Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

vrijdag 8 januari 2016

Plautus in Parijs: toespraak tot de lantaarn

Door Ton Harmsen

Isaac van Damme vertaalde de Amphitruo van Plautus in 1617; in 1635, toen hij twee keer zo oud was, maakte hij een nieuwe bewerking voor Amsterdamse rederijkers door er enkele elementen aan toe te voegen. Zijn nieuwe spel begint met een vergadering van de godenraad en dan volgen twee tableaux vivants: Jupiter ziet Alcmene afscheid nemen van Amphitruo, en de Thebanen vechten tegen de Theleboërs. Aan het vierde bedrijf voegt hij een monoloog toe waarin Juno (die verder in het stuk niet voorkomt) zich beklaagt en wraak probeert te nemen op de baby Hercules. Zo kon de verkleedkist van de rederijkers goede dienst kon doen, maar het duidt niet op eerbied voor de eenheden van tijd, plaats en handeling. Het is immers ondenkbaar dat Alcmene op één dag bedrogen wordt, zich met haar man verzoent, bevalt van een tweeling, en meemaakt dat Juno een slang op haar pasgeboren godenkind afstuurt. En van Thebe naar Thelebe vaar je niet binnen één dag. Ook verwaarloost hij de eenheid van genre: Van Damme plaatst in zijn nieuwe versie de escapade van Jupiter op één lijn met een tafereel uit de oorlog tegen de Theleboërs, dus hij vermengt het blijspel met het treurspel. Maar waarom ook niet? In 1635 was dat een aanvaarde praktijk. De strakke vorm van het klassieke blijspel was uit de mode; theatereffecten waren in.

Kort daarna zou men daar weer minder gemakkelijk over denken.
Want inmiddels sloeg de poëticale theorievorming een heel andere weg in. Heinsius, Grotius en Vossius ontwikkelden de literaire theorie consistenter en consequenter dan hun zestiende-eeuwse voorgangers in Italië (Madius en Robortellus) en Frankrijk (Julius Caesar Scaliger) hadden gedaan. De Nederlandse geleerden baseerden hun nieuwe opvatting van de drie eenheden op een zorgvuldige lezing van de Poëtica van Aristoteles. Vooral het begrip eenheid van handeling kreeg een nieuwe inhoud: het is niet dat er maar één handeling mag zijn, maar de handeling moet opgebouwd zijn uit logisch aaneengeschakelde onderdelen. Deze nieuwe interpretatie werd in Frankrijk verwerkt in de doctrine classique, neergelegd in een groot aantal poëticale teksten, waarvan de Trois discours (1660) van Corneille de bekendste en invloedrijkste waren; en dat is geen wonder want hij weet alle subtiele aspecten in glashelder proza uiteen te zetten. De Amphitruo speelt een rol bij de ontwikkeling van de poëticale opvattingen, en met name in de nieuwe definitie van tragedie en komedie: Scaligers opvatting dat een komedie over alledaagse personen gaat en de tragedie over koningen en helden, blijkt niet helemaal te kloppen. En inderdaad komt Corneille tot een andere definitie: niet de status van de personages, maar de aard van de handeling maakt het verschil tussen blij- en treurspel. Daar heeft Michiel de Swaen zijn voordeel mee gedaan.

Als je Molière leest, hoef je aan deze literaire theorie eigenlijk niet eens te denken. Zijn verzen vloeien als een bergbeek, zijn grappen zijn ook na drieëneenhalve eeuw herkenbaar, hij biedt alles wat een toneelstuk amusant maakt. Zijn Amphitryon (1668) is in Frankrijk zo ingeburgerd dat de naam van een hoofdpersonage tot een nieuw Frans woord geleid heeft: Mercurius neemt in het spel de gedaante aan van Sosia, de slaaf van Amphitruo. Bij Molière heet hij ‘Sosie’, het moderne Franse woord ‘sosie’ betekent daardoor dubbelganger. ’t Staat in ‘Littré’, en die vergist zich nooit. Natuurlijk paste Molière de nieuwe opvattingen over poëtica, de doctrine classique, toe in zijn blijspelen. Zijn Amphitryon wijkt daarom geregeld van Plautus af, meteen al in de proloog. Een toneelstuk moet vooral een eenheid zijn, de intrige moet zich van het begin tot het eind zelfstandig ontwikkelen. Een losse proloog valt daarbuiten, zeker als de proloogspreker zich direct tot het publiek richt met een samenvatting van wat er op het toneel te zien is, zoals Mercurius bij Plautus doet:

Dees’ stadt sal Theben sijn, Amphitruo woont daer

Een dergelijke doorbreking van de theatrale fictie is in het zeventiende-eeuwse classicistische toneel niet meer toegestaan: de personages op het toneel richten zich niet meer rechtstreeks tot de zaal. Ook keurt men een lange monoloog af omdat die niet waarschijnlijk is. Daarom vervangt Molière de monoloog van Mercurius door een tweegesprek tussen Mercurius en de Nacht. Mercurius verzoekt de Nacht extra lang te duren opdat Jupiter langer plezier kan hebben van Alcmene, bij wie hij Hercules verwekt. Mercurius en de Nacht hebben een gemoedelijke discussie waarin zij elkaar plaagstootjes geven, maar over het gezag van Jupiter hebben zij geen enkele twijfel (wel over zijn goede naam, met al die escapades). Plautus gebruikt de proloog om de toeschouwers bekend te maken met het verhaal, Molière geeft niet meer dan een hors d’oeuvre. Hij biedt de informatie niet aan in de proloog, maar hij moet haar wel ergens kwijt; daarvoor gebruikt hij een knappe truc in het eerste optreden van Sosie. Een gebruikelijke techniek is een personage in te voeren dat alleen in het eerste toneel optreedt (meestal een vertrouwde of een passant) en van een van de hoofdpersonen de informatie krijgt die de toeschouwers nodig hebben om het stuk te begrijpen. Het eerste deel van een spel heet de ‘protasis’, en een dergelijk personage heet een ‘protatisch personage’: het speelt geen rol maar het krijgt zijn deel. Bij Molière is het protatische personage geen mens maar… een lantaarn! Sosie komt in de nacht het toneel op met een lantaarn, die hij neerzet als hij (net als bij Plautus) zijn verslag aan Alcmene – dat hij nooit zal geven omdat hij door Mercurius wordt gedwarsboomd – repeteert. We zijn dan in het eerste toneel van het eerste bedrijf. Bij Plautus is dat een korte passage, in de eerste vertaling van Van Damme:

Ick wil eens by my selfs de woorden gaen verhalen
Daer mede dat ick het flus sal by haer vertalen.
    Soo haest wy waren daer ghekomen in het lant
    Heeft flox Amphitruo ghesonden een Ghesant,
Met twee dry andere de treffelijckste heeren,
Om vreed’lijck weer den roof, en roovers te begeeren:
    Soo sy tot dat verdrach begeerden te verstaen
    Dat hy sou weer terstont uyt hare palen gaen,
Dat hy sijn Volck weerom sou nemen naer sijn steden,
Dat hy sou gaen van daer en laten haer in vreden. (vs. 181-190)

De scène is vermakelijk met de tegenstelling tussen de moedige woorden en de zichtbare angst van de slaaf, maar Molière geeft er nog een extra dimensie aan. Sosie zet zijn lantaarn neer, en spreekt die toe als ware het ding Alcmene. Af en toe onderbreekt hij zichzelf om ‘haar’ antwoorden, zoals hij zich die voorstelt, uit te spreken. Zijn verslag van de oorlogssituatie presenteert hij net zoals in de eerste heldinnenbrief van Ovidius (vs. 31-36): hij tekent een denkbeeldige kaart van het oorlogsgebied (niet met een in wijn gedoopte vinger zoals bij Ovidius, en ook niet met de onheilspellende sfeer die voor Penelope van de oorlog uitgaat). In de getrouwe vertaling van Harmanus Koning (1730):

Nu, zo ik van Alkmeen wil bodenbrood ontfangen,
Zo dient een groot verhaal te stillen haar verlangen,
En, naar my dunkt, ik kan dat kunsje ook ten deel;
Maar ’t raadzaamst is dat ik myn rol hier eerst eens speel:
Genomen, dit ’s ’t salet daar ik kom in getreeden,
Gelyk een Bode, die zeer spoedig komt gereden.
En dan... ja die Lantaarn die is Mevrouw Alkmeen,
Tot wie eerbiedig ik zal spreeken deeze reên:
                                                Tegen de Lantaarn.
Mevrouw, Amphitrion, myn meester, uw beminde...
Braaf: dat begin is goed. kon my de kloekste vinden
Van al zyn volk, om my te zenden aan Mevrouw,
Dat zy ’t geluk van Thebens benden weeten zou.
Maar meest, Mevrouw, dat hy van u niet meer kan duuren;
Ha, ha.... nou spreekt Alkmeen: welkom ter goeder uuren
Myn Sosia, ’k ben bly dat ik u zie. Ai zwyg,
De eer is te groot, Mevrouw, die ik van u verkryg.
Waar droes haal ik van daan al deeze hoofsche stukken?

Hij staat versteld van zijn eigen hoofsheid. Even later tekent hij voor de denkbeeldige Alcmene een denkbeeldige stafkaart:

Denkt nu op deeze plaats daar leid de Stad Thelebe,
Een Stad, wat kleinder als de groote Stad van Thebe:
Dit water dat gy ziet leid tusschen bei: en hier
Lag onze macht, en haare aan geen’ zy de rivier:
Nu hier omtrent dit hoog stond haar voetvolk in order:
Wat laager, aan deez’ zy, haar ruitery, en vorder
Wanneer men was gereed en vaardig om te slaan,
Zo vallen zy zeer fel tot driemaal op ons aan;
Maar wierden, als gy straks zult zien, te rug gedreeven:
Daar stond onze avantgard’, die haar wel haast dee beeven:
Hier stond omtrent des Konings lyfwacht, en dan daar
Wat laager volgde toen het gros van ’t leger naar, (vs. 125-141 en 153-164)

Maar dan komt Mercurius op, die hem wreed stoort in zijn levendige fantasie. Zo slaagt Molière er op een verfrissende manier in de inhoud van Plautus’ spel uit te drukken in de vorm die de moderne poëtica, de ‘doctrine classique’, van hem verwachtte. Hij ontmantelt Plautus’ proloog zonder het kind met het badwater weg te gooien: de informatie van Mercurius uit de proloog geeft hij aan Sosie in het eerste toneel.



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.