Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

vrijdag 18 maart 2016

Het zien gaat voor ’t zeggen: Medea van Jan Vos

Door Ton Harmsen

Volgende week speelt Theater Kwast Medea (1667) van Jan Vos. En dat is maar goed ook, want voor dit spel is alleen lezen niet genoeg. Het is een spektakelstuk met kunst en vliegwerk. Het gaat Vos niet om het verhaal, of de gedachten, of de taal: alleen de uitbeelding in het theater is voor hem van belang. Met de eenvoudige middelen waar Theater Kwast gebruik van maakt zullen de spelers alle zeilen moeten bijzetten om een idee te geven van de verpletterende indruk die deze Medea in de zeventiende eeuw maakte.

De vorige productie van Kwast werd voorafgegaan door een bezoek aan het Koninklijk Paleis, oorspronkelijk stadhuis van Amsterdam, om de schilderingen (wat er nog van over is) te bezichtigen die Vondel inspireerden tot zijn Batavische Gebroeders. Ook deze keer heeft het Paleis op de Dam iets om bij stil te staan. Jan Vos was glazenmaker: als stadsglazenier leverde hij alle ruiten van het stadhuis. Al zijn ze allemaal vervangen, eens zaten hier de glazen van Vos.

Toen zijn Medea in première ging bestierde deze ondernemer al twintig jaar de schouwburg. Jan Vos was regisseur en regent, dus hij kende de kneepjes van het theatervak. Zonder een geleerde opvoeding te hebben gehad, was hij er grondig in thuisgeraakt. Alle auteurs moesten hun stukken aan hem voorleggen, en onderhandelen over de regie en de tekst. Alle literatuur van die tijd passeerde in de directiekamer, ook de spelen die door gebrek aan kwaliteit of door hun te weinig publieksgericht karakter geweigerd werden. Zo groeide Vos uit tot een dramaturg van groot gezag, en een die van zijn gezag genoot. Onder zijn leiding werd het toneel van de schouwburg in 1665 vergroot en kreeg het de dure machinerieën die kunst- en vliegwerken mogelijk maakten. Als eerste stuk op de nieuwe schouwburg werd D’ondanckbare Fulvius van Catharina Questiers gespeeld.

Vondel heeft behoorlijk last gehad van Jan Vos. Ze moesten samen door één deur, gelukkig was dat een brede: de poort van de Schouwburg op de Keizersgracht. Vondel was een zoeker naar de juiste poëtische vorm voor de onderwerpen die hem aan het hart gingen. Vaak genoeg heeft hij water in die wijn moeten doen door verjaardagsversjes te schrijven voor burgemeestersvrouwen; maar nooit is hij zo vernederd als door deze schouwburgdirecteur. Toen in 1654 zijn Lucifer op de planken zou worden gebracht kreeg hij dit arrogante briefje van Vos:
Myn Heer,De dans van Engelen, daar gy met my van gesprooken hebt, zal, mijns bedunkens, niet raadtzaam zijn, dewijl gy de Engelen, om de val van Lucifer, een wettige reeden, met een treurigh gelaat op het tooneel laat koomen: ik heb ’er een gemaakt, die zich wonderlijker, geloof ik, voor d’oogen der aanschouwers zal vertoonen: want in deeze wordt het vervolg van ’t spel, de goude en zilvere eeuw uitgebeeldt.
Dan volgt de beschrijving van de dans na het spel van Lucifer. Die zo begint:
Adam en Eva, van Liefde, Onnoozelheidt, Trouw en Eer gevolgt, verschijnen in ’t Paradijs; hier op komt het Bedrog uit d’afgrondt rijzen, maar omheint van Welspreekentheidt, Meineedigheidt, Smeeken, Vleien, en looze laagen. zy heeft haar pruik vol slangen van ’t hooft, en ’t vergift in haar mondt geleit. nu komt zy met een aangezicht vol aanminnigheidt, aan Eva, dan aan Adam een schoone appel bieden: dit wordt haar door een Engel, die zich hier tussen voegt, elke reis belet. endelijk, door de vrucht bekoort, krijgt Eva d’appel en eet van ’t verbooden ooft, en geeft het aan Adam, die ’t zelfde doet: d’Engel vertrekt met een deerelijke zucht. het Bedrog, dartel door zulk een vervloekte zeege, volgt met wufte sprongen.
Deze operette gaat zo nog wel even door! Wat kon Vondel doen? Zijn klankrijke tragedie met subtiel opgebouwde agnitio en peripetie mondt uit in een verkleedpartij en rondedans. Bedrog met wufte sprongen. Maar het publiek genoot.

