Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

vrijdag 12 februari 2016

De krakende notenboom en de Loosduinse kindertjes

Door Ton Harmsen

Willem Godtschalck van Focquenbroch hanteert een succesvolle stijl: burlesk en spottend. Hij trapt met verve de heilige huisjes van het decorum omver. Vaak werkte hij samen met zijn vriend Joannes Ulaeus, die een traditionele stijl hanteert, en juist als ze hun gedichten achter elkaar afdrukken accentueert dat de platte grappigheid van meester Fok. Een voorbeeld is de klacht van de vluchteling (in Focquenbrochs tijd, en nu weer actueel) in de eerste verzen van de eerste Ecloga van Vergilius (Amsterdam, Johannes van den Bergh, 1666), in de vertaling van Ulaeus:

Ach Tityr! ghy leght vast, gerust, en stil te dromen,
Hier in de schaduw’, van dees’ breede boeke bomen,
    En stelt een velt-deun, op uw schelle Herders-fluyt,
    Terwijl wy vluchten uyt ons Vaderlandt, en uyt
Ons haag’lick errefdeel met droef, en bitter suchten;
Wy zijn gedwongen uit ons Vaderlandt te vluchten,
    En gy, leght hier in’t loof, en leert met soet gegil,
    Het Bos de weergalm, van u schoonen Amaril. (p. 1)

Focquenbroch vertaalt dit ‘op een andere Toon’:

O Tyter! ghy leght hier gedoken,
In frisse schauw van boom, en kruyt,
En sit gerust een Pijp te smoken,
Of speelt een deuntjen op je Fluit;
Daar wy ons huys, en erf verlaten,
En vluchten Landt, en Dorp, en Stadt;
Wijl het Jan-hagel van Soldaten
Op nieuws ons veetert after ’t gat,
En ons uyt ’t sachte nest doet springen;
Gy onderwijl, gerust, en stil,
Leert Bos, en Bergh, den Echo singen,
Van d’overschoone Amaril. (p. 6)

Van de stijl van Vergilius laat Focquenbroch geen spaan heel; dat doet het ergste vermoeden als hij zich aan Ovidius vergrijpt. Gelukkig doet onze vrolijke auteur een welbewuste keuze: hij parodieert niet de Metamorphosen, laat staan de Heldinnenbrieven of de Tristia, maar een klein werk: de klaagzang van de notenboom, Nux elegia.

De titel van deze elegie is beroemd geworden omdat Erasmus hem noemt in de opdracht van de Lof der Zotheid aan Thomas More. Daar krijg je de indruk dat het alleen maar om een komische tekst gaat. Erasmus somt namelijk een reeks onzinboeken op die zijn Moriae Encomion moeten sanctioneren. In de vertaling van François van Hoogstraten:

Maer ik wilde wel, dat de genen, die hun aen de lichtvaerdigheid en boertigheid van stijl komen te stooten, eens dachten, dat het mijn vond niet en is, maer dat groote en vermaerde Schryvers, zulks al lang voor onze tijden gedaen hebben; want Homerus heeft voor zoo veele eeuwen gedicht van den strijd der Muizen en Kikvorschen, Virgilius van de Mugge, en den Moerbezyboom, en van den Noteboom Ovidius. Zoo heeft Polycrates, en Isocrates zijn verbeteraer, den dwingeland Busyris geprezen, Glauco de onrechtvaerdigheid, Favorinus het wanschepsel Thersites, en de derdendaegse Koortse, Synesius de Kaelkoppen, en Lucianus de vliege en Panleckerye. Zoo heeft ook Seneca boertig geschreven hoe Keyser Claudius onder de Goden wilde getelt worden, en Plutarchus Ulysses Gesprek met Gryllus, die in een zwijn verandert was; zoo schreven Lucianus en Apulejus van den Ezel, en ik en weet niet wie de gene was, die geschreven heeft het Testament van het Zwijn Grunnius Corocotta, waer van ook de Heilige Outvader Hieronimus gewag maekt. (fol. *6v-*7r)

