Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

vrijdag 25 maart 2016

Vondels vierde tragedie: De Amsterdamsche Hecuba (1626)

Door Ton Harmsen

Tegen het bijgeloof en tegen de arrogantie. Dat motto had Seneca boven zijn Troades (Trojaanse vrouwen) kunnen zetten, en daarom is deze tragedie in de zeventiende eeuw zo bewonderd. Het is alleen jammer dat bijgeloof zo’n vage term is: de klassieke oudheid had wel een heel andere opvatting van goden dan het christendom. De almachtige christelijke god is, zelfs in zijn drievuldigheid, niet te vergelijken met de vogels van diverse pluimage die in de Griekse godenvergadering bij elkaar zitten. En een ander geloof impliceert ook een ander bijgeloof.

Geen van Seneca’s tien tragedies is zo vaak vertaald. En nog altijd is het, door zijn beschrijving van godsdienstig fanatisme en politiek machtsmisbruik, een oproep tot rationalisme en verdraagzaamheid die geen greintje aan actualiteit heeft ingeboet.

Onder de titel De Amsterdamsche Hecuba (1626) bewerkte Vondel de Troades in poëzie uit de prozavertaling die hij met Hooft en Reael had gemaakt. Zij maakten daarvoor gebruik van de tekstuitgave van Petrus Scriverius (1620). De Trojaanse vrouwen vertegenwoordigen alle vrouwen die in oorlogen slachtoffer zijn – nu net zo actueel als in Vondels tijd. Seneca’s toneelstuk oogst grote bewondering. In de opdracht aan Anthonis de Huybert schrijft Vondel:

Het wyse en geleerde breyn van eenen, wiens standvastigheyd de eeuwen doorleven sal, heeft de Latijnsche Troas vereert met den tytel van Regina tragoediarum.

Op gezag van Worp wordt deze kwalificatie steeds aan Grotius toegeschreven, maar de perifrase met ‘eeuwige standvastigheid’ doet meer denken aan Lipsius, editeur van Seneca en auteur van De constantia.

De veelkleurige godenwereld was niet eens het grootste probleem waar Vondel op stuitte bij het vertalen van de Troades. Een beruchte passage was de rei na het tweede bedrijf, waarin het bestaan van een leven na de dood wordt ontkend:

Sou ’t waerheyd sijn, of gaet het kreupel,
En paeytmen het bedeest gepeupel
Met sproockjes, en met ydelheyd:
Op dat het niet in deughd verslimme:
Als ’t waent dat des verstorvens schimme
Noch leeft, als ’t lijf begraven leyd? (vs. 535-540)

Negeren (zoals Robert Garnier in 1579 had gedaan in zijn vertaling) was struisvogelpolitiek; een betere aanpak was de zaak bespreken en bagatelliseren. Bij uitzondering plaatst Vondel een aantekening in zijn toneelstuk:

In desen Rey word voorgestelt het schadelijck gevoelen der Epicureen, en Stoicijnen, daer sich geen Christen aen sal argeren, te min alsoo het hier met sommige gelijckenissen eer opgepronckt, en verlicht word, als bewesen.

Vondel blijft in zijn vertaling dicht bij de tekst. Dankzij de grote tweetalige Seneca-uitgave van Piet Schrijvers (2013) is dit voor ons gemakkelijk te constateren. Daarbij moeten we natuurlijk wel steeds bedenken dat Vondel de Seneca-editie van Petrus Scriverius (1620) gebruikte (naast de oudere van Lipsius en Raphelengius), die op veel plaatsen afwijkt van de moderne lezing. Het boek van Piet Schrijvers is een uitstekende introductie op Vondels spel: zijn letterlijke (en toch poëtische) vertaling is een goed hulpmiddel bij het lezen van Seneca’s lastige tragedie, doorspekt met mythologische verwijzingen waar Schrijvers korte noten bij geeft. En het is bijzonder handig dat het Latijn ernaast staat. Schrijvers bespreekt ook Seneca’s nawerking in de Europese letterkunde: voor de Troades behalve Vondel ook Racine, Boileau, Franz Werfel, John Drinkwater, enzovoort.

De kern van het stuk ligt in de beledigingen, vernederingen en folteringen die de Trojaanse vrouwen ondergaan na de verwoesting van Troje. Van de stad is alleen een rokende puinhoop over; de Grieken slepen de buit naar hun schepen, te veel om in duizend schepen te vervoeren. De vrouwen worden als slavinnen meegenomen, verdeeld bij loting – de ultieme vernedering. Maar dat is nog niet het ergste. Net zoals op de heenreis de Griekse vloot door windstilte werd opgehouden, gebeurt dat nu weer. Tien jaar geleden is bij Aulis Agamemnons dochter Ifigeneia nét niet geofferd, omdat op het laatste moment Artemis ingreep. Ook bij de terugreis houdt windstilte de Grieken op, en weer is er vraag naar een offer. De schim van Achilles (die door de verwijfde Paris in zijn hiel was getroffen) eist dat Polyxena, de Trojaanse prinses op wie hij verliefd was geworden, op zijn graf feestelijk verbrand en uitgestrooid wordt.
Achilles’ zoon Pyrrhus – dezelfde die ook al de oude koning Priamus tijdens de brand van Troje wreed de keel heeft afgesneden – eist dat Polyxena als bruid getooid op zijn vaders graf wordt geofferd. Hij voert hierover een verhitte discussie met Agamemnon, die het ongehoord vindt een levende aan een dode te offeren; maar omdat Pyrrhus voet bij stuk houdt en steeds dreigender taal uitslaat, verschuilt Agamemnon zich achter de waarzegger Calchas:

De maght ontbreecktme niet om uwen mond te snoeren,
En driestigheyd met straf: Doch ’k ben gewent te voeren
Een swaerd, dat spaeren kan een’ die het overmagh.
Dat Calches tolck der Goon koom liever voor den dagh.
Eyscht ’t noodlot dese moord, ick sal het stuck gedoogen.
Ghy die de Griecxsche vloot wt Aulis hebt getoogen,
En onsen toght gespoeyt: Ghy die den Hemel doet
Ontsluyten door uw’ konst: Wien ’t ingewant, en ’t bloed
Der dieren is bekent: Ghy wien ’t gekraeck des Hemels,
En langgesteerte star, met nasleep vol gewemels,
Des noodlots raed ontdeckt: wiens mond, en woorden my
Soo dier staen, Thestors soon! Goods wil ontdeck ons vry,
En stier ons met uw’ raed. (vs. 509-521a)

De gevolgen zijn desastreus: niet alleen schaart Calchas zich achter de eis van de schim, hij bedenkt er een even gruwelijke misdaad bij:

Het noodlot bied den Greecken
Weer aen, om d’oude vracht, de wegen op te breecken
Die nu gesloten sijn. Dat dese maeghd geslaght
Sy voor Achilles graf, word van de Goon verwacht:
En Pyrrhus moet de bruyt (in sulleke gewaeden
Als in Thessalien tot haeren bruygom traden
De maeghden nieu gehuwt: Als een’ Myceensche vrou,
Of eene Ioonsche bruyt gaet tot haere eerste trou)
Sijn’ vader brengen toe. So huwtse na betaemen:
Maer dit is ’t niet alleen dat onse schepen t’saemen
Doet marren op de ree: het noodlot vordert nu,
En eyscht een eedler bloed Polyxena! dan’t uw.
Laet Hectors soon geplet ten toorentrans wt vallen,
Soo magh de vloot op zee met duysend seylen brallen. (vs. 521b-534)

Het noodlot eist: zo leidt Calchas zijn wrede eis in. Niet alleen Polyxena moet dus geofferd worden, ook Hectors zoon Astyanax. Andromache zoekt een schuilplaats voor haar zoontje. Op advies van een Raedsman (mooie term van Vondel voor wat bij Seneca de senex heet, meestal vertaald met oude man) verstopt zij het kind in de tombe van Hector: de Grieken hadden beloofd die nooit te schenden.

Maar zij heeft buiten Odysseus gerekend. Op gezag van Calchas komt deze op hoge toon het kind opeisen. Het is allemaal regelrecht uit Seneca vertaald, maar je voelt hier Vondels afkeer van politieke macht die zich achter godsdienstige argumenten verschuilt. De schim van een dode en het oncontroleerbare noodlot zwaaien de scepter.
Odysseus:

Het noodlot eyscht dit kind. De Grieck schoon over zee,
Nau stellende geloof op een’ onsekren vre,
Blyft staegh met sorg belaen: de vreese voor sijn’ rijcken
Hem, met bekommering, steeds sal te rug doen kijcken,
Nocht dulden datmen hang de schilden aen den wand,
Soo lang de Phrygiaen, de wraeck van ’t vaderland
Wt uwen soon verwacht, en hoopt op sijne sege. (vs. 759-765)

Andromache zegt dat zij niet weet waar haar kind is, dat hij misschien dood is – zij probeert hem om de tuin te leiden. Maar nu blijkt wat een gemene slimmerik Odysseus is. Bijna gelooft hij haar, maar als hij haar angst ziet weet hij dat ze hem om de tuin probeert te leiden:

AND. De moed beswijcktme helaes! ’t lijf trilt, de leden sygen,
En ’t bloed door koude stolckt.   ULY. Hier hier most ickse krygen,
Sy helde na dien wech: De vrees heeft haer verraen:
Ick sal een’ nieuwen schrick haer weder jaegen aen.
Dewyle dan het kind, tot soen des muurs verkoren,
En nu voor wt getreen, een’ sachtre dood deê smooren,
Waer door het niet en kan den priester als ’t behoort
Ten offer volgen na; soo seyd ons Calches voort,
Dat Hectors assche moet tot soen der golven strecken,
En sijn in zee verspreyd, op datwe mogen trecken,
Ontslaegen van dien vloeck met onse schepen t’huys.
En moet sijn heerlijck graf gemorselt sijn tot gruys.
Vermids dan Hectors soon de dood die hy was schuldigh,
Door ’t sterven is ontslipt, soo moetghe sien geduldigh
Dat wy onse handen aen dese haylge rustplaets slaen. (vs. 881-895)

Hij dreigt het graf van Hector te slopen! Dat was helemaal het plan niet. Hij bluft, maar voor Andromache betekent dat de dood van haar zoontje dat in het graf verborgen zit. Nu moet zij wel toegeven, en zo is haar laatste hoop vervlogen. Niet het noodlot, maar de meedogenloze sluwheid van Odysseus leidt tot de dood van Astyanax.

Voor Seneca is de held van Ithaca een schurk.

http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Ceneton/VondelHecuba1626a.html

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.