Dertien jaar later verscheen de Medea van Jan Vos. Waar haalde hij zijn stof vandaan? Het overbekende thema was voorhanden in verschillende genres: epen, tragedies, heldinnenbrieven, mythologieboeken, schilderijen. Rembrandt maakte een ets van het huwelijk van Jason en Creusa, waarop Medea in de schaduw klaarstaat met haar funeste geschenk. Die ets staat in een herdruk van de Medea van Jan Six, die in 1648 een nieuwe visie introduceerde op de door Jason verlaten vrouw: Sophocles en Seneca hadden haar voorgesteld als boze feeks, voor Six is zij – op gezag van Griekse historici, en zelfs van Seneca in zijn tweede bedrijf – een kwetsbare vrouw. Jan Vos reageert hier niet op, zijn Medea is een nergens voor terugdeinzende wraakzuchtige tovenares, oneindig kwaadaardiger dan zij traditioneel werd gezien. De Medea van Seneca was vertaald door Jacobus Kemp (1665); Lodewijk Meyer, Vos’ rivaal in de Schouwburgdirectie, beschreef de Argonautentocht in zijn Ghulde vlies (1667). Genoeg materiaal om iets groots te maken.

Dat doet Vos ook. Zijn tragedie speelt op de huwelijksdag van Jason en zijn nieuwe bruid Kreüza. Medea verzet zich met hand en tand tegen dit derde huwelijk van haar man, en smijt in haar razernij en wraaklust zelfs hun kinderen dood. Maar pure fantasie van Jan Vos is dat ook Jasons eerste vrouw, Hypsipyle, zich juist op die dag meldt om wraak te nemen. Op weg naar Kolchis, waar hij het gulden vlies moest veroveren, verbleven de Argonauten lange tijd op Lemnos, waar gebrek was aan mannen: alle vrouwen hadden hun overspelige man vermoord. Jason krijgt een tweeling met Hypsipyle, maar verlaat haar voor Medea. Nu staat zij met haar vrouwenleger plotseling voor de poorten van Korinthe.

Vanaf de muren bekijkt koning Kreon in het tweede bedrijf met zijn dochter Kreüza de oprukkende legers. Zij zien Jason ten strijde trekken tegen Hypsipyle, eerst met woorden en dan met zwaarden. De aanblik van haar aanstaande echtgenoot wekt bij Kreüza deze uiting van solidariteit:

    Ik wil met u ten strijdt om my met u te waagen:
    Zult gy een staale helm op uwe hairen draagen,
    En ik een roozekrans? dat ly ik nimmer; neen:
    Zoo u een vyandin, als dol, te moet komt treên,
    Om sabel, speer en pijl op uwe borst te vellen,
    Ik zal my, vol van moedt, veur uwe boezem stellen, (vs. 737-742)

Het motief is uit Ovidius’ heldinnenbrief van Laodamia aan Protesilaus:
Hoe? zou ick purpere kleederen dragen? hy den oorlogh onder de muren van Troje voeren? zal ick myn hair laten kemmen? hy eenen helm op ’t hooft zetten? zal ick nieuwe kleederen, myn man wapens dragen? (vert. Vondel)
Kreüza gaat een stap verder: zij wil niet alleen haar kapsel verwaarlozen, zij wil ook haar man in de strijd terzijde staan. Vos kent dit motief uit Hoofts Klaghte der Prinsesse van Oranjen, over ’t oorloogh voor ’s Hartoghenbosch van 1629, waarin Amalia van Solms zich zorgen maakt om haar ambitieuze Frederick Hendrick:

Maer is, om lief, om lijf, om leven
Om kindt, om zoon van vaders naem,
Zoo veel, op veer nae, niet te geven,
Als om een glooryrijke faem,
Zoo gunt my dat ik met u rijde,
Door koudt, door heet
En voert my by ’t rappier, op zijde,
Waer dat ghy treedt. (vs. 65-72)

Vos kon nog veel meer ontlenen aan de Heroides, waarin zowel Hypsipyle als Medea zich bij Jason beklagen. Hypsipile’s brief levert veel gegevens omtrent de tocht naar Kolchis. Zij herinnert zich de huichelachtige woorden waarmee Jason bij het afscheid zijn vaderschap erkende:

Ons beyder Vrucht, nochtans in uwen buyk ontfangen,
    Die leef; Ik ben der Vaâr, en gij ’er Moeder van.
                                        (vs. 61-62, vert. Jonas Cabeljau)

Ook de brief van Medea aan Jason levert stof aan Jan Vos; bijvoorbeeld de schok voor Medea die het huwelijk met Kreüza niet voorzien had en pas toen het bruiloftsfeest in volle gang was door een van haar zoontjes op de hoogte werd gebracht:

En ’t zij hoe ’t was, ’t was best voor mij, het niet te weten.
    Maar ’t hert (als of ik ’t wist) was treurig en gantsch zwaar,
Wanneer uyt mijn gebod mijn jongste zoon van beiden
    En uyt nieuwsgierigheid, voor ’t hoog gewelf bleef staan;
Ga Moeder sprak hij, ga; ’k zie Vader Jazon leiden
    Een trein, en zelfs in’t goud op een Karros voor aan.
Strakx sloeg ik op mijn borst en scheur van rouw mijn kleeden,
    Mijn aangezicht wierd van mijn nagels schier doorkloofd;
                                        (vs. 147-154, vert. Jonas Cabeljau)

Jan Vos gebruikt deze elementen alleen maar om het publiek uitbundig te epateren met de technische outillage van zijn Schouwburg. Hij laat Medea hoog door de lucht vliegen met haar drakenwagen – de toeschouwers griezelen als zij haar kinderen eruit werpt. Hij vermaakt hen met haar toverkunsten in de hel. Hij fantaseert er op los. De veldslag tussen het Korintische leger van Jason en het vrouwenleger van Hypsipyle heeft een absurd einde: Hypsipyle sneuvelt, een kapitein brengt haar afgesneden hoofd aan Jason, deze komt jammerend tot inkeer:

    Och! och! Hypsipyle, heb ik uw eigen hooft?
    Zijn dit de lippen daar ik nekter uit quam haalen?
    Ik zie uw oogen: maar ik vindt geen heldre straalen.
    De rooz’ en lely zijn op uwe kaak verdort.
    Uw hair, daar gy mijn hart aan ’t uw meê hadt gegordt,
    Hangt vol geronne bloedt, deurmengt met vuile zanden.
    Gy hebt geen schuldt, ik zelf heb haar, door uwe handen,
    De gorgel afgesneên. O lydeloos bedrijf!
    Kom stoot uw zwaardt, dat roodt van ’t bloedt is, deur mijn lijf:
    Ik heb met haar geleeft, en wil ook met haar sterven. (vs. 808-817)

De kapitein brengt zijn aanvoerder net op tijd weer in het gareel, want nu komt Kreüsa op. Jason bestaat het om haar het afgeslagen hoofd met deze woorden te presenteren:

    Hier ziet gy ’t bloedig hooft van ’t hooft der vyandinnen:
    Dat haatelijke hooft; dat hooft gelijk een grijns:
    Het hair is als een tros van slangen vol fenijns;
    Dit hooft is afgedrukt op ’t bakkes van Meduze.
    Ontfang het heillooz’ hooft, alwaardige Kreüze,
    Tot zeegenteeken van mijn overwinnent zwaardt. (vs. 907-911)

Behalve opportunisme is hier geen psychologische verklaring voor te geven. En het bakkes van Medusa spoort niet met het taalregister van de tragedie. Blijkbaar was dat voor Jan Vos geen probleem, en heeft zijn publiek zich er niet overmatig aan gestoord.

