Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

vrijdag 4 maart 2016

Column 103: Voer voor filologen: “een slappe hand”?

Door Willem Kuiper

Ging men er tot in het begin van de negentiende eeuw gemakshalve vanuit dat zo’n beetje de hele Middelnederlandse literatuur vertaald was uit, dan wel sterk geïnspireerd door de Franse letterkunde, eenmaal in handen van academisch geschoolde taal- en letterkundigen en onder invloed van de Tachtigers werd er een rigoreuze scheiding aangebracht tussen wat slechts vertaald was en wat oorspronkelijk Middelnederlands was. Als gevolg van deze waan van de dag werd de Ferguut in het verdomhoekje geparkeerd, kon de Walewein plotsklaps rivaliseren met de beste Oudfranse Arturromans en werd Hadewijch uitgeroepen tot Europees kampioen mystieke lyriek.
     In de loop der jaren ben ik tot het besef gekomen dat die negentiende-eeuwers zo gek nog niet waren, en dat de Middelnederlandse letterkunde benaderd en begrepen moet worden als ‘vertaalde literatuur’. Hiermee wil ik niet beweren dat de Middelnederlandse literatuur tweederangs of ‘onecht’ is. Wie de moeite neemt de Middelnederlandse vertalingen van Oudfranse teksten woord voor woord met de bronteksten te vergelijken, en dat heb ik gedaan, ziet dat die vertalingen allesbehalve ‘slaafs’ zijn, maar een eigen ‘stadse’ identiteit en mentaliteit uitstralen. En die stadscultuur begint al in de dertiende eeuw haar invloed uit te oefenen. Floris ende Blancefloer werd niet door een (Franstalige?) klerk geschreven / vertaald voor de niet francofonen, werkzaam aan het ambulante hof van Vlaanderen, maar door een Brugse schoolmeester, die in deze liefdesroman een reclamecampagne zag voor het nut en de noodzaak van onderwijs in taal- en letterkunde.
     Als u de Lagelandse literaire Middeleeuwen wilt leren kennen dan moet u zich vooral niet blindstaren op wat zogenaamd ‘oorspronkelijk’ is, maar zien hoe vertalers met hun bronteksten omgingen: wat zij weglieten, wat zij veranderden, wat zij toevoegden, wat zij niet begrepen en wat zij verkeerd begrepen.

Momenteel editeer ik een roman die scharniert tussen de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd: Palmerijn van Olijve. Deze roman verscheen in 1511 in Salamanca Spanje in druk als Palmerín de Oliva. Of er daarvoor een handschriftelijke versie bestaan heeft, weet ik niet. In 1546 werd de roman in het Frans vertaald door Jean Maugin, dit l’Angevin. Wanneer die Franse vertaling in het Nederlands vertaald werd en door wie, ik zou het u graag vertellen, maar dat weet ik (nog) niet. De oudste bewaard gebleven druk werd in 1613 te Arnhem uitgegeven door boekverkoper Jan Janszen:


Dat “ende met schoone figueren verciert” is een verkooppraatje. Het boek bevat slechts 10 aftandse houtsneden, verspreid over de eerste 30 folia (60 bladzijden), waarna er nog 426 dichtbedrukte bladzijden in twee kolommen volgen zonder ook maar één houtsnede. De druk bevat heel weinig zet- en drukfouten. Dat ben ik anders gewend. Jan Janszen kennen wij (ook) als Johannes Janssonius (Arnhem 1588-Amsterdam 1664), zoon van Jan Janszoon de Oudere. “Van nieuws oversien” zou (kunnen) wijzen op een herdruk. En inderdaad, de veilingcatalogus (AD 1779) van de bibliotheek van het Antwerpse Jezuietencollege vermeldt onder nommer 3252 een “Historie van den Ridder Palmeryn van Olyve, Arnhem 1602” (bron: C. Kruyskamp in de inleiding op zijn editie van Bredero’s Stommen Ridder, Culemborg 1973, p. 8). Deze Palmerijn zal dan gedrukt zijn door diens vader Jan Janszoon de Oudere. Gelet op de taal van de vertaling denk ik dat wij met een Amsterdammer te doen hebben, en gelet op zijn mythologische toevoegingen aan de brontekst moet deze man een klassieke scholing genoten hebben. Wat hem in mijn ogen zo bijzonder maakt, is de volstrekt vrije manier waarop hij zijn bron navertelt. Hij is geen ‘vertaler’ zoals zijn collega’s. Meer een  herschrijver, die op basis van zijn brontekst het verhaal nu eens vertaalt, dan navertelt en soms herschrijft. Afwijkend ook is dat hij vooruit leest. Een normale vertaler leek met woord 1 van zin 1 te beginnen, maar onze vertaler werkt duidelijk met ‘voorkennis’.

