Troje en het Turfschip van Breda werden ook wel eens gebruikt, maar gebruikelijker was toch om te proberen een gat in de stadsmuur te maken. Dat kon ondergronds door de muur te ondermijnen, dat kon bovengronds met behulp van een stormram, maar het kon ook door eerst de eventele gracht vóór de muur te dempen en vervolgens de muur met ladders te beklimmen. Voorwaarde was wel dat je eerst de verdedigers van de muur verdreef alvorens de ladder op te gaan, want anders kreeg je gegarandeerd een steen bovenop je hersens en lag je in een mum van tijd weer beneden op de grond.
     Raoul maakt zich niet schuldig aan anachronisme dat je nog wel eens ziet in geïllumineerde handschriften, door mee te delen dat de mannen van Saturnus in die tijd nog niet de beschikking hadden over kanonnen of ander geschut. Waren nog niet uitgevonden. Er werd destijds nog met pijlen geschoten en met stenen gegooid:
De Saturnienen scoten menighe scichte ende dye vander stat worpen menighe stenen ende doden veel Saturnienen. Bossen, bombaerden noch grote artilgerie [en] waren doe noch niet gevonden, nochtant die van Creten hadden die subtijlheit dat si worpen ende geraecten oec de gene die op de mueren stonden. Ende [die vander stat] worpen mit mutsaerden barnende olye, water siende ende barnende aschen, ende Jupiter had dese vander stat dit so wel onderwesen, so wel de vrouwen als dye mannen, dat alst quam op ’t starcste ende dat die van Creten [d1va] meenden inde stat te comen, waren si so geladen van vuer ende dingen boven geseyt dat si bedwongen waren of te wijcken vander stat ende laten ’t bespringhen tot haer grote achterdeel ende luyden vertreck.
Zo staat het niet exact in Bellaert. “[en]” is door mij verbeterd uit “ende”, een triviale fout. Ingrijpender is mijn invoeging [die vander stat], want bij Bellaert ontbreken die woorden en lijkt de zin door te lopen:
nochtant die van Creten hadden die subtijlheit dat si worpen ende geraecten oec de gene die op de mueren stonden ende worpen mit mutsaerden barnende olye, water siende ende barnende aschen [...].
En dat kan niet, want hier worden de krijgsverrichtingen van de Cretenzers met die van de mannen van Archaden verward. De hoogste tijd om in de Franse voorbeeldtekst te kijken. Allereerst de druk uit circa 1477:
Ceulx de crete commencerent a approuchier les murailles et tandis les archadiens sonnerent aux armes et se mirent a deffendre leurs murs par grant couraige Les saturniens y tirerent maintes sayettes et aussi les archadiens Iecterent maintes pierres et en abatirent plusieurs saturniens / Canons bombardes ne grosses artilleries nestoient point encoire en regne / Toutesuoyes ceulx de crete auoyent lindustrie de ruer sur ceulx qui les assailloyent bourrees ardans huilles eaues et cendres boullans / et a ce faire Iupiter auoit si bien Introduit larchadien peupple tant hommes comme femmes que quant ce vint au plus fort de lassault et que ceulx de crete cuiderent entrer en la cite Ilz furent si chargies de feu et des choses dessusdictes quilz furent constrains daler arriere des murs et de cesser lassault a leur grant dommaige et fut sonnee la retraite
Hier zijn het de Cretenzers die hun tegenstanders aanvallen met brandende takkenbossen (bourrees ardans) en met kokende olie en water en ik vermoed iets als pek (huilles eaues et cendres boullans). Dit is zonneklaar onjuist, want dit zijn de wapens van de verdedigende Archadiërs, die Jupiter zelf niet alleen aan de mannelijke inwoners van Archaden geïnstrueerd had, maar óók aan de vrouwelijke inwoners. Raoul stelt je voortdurend voor dit soort kleine verrassingen.
     En dan nu de overeenkomstige passage uit de kritische editie van Marc Aeschbach op basis van twee Brusselse handschriften [editie-Aeschbach, p. 67-78: IV. Le choix des manuscrits de base].
Atant se mirent en armes ceulz de Crete, et aprocerent la muraille. Tantost que les Archadiens veirent leurs ennemis approcer, ilz sonnerent aux armes et vindrent a l’effroy, et se mirent a deffendre leurs murs par grant courage. La fu traitte mainte saiette. La fu mainte pierre ruee. La fu maint homme abatu dedens et dehors. Canons, bombardes ne grosse artillerie n’estoit point en cours en ce tamps. Toutesvoies ceulz des citez avoient bien industrié de ruer sus ceulz qui les assailloient bourrees ardans, oeilles, eaues et cendres boullans. Et a ce faire avoit Jupiter sy bien introduit l’archadien peuple, hommes et femmes, que quant [vint] au plus fort de l’assault et que ceulz de Crete cuiderent entrer en la cite, ilz furent sy chargiez de feux, d’oeilles et d’eaues que force les fist reculer arriere des murs et cesser l’assault, a grant perte. Et fu la retraite sonnee,
En weer terug naar Bellaert:
Die van Creten ghenaect[en] vast ter mueren, ende die vander stat luden “Ter wapen!” ende stelden hem ter weer mit groter moedicheit haer mueren te bescermen. De Saturnienen scoten menighe scichte ende dye vander stat worpen menighe stenen ende doden veel Saturnienen.
In het Frans van Aeschbach wordt er over en weer met pijlen geschoten en met stenen gegooid en vallen er aan weerszijden (dedens et dehors) veel slachtoffers. In de Nederlandse vertaling wordt dit gespecificeerd: de Cretenzers schieten met pijlen en de Archaden gooien met stenen, en de laatstgenoemden maken daarmee veel slachtoffers.
Bossen, bombaerden noch grote artilgerie [en] waren doe noch niet gevonden, nochtant die van Creten hadden die subtijlheit dat si worpen ende geraecten oec de gene die op de mueren stonden.
Om deze laatste zin gaat het:
nochtant die van Creten hadden die subtijlheit dat si worpen ende geraecten oec de gene die op de mueren stonden.
Dit staat niet in de Franse voorbeeldtekst, noch in de druk noch in de editie op basis van de Brusselse handschriften ... Terwijl hij onmisbaar is voor de mededeling:
Canons, bombardes ne grosse artillerie n’estoit point en cours en ce tamps. Toutesvoies ceulz des citez avoient bien industrié de ruer sur ceulx [Aeschbach]
Canons bombardes ne grosses artilleries nestoient point encoire en regne / Toutesuoyes ceulx de crete auoyent lindustrie de ruer sur ceulx [Mansion?]
Wat Raoul bedoelt te zeggen was dat ondanks dat de Saturnienen nog niet de beschikking hadden over kanonnen en andere geschut, zij desondanks in staat waren om de mannen van Archaden die boven op de muren stonden, met pijlen en stenen [?] te raken. Maar die van Archaden waren ook niet voor de poes en konden dankzij Jupiters instructie hun aanvallers verwelkomen met brandende takkenbossen, kokende olie en water en een ander smerig goedje dat letterlijk vertaald ‘as’ zou moeten moeten zijn, maar ‘cendres’ kan veel meer betekenen.