Zo lijkt het of Erasmus de Nux niet serieus nam. Dat hij er meer in zag, blijkt zestien jaar later, in de commentaar op de Nux (Basel 1524) die hij opdraagt aan Joannes More, de zoon van Thomas. Daar analyseert hij de tekst als een knap stuk retoriek, met veel aandacht voor de ethische inhoud. In zijn voorrede bevestigt hij dat Ovidius echt de auteur is. Vanwege het grappige onderwerp was (en is) hier twijfel over, al wijst de stijl op een grootmeester.
Erasmus gebruikt vijftig pagina’s om het tekstje van nog geen tweehonderd verzen te behandelen, maar houdt zijn toelichtingen kort en helder: ‘Het eerste distichon is tegelijk de propositio en de narratio.’ Een elementair lesje retorica, tevens lof dat Ovidius in twee verzen een probleem kan aankaarten en uiteenzetten. Op die manier is de commentaar, bedoeld voor een vijftienjarige, een praktische ars retorica waarin Erasmus aspecten doorneemt als: genreleer, pathos, stijlfiguren, argumentatie etc. Uitleg aan de hand van één welgekozen tekst blijkt een didactisch wondermiddel te zijn, leerzamer dan een lijvig handboek over retorica.
Voor een uitweiding gaat hij niet uit de weg: als de notenboom klaagt dat vruchten een boom pijn kunnen doen (appelbomen moeten soms onderschraagd worden om het gewicht van de appels te kunnen torsen), associeert Erasmus dat vrolijk met de zwaarte van menselijke bevallingen. Zoveel als een appelboom kan een vrouw er niet dragen: het maximum is een vijfling. Tenzij, zegt hij spottend, we geloven wat in de annalen en op de monumenten van Nederland staat over de vrouw die 365 kinderen kreeg, die allemaal gedoopt werden. Dit slaat op de legende van de Loosduinse kindertjes, die lange tijd het toerisme in Loosduinen heeft aangewakkerd. Huygens schrijft in zijn (dorpse) Stedestem van Loosduinen:

Danck hebb’ Griet Floris kind, en ’t vinnigh bedel-wijff
Die heel den Almanack dé krielen uyt haer lijff,
En ’t halve jaer na Jan, en ’t half na Lijs sagh noemen.

‘Griet Floris kind’ is Margaretha van Henneberg, de dochter van de Hollandse graaf Floris IV en zijn vrouw Machteld van Brabant. Zij had een bedelares voor hoer uitgemaakt, omdat die twee zuigelingen had. De bedelares sprak de vloek uit dat Margaretha zoveel kinderen zou krijgen als er dagen in het jaar zijn. In 1600 liet de Loosduinse predikant Jacobus Meursius (de vader van Joannes Meursius die Vondel aan informatie hielp over Palamedes, wat is de wereld toch klein) een nog altijd bestaand gedenkbord voor de kerk maken, ter vervanging van een oudere plaat die omstreeks 1572 verloren zou zijn gegaan. Dit oude gedenkbord is het Nederlandse monument waar Erasmus op doelt.

Nicolaas Heinsius, die in 1652 de verzamelde werken van Ovidius uitgeeft, karakteriseert de Nux als een bedekte kritiek van Ovidius op de gierigheid en de spilzucht van zijn eigen tijd. We kunnen ervan uitgaan dat de Amsterdamse dokter zich voor zijn grappenmakerij op Heinsius’ editie baseert. Zekerheid hierover is niet te krijgen omdat Focquenbroch zeer vrij vertaalt; hij blijkt alleen geïnteresseerd te zijn in zijn burleske exercice de style. Essentiële onderdelen van Ovidius’ gedicht laat hij liggen en aan de stoïcijnse inhoud gaat hij voorbij. Voor Focquenbroch is het niet meer dan een kapstok voor zijn humoristische stijl.

Het gedicht begint met de klacht van de boom over de aggressie van de passanten. Om hem van zijn vruchten te beroven bekogelen zij hem met stokken en stenen, eertijds een straf voor landverraders:

Ick Nooteboom, die aen de paden
Seer schoon en çierlijck stae geplant,
Soo vroom van leven, en van daden
Als eenigh Boom in ’t gantsche Landt:
(5) Wat of ’t Canalje wel mach meenen,
Denck ick, ’t geen daeg’lijcks hier passeert?
Dat het met stocken, en met steenen
My soo gedurigh tormenteert?
Soo plaghtmen eer de Schobbejacken
(10) Al ’t samen met gelijcker handt
Met Key, en Keegels Doodt te smacken,
Die yetwes smeeden tegen ’t Landt.