Palmerijn van Olijve samenvatten is onmogelijk. Zelfs het enigszins begrijpelijk navertellen van één van de 139 hoofdstukken stelt (te) hoge eisen aan het geduld van de luisteraar, weet ik uit ervaring. Inmiddels ben ik, onwaardeerlijk geholpen door Ingrid Biesheuvel (Nederlands) en Tatiana-Ana Fluieraru (Frans), en met de moderne editie van de Spaanse brontekst mij ter beschikking gesteld door UBA UvA collega Tineke Groot, met het editeren gevorderd tot hoofdstuk 74, dat is bijna halverwege de Nederlandse vertaling en iets over de helft van de Franse brontekst. Raar, maar waar. Maar nóg gekker vind ik dat een middeleeuwer deze voor renaissancisten verre van onbelangrijke tekst moet editeren. Zal te maken hebben met dat Palmerijn maar een vertaling is, en ook nog eens geschreven werd door een landgenoot van de gehate hertog van Alva en koning Philips II.

Moeilijke woorden bevat Palmerijn van Olijve nauwelijks, maar soms wordt je als lezer naar de grenzen van het lexicografisch universum gestuurd. Ik geef één voorbeeld. Palmerijn heeft voor Trineus, zoon van de keizer van Duitsland, de Engelse koningsdochter Agriole ontvoerd met de bedoeling dat het huwelijk tussen Trineus en Agriole een einde zal maken aan de oorlog en de vijandschap tussen Duitsland en Engeland. Tijdens de overtocht steekt er een storm op die het schip naar de Turkse kust blaast, waar Agriole door gewiekste kooplieden gevonden wordt en slim cadeau gedaan aan de Grote Turck. Die is zo verrukt van haar schoonheid dat hij niet alleen met haar wil huwen, maar ook met zijn gewoonte wil breken om elk jaar een nieuwe vrouw te nemen. [Inderdaad, ontleend aan Floire et Blanceflor.] Agriole is de wanhoop nabij, maar kan zich niet verzetten:
Ende sonder vanden gheheelen nacht eenige ruste te nemen volherdense in heure droevige lamenteringe wes tot smorghens, dat haer eenige vande hoochste princessen quamen cleeden met d’aldercostelickste cleederen van diemen oyt meer ghesien heeft nae de heerlicke incomste van Helene binnen Troyen. Ende terstont daer na wordense van vier coninghen gheleyt in de groote sale vant paleys, ende van daer wes in heur moskijte ofte Turscksche kercke, alwaerse den mosti te hoop gaf.
Het gaat mij om: “alwaerse den mosti te hoop gaf”. Kon ik niet vinden in het MNW noch in het WNT. Het Frans is heel duidelijk:
Puis fut menée par quatre Roys en la grand’ salle du Palays, et de là à leur Mesquite, ou le Mosti les espousa.
De moefti huwt hen, zoveel is duidelijk, maar dat verklaart de uitdrukking ‘te hoop geven’ niet. Het was even zoeken, eufemisme, maar uiteindelijk vond ik op het Internet een facmisile van een boekje van de hand van M. T. Laurman, getiteld Proeve van kleine taalkundige bijdragen, tot beter kennis van den tongval in de provincie Groningen. Groningen 1822. Op p. 26, s.v. ‘Hoop’ las ik dat ‘te hoop geven’ synoniem is voor ‘trouwen’.

