Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

vrijdag 4 maart 2016

Myn treckebecksken drinckt sich droncken in onsterfelycken inckt

Door Ton Harmsen

Zeventiende-eeuwse dichters laten zich graag inspireren door publieke gebeurtenissen. Geboorte, huwelijk, overlijden, oorlog, nieuw boek, nieuwe vorst, nieuw gebouw, nieuwe weg: allemaal stof voor poëzie. Vaak is dat een invuloefening. Dat gelegenheidspoëzie en inspiratie ook heel goed kunnen samengaan toont Vondels Inwying der doorluchtige schoole, zijn gedicht op de opening van het Athenaeum Illustre. In 1632 opent deze universiteit-die-zich-geen-universiteit-mocht-noemen haar poorten in de Agnietenkapel, aan de Fluweelen Burgwal  zoals de Oude Zijds Voorburgwal indertijd genoemd werd. Vossius sprak op 8 januari zijn inaugurele rede over het nut van de geschiedenis uit, en Barlaeus begon zijn colleges de dag erna met een beschouwing over de wijze koopman. Deze toespraken demonstreerden het beoogde praktische nut van de instelling voor de kooplieden: de Latijnstalige academie die op initiatief van het stadsbestuur was opgericht (omdat de Academie van Samuel Coster om allerlei redenen niet voldeed) was niet alleen een prestigekwestie, maar ook van direct nut voor de Amsterdamse economie. Kooplieden hadden personeel met kennis van medicijnen, rechten, talen, politieke organisaties, dier- en plantkunde en delfstoffen immers hard nodig, en konden ook hun voordeel doen met filosofisch inzicht om tegenslagen te vermijden of te verwerken. Vondel verwelkomde dit nieuwe onderwijs met een buitensporig gedicht waarin hij uiting geeft aan zijn grote verwachtingen. Het onderwijsprogramma dat de welvaart zal dienen speelt voor hem een grote rol, zijn persoonlijke verwachtingen haast nog meer.

Het is opgedragen aan Herman van der Pol, een bejaarde bestuurder die zich had ingespannen voor het oprichten van deze onderwijsinstelling.

Oprechte POL, de hemel heeft gespaert
Uw rimpligh voorhoofd, en besneeuden baerd,
En stacitabberd, die stads Recht bewaert,
            Om noch te tuygen,
Met u, in’t ander leven, vry van leet;
Hoe ghy de bloem der jeughd, te min besteed,
De suyvre borst van heylige Angeneet,
            Met lust, saeght suygen. (vs. 1-8)

Van der Pol staat kennelijk met één been in het graf; hij leeft nog net lang genoeg om in het hiernamaals verslag te doen van de heilige Agnes in haar functie van alma mater. Vondel geeft vervolgens een overzicht van de vakken die op het Athenaeum zullen worden onderwezen, in lyrische termen zoals we ze niet gewend zijn. Bij al zijn waardering die hij de jaren daarvoor had voor Costers Academie koestert hij duidelijk hoge verwachtingen van haar opvolger. Zelfs als er alleen in het Latijn gedoceerd wordt, verwacht Vondel een grote uitstraling op het culturele leven van de stad. Het is een volksfeest, maar ook een feest voor de dichter zelf: zijn pen, een zwaneveer, drinkt onsterfelijke inkt, tot hij dronken is van vreugde:

Myn’ swaeneschacht, myn treckebecksken drinckt
Sich droncken, in onsterfelycken inckt:
Ons’ wapenkroon veel heerelycker blinckt,
           Op d’eer der feesten.
De Wysheyd setmen op den hooghsten trap,
Beschoncken met den glans der burgerschap,
En toegejuycht, met vrolyck handgeklap,
            Van braeve geesten. (vs. 17-24)

Het programma dat Gerardus Joannes Vossius in zijn openingscollege De historiae utilitate ontvouwt, kondigt aan dat hij de geschiedwetenschap zo zal doceren dat de stad ervan zal profiteren. Geheel in die geest schrijft Vondel over de combinatie van kracht en strategie die de geschiedenis toont. Historisch onderzoek maakt de onberekenbare buien van vrouwe Fortuna zichtbaar. De motoren van de geschiedenis, leeuwenmoed en listigheid, leiden met een metonymia tot een toespeling op Vossius’ naam (pech voor Vondel dat Gerards ouders hem niet Leo hebben genoemd):

’t Geschichtboeck wacht syn’ beurt, in dees’ kappel;
Dat brengt Fortuyns lichtvaerdigheyd in ’t spel;
En toont ’er leeuwenhuyd en Vossenvel,
           Geweld en treecken;
Oock hoemen heelt het ingekanckert quaed;
Wat vloecken syn, wat zuylen voor den staet;
Hoe ’t een verryst, en ’t ander ondergaet,
            Door landgebreken. (vs. 57-64)

Maar het meest verheugt Vondel zich op de komst van Caspar van Baerle, zijn geleerde collega-dichter, zijn Latijnstalige evenknie. Ook Barlaeus schrijft een gedicht op de opening van het Athenaeum. Zijn Athenaeum is heel anders dan dat van Vondel: het omvat 337 dactylische hexameters, terwijl Vondels gedicht op één zijde van een plano is gedrukt. Barlaeus geeft Pallas Athene het woord; zij bespreekt uitvoerig de komst van de wijsheid naar Nederland en de kennis die zal worden opgebouwd over de producten van vreemde landen die de kooplieden van pas komen; alles ingepakt in een mythologisch verhaal in epische stijl. Voor Vondel is Barlaeus het lichtende voorbeeld van de geleerde dichter. Hiervoor trekt hij alle registers van de poëtica open: goddelijke inspiratie, dichterlijke razernij, zwanen als symbool voor het dichterschap, de Amstelbron als de Hippocrene die de dichters van inspiratie voorziet. Barlaeus bewoont de Hollandse Helicon, de berg der Muzen, terwijl Vondel opgetogen door de stad loopt:

De Poësy, het Goddelyckst van al,
Spant keel en snaer op sluysenwaterval,
En trippelt op fluweelen burreghwal,
                Die krielt van swaenen.
Se dompelt Baerles kop in d’Amstelbron.
Se schept, door hem, in Holland Helikon.
Ick quinckeleer, beschaduwt, voor de son,
                In lindelaenen. (vs. 81-88)

Ik kwinkeleer in lindelanen: waar haalt Vondel dit vandaan? Hij ondertekent met Justè, ‘op rechtvaardige wijze’. Deze Latijnse signering onderschrijft zijn sympathie en betrokkenheid bij het illuster onderwijs. Bovendien wijst het op Vondels schatplichtigheid aan de Latijnse literatuur.

Want daar vinden we de bron van de jubelende toon van dit gedicht. De dichter die Vondel het meest bewonderde was wel de lyricus Horatius. Van geen andere dichter heeft hij zoveel genoten en zoveel geprofiteerd als van de Venuzijn, zoals hij hem noemt (Quintus Horatius Flaccus is geboren in Venusia, tegenwoordig Venosa). Om diens vaak moeilijke gedichten te begrijpen heeft Vondel veel moeite gedaan; hulp van geleerde vrienden en edities met uitvoerige commentaar heeft hij daarvoor nodig gehad. Op zijn nachtkastje lag Horatius’ Epistula ad Pisones, de rijmbrief over poetica. Zijn eigen Aenleidinge ter Nederduitse dichtkunst van 1650, tegelijkertijd een voorrede bij zijn verzamelde poëzie en een handleiding voor aanstormend talent, is een pastiche van de Pisonenbrief, maar er zitten ook verwijzingen naar de odes bij: ‘om naer den palmtack in dit renperck te rennen’ is ontleend aan de eerste ode: ‘pulverem Olympicum collegisse’. Vijfentwintig jaar eerder komen we diezelfde frase al tegen in het treurspel Hierusalem verwoest: ‘Sta by olymp'sche worstelaers’ (vs. 495). In de Inwying past hij deze aansprekende sportmetafoor maar liefst drie keer toe: ‘Nu sweetmen in ’t Sokratisch worstelperck’ (vs. 26), ‘Hier stuyft de vorstenrenplaets, daermen slooft’ (vs. 34), De pallemtack en lover nimmer droef / Word toegeleyt, naer Recht, den vluggen hoef, / Die glimt, als goud, na d’wtgestaene proef (vs. 37-39). Vondel kan er niet genoeg van krijgen. En daar moeten we de oorsprong vinden van het enthousiaste karakter van het gedicht: Vondel trekt zich op zich aan het zelfvertrouwen, de energie en de onverwoestbare levensvreugde van de Romeinse dichter. Zelfs in zijn talrijke gedichten over vergankelijkheid, verrotting en dood draagt Horatius zijn optimisme van ‘carpe diem’ uit: pluk de dag, niet uit oppervlakkigheid maar in de wetenschap dat je maar één kans krijgt om te leven.

Dronkenschap en schaduwrijke bomen spelen een grote rol in de Inwying. De Amsterdamse grachten zijn omzoomd met bomen: van meet af aan is bij de Amsterdamse stadsuitbreidingen gelukkig niet vergeten dat bomen een verademing zijn in de steenkolos die een stad is. Het waren Hollandse iepen, maar Vondel maakt er dichterlijk linden van: Barlaeus schrijft (naar eigen zeggen) zijn filosofische gedichten in de schaduw van wilgen en linden, ‘sub salicis vel tiliae umbra.’ Dezelfde linden vinden we bij Horatius – evenals oude wijn. In de eerste ode van het eerste boek luidt het in Vondels prozavertaling: ‘Men vindt’er die geerne vernen wijn drinken, en daer eenen halven dag mede konnen doorbrengen; nu met uitgestrekte leden onder een groene linde, dan het hooft zachtjens op den kant van een ruischende beek leggende.’

Vondel sluit euforisch af met de constatering dat het heiligdom van de zusters Agnieten een grootse toekomst tegemoet gaat, na de zware tijden van de reformatie waarin veel kloosters vernield werden. Het gebouw heeft van de alteratie in 1578 tot 1631 dienst gedaan als pakhuis van de marine. De woeste zeelieden hebben plaatsgemaakt voor Apollo, de Muzen en Minerva.

O goude lettereeuw! o wyse lent!
O lucht vol geurs, na ’s onweers dreygement!
Ick raeskal, of Apol is hier ontrent,
                Met negen nonnen;
Die maecken tien met hem: of tel ick elf?
Gewislyck ja; daer sienwe Pallas self
Haer heylighdom betrouwen ’t hoogh gewelf,
                Noch ongeschonnen. (vs. 89-96)

Het dichterschap is voor Vondel belangrijker dan de wetenschap – zelfs bij de opening van het Athenaeum Illustre.



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.