Dat klinkt veel informeler dan de letterlijke prozavertaling van Abraham Valentyn, eveneens in 1678 voor het eerst gepubliceerd: ‘Ik nooten-boom, langs de weg staande werd van ’t voor-bij-gaande volk gesteenigt, daar ik niemant heb misdaan. Soo plagtmen in een op-loop openbare misdadigers te straffen, als ’s volks grimmigheid na geen lange ding-talen wagten wil.’ Vroeger, vervolgt Ovidius, had men respect voor de vruchtbomen: die deden hun best om hun eigenaars, hun planters te plezieren, en de planters offerden hun eerstelingen aan Bacchus of aan Minerva, die daar blij verrast door waren. Bij Focquenbroch:

Doe pleegen wy malkaêr te tarten,
En droegen Vruchten elck om strijdt,
En onse Planters, vroom van harten,
Die Kroonden onse Vruchtbaerheyt:
(25) Elck offerde sijn eerstelingen,
Soo dat Heer Bacchus, dick van pens,
Vaeck stom stont van verwonderingen,
Dat het soo schoon ging na sijn wensch;
Mits hy op dese Offermaelen
(30) Met Franse, en Spaense, en Rijnse Wijn,
Sijn hart gestaegh soo op gingh halen
Dat hy soo vol was als een Swijn.
Minerva ’t puyckje van de wijven
Vrat als een magere Jodin
(35) Op hare Offer-Feest Olyven,
Dat haer het Vet droop lancks de kin;

Bacchus dik van pens zou nog kunnen, maar Minerva die vreet als een magere jodin is over de grenzen van het fatsoen: grenzen die Focquenbroch graag overschrijdt.

In de aansluitende verzen laat hij Ovidius even helemaal los:

De Peer, en Appelboomen gaven,
Door hare last staeg krack, op krack,
Soo dat men schier met stock, en staven,
(40) Most onderschragen ieder Tack;
De Kinders selfs, al lijckend Droomen
Die wiesen in die tijden, pas
Gelijck de Appels aen de Boomen
Soo datt’er niet een Moeder was.

Dit is wel een erg vrije navolging. Het betreft dezelfde passage die Erasmus verlokte tot zijn uitweiding over de Loosduinse kindertjes, maar Focquenbroch geeft er een absurde draai aan. De appelbomen maakten de zwangerschap van de vrouwen overbodig, zodat er geen enkele vrouw meer moeder was. Wat Ovidius schreef betekent precies het tegenovergestelde: ‘In die tijd was er geen enkele vrouw die géén moeder was.’ Hier geven de appelbomen het goede voorbeeld, en Erasmus’ anecdote over de 365 kinderen is ter zake. Maar dokter Focquenbroch laat de baby’s aan een boom groeien! Heerlijk toch, zo’n huisarts?

De notenboom gaat verder:

(45) Maer na Aandoorn breet van loover,
Meer als de Vruchtboom is geschat
De kaele Neet, die Joncker poover
Die niet als bladen heeft aen ’t gat,
Begonnen wy Vruchtboomen mede
(50) (Soo ’k haer geselschap waerdigh ben)
Ons kruynen dapper te verbreeden
En op te schieten als een Den:

De andoren is een kruidachtige plant, en zeker geen boom. In de Nux staat op deze plaats het woord ‘platanus’, dat iedereen met plataan zou vertalen, behalve... Vondel, die het in zijn Vergilius- en Ovidiusvertalingen consequent fout vertaalt met aandoorn (bijvoorbeeld in het tiende boek van de Metamorfosen, bij Vondel vs. 137). Dit geeft aan dat Focquenbroch Vondels vertalingen intensief bestudeerd moet hebben.

Nog één stukje Focquenbroch (vs. 61-64):

Helaes! indien ick meê geen Vruchten
Soo mildelijck hadde voortgebracht
Soo sou ick nu niet sitten suchten,
Met Clytemnestra Dach, en Nacht:

Dit is zijn weergave van een verrassend dystichon van Ovidius:

Certe ego, si nunquam peperissem, tutior essem.
    Ista Clytaemestrâ digna querela fuit.

‘Ik zou beslist veiliger zijn als ik nooit kinderen had gekregen,’ zegt de notenboom, en hij voegt er iets onverwachts aan toe: ‘Dat was een klacht die Clytaemnestra waardig zou zijn.’ Ovidius laat de boom zich met Clytaemnestra vergelijken. Een manke vergelijking: notenboom wordt geteisterd om zijn kinderen, Clytaemnestra wordt vermoord door haar kinderen. Erasmus prijst de argumentele subtiliteit van deze passage: de notendrager mag klagen over zijn vruchtbaarheid want hij is onschuldig; Clytaemnestra heeft geen recht van spreken, want zij heeft haar man vermoord. Met de vermelding van Clytaemnestra toont de notenboom zijn ethische superioriteit. Focquenbroch veronachtzaamt dit opvallende onderscheid tussen de dader en het slachtoffer: hij laat de notenboom en Clytaemnestra samen zitten zuchten, bien étonnés de se trouver ensemble.




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.