Het raadsel van de slappe hand, de eigenlijke aanleiding voor wat u leest, is iemand voor mij al eerder opgevallen:


Palmerijn is incognito gearriveerd aan het hof van de soudaen van Babylonien, alwaar hij doet alsof hij stom is. De dochter van de soudaen, Archidiane geheten, is smoorverliefd op hem geworden, maar laat niets merken. Haar vertrouwelinge Ardemire, dochter van de koning van Armenien, is ook smoorverliefd op Palmerijn, en niet helemaal zonder reden. Qua uiterlijk lijkt zij op Polinarde, de dochter van de keizer van Duitsland, die de meesteresse is van het hart van Palmerijn. Soms kan Palmerijn het niet nalaten haar aan te kijken met een blik die haar dwingt om te geloven dat hij van haar houdt. Dan verschijnt er aan het hof een prins, Mavorix geheten, die een door de koningin van Tharsen betoverde kroon op zijn hoofd draagt, waarvoor zelfs de duivels bang zijn. Zij vindt dat hij haar ontrouw geweest is, en die brandende kroon is zijn straf. Alleen iemand die absoluut trouw aan zijn geliefde is, kan hem die brandende kroon van het hoofd nemen. Niemand aan het hof slaagt daarin. Natuurlijk niet. Hovelingen zijn berucht om hun promiscuïteit. Uiteindelijk biedt Palmerijn zich aan met geen andere bedoeling dan om de prins uit zijn lijden te helpen. Bij wijze van inspiratie kijkt hij Ardemire aan, denkt aan Polinarde en kan de prins van zijn kwelling verlossen.
     Omdat Palmerijn nooit avances naar Ardemire maakte, gelooft zij dat hij oprecht van haar houdt, en als zij de gelegenheid gunstig acht biedt zich aan zoals Galiene zich aan Ferguut aanbood. Natuurlijk weigert Palmerijn, geshockeerd door wat hij aangericht heeft. Helaas voor Ardemire heeft Archidiana hun gesprek begluurd en afgeluisterd. Gek van jalouzie scheldt zij haar uit voor slettebak en dreigt zij haar naam te grabbel te gooien. Palmerijn slaagt er met gebarentaal in de woede van Archidiana te stillen en van haar gedaan te krijgen dat zij haar mond zal houden. Ardemire ondertussen is zo aangeslagen dat zij zich terugtrekt in haar kamer, waar zij aan een hartaderbloeding overlijdt. De Nederlandse vertaler vindt dit niet erg genoeg en verzint er een mes en een prins bij die op Ardemire verliefd is, maar door haar geweigerd werd. Omdat Ardemire het mes niet meer nodig heeft om een eind aan haar lijden te maken, gebruikt de prins het mes om zichzelf van kant te maken. Zo wordt het tweetal dood gevonden in een plas bloed [Inderdaad, ontleend aan de Borchgravinne van Vergi]. De soudaen wordt erbij gehaald en die denkt dat de prins Ardemire heeft willen verkrachten, maar dat zij zich verdedigd heeft. Het dode lichaam van de prins wordt voor straf onthoofd.