Op basis van deze strijd rond de stad Archaden kunnen de volgende conclusies getrokken worden:
1) De jongere Franse druk geeft het strijdgewoel iets beter, zij het onvolmaakt, weer dan de op oudere bewaardgebleven handschriften gebaseerde editie-Aeschbach.
2) De Middelnederlandse vertaling sluit zich nauwer aan bij het gedrukte boek
3) Maar voegt een mededeling toe die noch in de druk noch in de handschriften staat, en die mijns inziens onmisbaar is voor beter begrip van de context.
4) Aangezien de vertaler ‘slaafs’ te werk gaat en in de voorgaande hoofdstukken niet zichtbaar eigen tekst aan zijn vertaling heeft toegevoegd, kan het haast niet anders of de vertaler heeft een andere bron gebruikt dan de druk van Colard Mansion [?].
Vrijwel zeker is de oorzaak van alle verwarring een saut du même au même, de sprong van hetzelfde naar hetzelfde, en mogelijk ook verlezing c.q. psychische contaminatie van ‘crete’ en ‘cite’, die zowel in de Franse teksten als in de Nederlandse druk ervoor gezorgd heeft dat de ‘fog of war’ zich uitgebreid heeft naar de schrijftafels en zethaken.
     Ben heel benieuwd of ik de komende maanden nog een paar van dit soort gevallen tegenkom, want één zwaluw maakt nog geen zomer. En mocht dat het geval zijn dan houd ik het voor zeer goed mogelijk dat ik u daarvan bericht.

P.S. Te laat om er nog serieus aandacht aan te kunnen besteden realiseerde ik mij dat afgelopen Goede Vrijdag samenviel met Maria Boodschap. Zo’n overlapping zou gedurende de Middeleeuwen niet ongemerkt voorbijgegaan zijn. Het is immers de enige échte Goede Vrijdag: Jezus stierf op de dag van Zijn conceptie.

P.S. 2 “Bossen” is Hollands voor ‘Bussen’. “Mutsaerden” zijn takkenbossen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.