Het meest hilarisch is het derde bedrijf, dat in de hel speelt. Eerst geeft Medea (vrijwillig naar de hel gereisd) een demonstratie van haar tovertrucs, waarmee zij zelfs Charon weet te overbluffen. Vervolgens komt Hypsipyle (in de veldslag verpletterd) bij Minos en Rhadamantus, de rechters van de onderwereld. Zij heeft haar eerste man vermoord en wordt daarom veroordeeld. Maar zij spreekt zich vrij met een komisch argument:

    Ik heb altydt getracht om ’t Noodtlot te vernoegen;
    Dies heb ik my aan man, noch vrouw, noch zoon vertast:
    Het moorden was my zelf van ’t Noodtlot streng belast:
    Geen mensch hadt macht om dit besluit te rug te zetten.
    Het Noodtlot bindt den mensch aan diamante wetten.
    Ik heb niet anders dan gehoorzaamheidt bestaan.
    Een die zijn meesters last volbrengt heeft wel gedaan.
    Wie zich in dienst begeeft verbindt zich aan gebooden:
    Of heeft hy schuldt, zoo heeft de beul ook schuldt aan ’t dooden.
    Ik was het werktuig van het Noodtlot op die tijdt:
    Zoo ’t werktuig zondigt, daar de reeden teegen strijdt,
    Zoo heeft mijn handt niet, maar het zwaardt, dat ik moest stieren,
    De moordery gepleegt. Gy hoort my hoog te vieren,
    Om dat ik ’t stark bevel van ’t Noodtlot heb volbracht.
(vs. 1222-1235)

Met ditzelfde argument redt Sostratus zich eruit bij Lucianus. Ook al ziet men wel eens meer dat één denkbeeld in twee hoofden geboren wordt, het is wel duidelijk dat Jan Vos deze samenspraak van Lucianus op de een of andere manier kent.

Let nog even op de stijl van Hypsipyle’s pleidooi. Die is kenmerkend voor het hele oeuvre van Jan Vos: bijna allemaal verzen van één regel. Als er in het laatste vers geen voegwoord stond zou dit de stijl van een tienjarig kind zijn. Voortdurend zinnen met ‘Een die’ of met ‘Wie’. Probeert Vos Seneca te imiteren?

Eén van de kenmerken van de Senecaanse tragedie is de sententia: een spreuk die niet alleen op de situatie van toepassing is, maar in alle gevallen kan gelden. Seneca gebruikt ze spaarzaam. Vos heeft er honderden, te pas en te onpas. Komt hij een rijmwoord te kort dan redt hij zich met een extra sententia. Een kleine bloemlezing uit de eerste honderd verzen van het spel:

Wie lang wil wreeken moet geen korte moordtsteek geeven.
Wie groot van macht is lijdt zich met geen kleene wraak.
Wie langzaam wordt gedoodt sterft meer dan duizent doôn.
Een felle weederwraak is quaalijk te bepaalen.
De wraakzucht van een vrouw is scherper dan een schicht.
De rampspoedt zwicht voor een die alles temmen kan.
Een eedel hart gedoogt geen byzit van haar man.
Wie hoon en spijt verwint ontmoet een heilzaam leeven.
Een hooggeboore ziel verdraagt geen teegenstreeven.
De huwlijks nekter vindt men meest deurmengt met gal.
Een koninglijk gemoedt verkropt geen ongeval.
Men wreekt zich allerbest door ’t zien van ’s vyandts lijk.

Je wordt er wel moe van. Seneca geeft af en toe een enkele sententie; dat maakt diepe indruk. Die van Vos nemen zo’n tien procent van zijn tekst in beslag, binnen de kortste keren komt de sleet erin. Bovendien komt Jan Vos door al deze éénregelige dooddoeners nauwelijks tot een welluidend vers of een stilistisch interessante constructie. Ook al is hij een vaardig verzenschrijver, en kan hij zijn gedachten helder op papier krijgen, zijn stijl is ronduit vlak. Voor Vos is de stijl is minder belangrijk dan het spektakel. Het zien gaat voor ’t zeggen.

Niet lezen maar opvoeren!