     Nu Archidiana het rijk alleen heeft, doet ook zij een poging om Palmerijn als minnaar in te lijven.
Archidiane beweende oock wel yet wes den doodt van haer nichte Ardemire, maer stelde heur seer gheringhe te vreden om datse dochte van haer verlost zijnde, te beter te sullen mogen genieten de conversatie van Palmerijn. Wiens luchterhant sy, den eersten dach dat hy wederom in haer camer quam ende op een van zijn knyen voor haer sadt om de reverentie te doen, in heur rechterhant nam ende heuren luchteren arm hem om den hals leyde, segghende: “Mijnen ghetrouwen vrient, wat dunckt u van de grote verraderye die Ardemire wilde gebruycken tegens my, hare getrouwe nichte, die u also seer bemint datse de goden dagelijcx vuyrichlicken bidt om de ontbindinghe van uwe tonghe. Eylacy, mijn cleyn soet herteken, waerom en is u doch de stemme niet vergost op dat ic u verclarende mijn lieffelicke affectie, van u mochte ontfanghen een gracieus antwoort, in recompensie van soo veele weldaden, daer van icker een inde liefde d’aldergrootste achte, de welcke ick niet en twijffel oft uwe hooghe couragie sal die, alnu haer de gelegentheyt presenteert, aen my dorven onderstaen te versoecken.”
Palmerijn ziet de bui al hangen:
Tot wat eynde sulcke woorden strecten Palmerijn wel haest mercte, waerom hy in zijnen geest badt: “O Heer, wilt my doch helpen uyt dese sware temtatie!” Ende nemende twee van zijne vingeren wees hy met d’eene nae de princesse ende op den tweeden, die hy van de princesse hielde, wees hy met eenen anderen vinger dien hy eerst ghesteecken hadde nae zijn herte, daer van een ander meestersse te zijn hy met alsulcke teyckenen wilde bewijsen, ende hielt daer naer beyde zijne voeten te samen, waer met zijne meyninge was te seggen tot de selve zijne meestersse getrouwicheyt altijt so stantaftich te zijn als den eenen voet struyckelende den anderen veerdich is om die zijnen val te beschutten. Maer Archidiane mogelijc sulcke beduydinge niet wel verstaende, wilde hem een lieffelijck kusgen geven, dan Palmerijn toonde haer op staende voet een slappe hant, willende segghen dat hy in quade dispositie was.
De gebarentaal is evenals het voetenwerk geheel van eigen vinding van de Nederlandse vertaler. Maar blijkbaar schiet zijn mime act tekort, want Archidiane laat zich hierdoor niet op andere gedachten brengen, en wil hem “lieffelijck” kussen. Men moet wat meer gelezen hebben om te begrijpen dat binnen de middeleeuwse erotische normen en waarden het accepteren van een “lieffelijck kusgen” gelijk staat met overspel, want dit is het begin van het einde. Reden waarom Palmerijn aan de noodrem trekt door haar op staande voet “een slappe hand” te tonen, waarmee hij wil zeggen dat hij in “quade dispositie” is.

Het heeft even geduurd, ik weet het, ik word erom gehaat, maar hier zijn wij dan eindelijk gekomen bij de streep en het vraagteken in de marge van de anonyme verbijsterde lezer van Palmerijn van Olijve. “Op staande voet” heeft niets met lichaamstaal te maken, maar betekent hier niets anders dan: onmiddellijk. Laat deze passage aan tien filologen lezen en ik geef u op een heel klein briefje dat zij alle tien met de volgende verklaring zullen komen aanzetten: Palmerijn maakt duidelijk dat hij impotent is, al dan niet als gevolg van een (geslachts?)ziekte.

Hoe reageert Archidiane?
Waer aen de princesse wel bemerckte dat hy haer refuseerde, om ’t welc sy hem verliet ende seyde: “Ick mach wel sweeren by den hooghen propheet Mahumet dat desen stommen duyvel een lichaem aenghenomen heeft om my te tormenteren, nadien hy versmaet ’t ghene soo veel Arabische princen bycans desperatelijck vervolgen!”
Ende hier met gincse van grooten spijte op een coetse leggen, meer als hondertmael ’t hooft schuddende ende heur selven by ’t hayr treckende, waerom Palmerijn niet langer aldaer en dorste verblijven, vreesende deur zijne presentie haer tot meerder gramschap te verwecken. Maer ginck uyte camer, denckende hoet mogelijc was dat, aengesien de natuyrlicke beschaemtheyt van een jonge dochter, so groote onbeschaemde stouticheyt conde wesen in so teeren princesse, die hierentusschen haer bestonde te beclagen ende de aldergrootste vervloeckingen over hem dede diese bedencken conde, mede seggende: “Och almachtighe goden, hoe condy toelaten de groote ondanckbaerheyt van desen vileynen stommen, die ick van der doot verlost, inde gratie van mijn vader gestelt ende meer eeren aengedaen heb als mijnen eyghen broeder!? Maer, o ghy vileyne creatuere, ick beloove u noch berou te sullen doen hebben van uwe ondanckbaerheydt!”
Ende hier met namse vastelijck voor heur aen hem te wreecken. Dan d’eerste reyse datse hem wederom ontmoete, dochte hy heur te wesen so geneuchelic, schoon ende gracieus dat sy hem om stervens wille ’t geringste leet niet en soude hebben toe wenschen connen, maer beminde hem veel meer als van te voren, hoewel datse hem van die tijdt af veel straffer gesichte toonde alsse plachte, denckende dat hy deur vrese soude volbrengen daer toe de liefde, die nochtans veel meer vermach, hem niet en hadde connen bedwinghen. Maer al geveynsdense haer ’t beste datse mochte, so en condese heur lonckende oochskens nochtans niet onthouden van Palmerijn wel te doen mercken dat sulcke doorne struycken van soo straffen gesichte niet en conden wassen sonder voort te brenghen eenige welrieckende rooskens van ammoureuse straeltgens.
Ik zal het u eerlijk bekennen, ik was één van die 10 filologen die dacht dat Palmerijn impotentie voorwendde als gevolg van een ziekte. Maar, is dat de juiste interpretatie? Natuurlijk heb ik in het WNT gekeken, maar de uitdrukking ‘met slappe hand’ heeft niets te maken met de situatie alhier beschreven.

Dit hoofdstuk en het hierna volgende hoofdstuk zijn door de Nederlandse vertaler (zeer) vrij bewerkt, maar met enig zoeken vind je in de Franse Palmerin de corresponderende passage en daarmee de oplossing van het raadsel van de slappe hand:
Palmerin esbahy au possible de termes tant adulatoires, et deshontez, ne sçauoit quelz signes faire. Pource ayant recours au seul Consolateur leua les yeux au Ciel, disant à la contemplatiue des Iesuades d’Italie : Seigneur, vueillez moy deliurer de cest ennemy, et ne me permettez tomber au consentement de ceste tentation. Car ie pense que ce soit vn dyable incarné qui me veut deceuoir. Impossible est ó bon Dieu ! que de fille, naturellement honteuse, peust sortir paroles si efrontées et audacieuses. Et lors fut surpris d’vne si grande douleur et amertume, que la Princesse cuidoit qu’il deust trepasser, non tant pour auoir crainte qu’il auint à Archidiane comme à Ardemire, que pour ne vouloir ofenser si desordonnément son Dieu, ou commettre faute contre sa Dame. Neantmoins cognoissant que telle tristesse ne satisfaisoit à la ieune Princesse, faignit se pasmer, demeurant à l’instant si triste, blesme, et decoloré, qu’on eust iugé l’ame luy estre partie du corps.
In de Franse Palmerin weet Palmerin niet welk gebaar te maken om Archidiane op andere gedachten te brengen, en bidt hij God om hem te beschermen tegen deze vleesgeworden duivel die hem wil verleiden. Maar hoe groet de droeffenis ook is die hij uitstraalt, hij ziet dat Archidiane zich daardoor niet laat vermurwen. Daarom zit er voor Palmerin niets anders op dan te doen alsof hij flauwvalt ... Eerder lazen wij dat Archidiane hem met haar rechterhand bij zijn linkerhand pakte, de hand, weet elke middeleeuwer, met daarin een uitloper van de hartader, reden waarom de trouwring aan de linkerringvinger gedragen wordt. Die linkerhand verslapt in de hand van Archidiane, en wel zo overtuigend dat Palmerijn kan ontsnappen aan de begeerte van deze Saraceense prinses.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.