Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

vrijdag 15 januari 2016

Plautus in Amsterdam: Bonjour, la Nuit

Door Ton Harmsen

Wie Van Damme’s Amphitruo (1617) naast Peys’ Amphitrion (1670) leest (de eerste naar Plautus en de ander naar Molière), ziet een grote ontwikkeling in smaak. Valt over smaak te twisten? Stutterheim antwoordde een promovendus die zich bij zijn verdediging probeerde te redden met ‘de gustibus non est disputandum’: ‘Jawel! Daarvoor Zijn Wij Hier!’ Argumenten dus. Het Latijnse theater heeft iets krachtigs en energieks, dat het Franse toneel mist: daar spelen gepoederde en geparfumeerde saletjonkers. Ook de sfeer van de Griekse tragedie is vaak rauwer en meedogenlozer dan de treurspelen uit de zeventiende eeuw: Sophocles stuurt Oedipus als blinde balling de bergen in, Vondel stuurt Jeptha naar de biechtstoel. De Fransen voelden hun theater zelf als een vooruitgang. Bij alle imitatie van de oudheid hebben de zeventiende-eeuwse dichters in heel Europa een sterk gevoel van eigenwaarde, zeg maar superioriteit. Er zijn wel tegenstemmen: Nicolas Boileau zou de euvele moed hebben gehad in een salon te beweren dat de proloog van Plautus beter is dan die van Molière, en Pierre Bayle merkt op dat Molière het idee voor een dialoog van Mercurius en de Nacht ontleent aan de godengesprekken van Lucianus. Bij de Franse intellectuelen schiet dit helemaal in het verkeerde keelgat. Het is vermakelijk om te lezen hoe chauvinistisch de Franse literatuurcritici te keer gaan, Voltaire voorop. Deze twijfel aan de superioriteit en de orginaliteit is helemaal tegen het zere been! Nog in de negentiende-eeuwse uitgave van Louis Aimé-Martin lezen we fel protest. Hij veroordeelt de techniek van Plautus, want die laat Mercurius zich direct tot het publiek richten met een korte samenvatting van het spel. Dat is tegen de wetten van het toneel. Molières charmante en badinerende, en absoluut originele proloog is hier mijlenver boven verheven, aldus Aimé-Martin, die de kwestie van de proloog helder en zakelijk aan de orde stelt, maar dan toch eindigt met een puur waardeoordeel, zonder argument. Want waarom zouden de toeschouwers niet bij het toneel betrokken mogen worden? En waarom zou Molière het idee voor een dialoog tussen Mercurius en de Nacht in de plaats van een proloog van Mercurius niet bij Lucianus mogen opdoen? Diens satirische godengesprekken werden alom bewonderd en nagevolgd. Goden die elkaar licht bespotten (Mercurius wordt door de Nacht een slappeling genoemd omdat hij op een wolk zit uit te rusten) zijn voor het schouwburgpubliek absoluut een groot vermaak. De commotie bij de Franse literatuurhistorici toont aan hoezeer de receptie van literaire werken een kwestie is van conventies en verwachtingspatronen.

Maar nu over de drie eerste Nederlandse vertalers (bewerkers) van Molières Amphitryon. Vertalers hebben een dankbare taak: zij mogen de schoonheden van hun brontekst weergeven in hun moedertaal. De mooiste vertaling van een zin vind ik nog altijd die van C. Schepel in Mao’s Rode boekje: de zegswijze 吃一, 一智 (letterlijk ‘eten een gracht, groeien een wijsheid’) vertaalt hij met ‘Bijt in het zand, meer verstand’. Ook prachtig is ‘De sandaal verraadt het schandaal’ als vertaling van ‘sandalio deferente’ in de Griffioenvertaling van Jan de Brune’s Wetsteen der vernuften door Paula Koning. In Les fourberies de Scapin (1671) laat Molière Géronte tot vier keer toe zeggen: ‘Que diable allait-il faire dans cette galère?’ Ik hoorde in een Nederlandse uitvoering: ‘Wat ging hij dan toch doen, op dat galjoen?’ Dat is nog eens effectief. Ik heb dan ook onmiddellijk gekeken wat Adriaen Peys ervan maakte in zijn vertaling van 1680. Vier keer iets anders, in de trant van ‘Wat drommel deed hy toch in die Galei!’ Wat een teleurstelling.

In Molières proloog neemt Mercurius afscheid van de Nacht met de woorden ‘Bonjour, la Nuit’ (vs. 153). Wij zeggen bonjour als we binnenkomen en au revoir (maar ook wel bonne journée) bij het afscheid, maar dit zijn Molières woorden. Dat is niet moeilijk te vertalen. ‘Goedendag Nacht’ lijkt me prima, ‘Dag Nacht’ is kort en krachtig, daar zou ik de voorkeur aan geven. Dit lijkt me een schot voor open doel.

In de zeventiende en de achttiende eeuw verschenen drie vertalingen van de Amphitryon, dus drie kansen op een mooie vertaling. Adriaen Peys, tien jaar later de vertaler van Scapin, is in 1670 de eerste. Hij geeft een letterlijke vertaling van Molière, zo goed als hij kan. Aan het slot van de proloog stelt de Nacht aan Mercurius voor een eind aan hun discussie te maken, ‘er een speldje bij te steken’ zoals men dat in de zeventiende eeuw noemde; voor speld gebruikt Peys nog de oude (eigenlijk correcte) vorm spel

N. Kom laet ons daar een spel by steecken,
    En gaen daer in niet verder voort,
    Men sou van ons wel quaelijck spreecken,
    Indien ’t van yemant wiert gehoort,
M. Ick gae om laegh, en doe den last,
    Die my Jupijn heeft opgeleght,
    En sie hoe my het aensicht past,
    Van Heer Amphitruo sijn knecht,
N. Ick gae na boven met mijn donckere gesellen,
    En sal de saecke daer wel stellen,
M. Het gaet U wel, N. U mée: (vs. 135-144)

 ‘Het gaet U wel’ haalt het niet bij ‘Bonjour, la Nuit’. De volgende vertaling is van Dirck Buysero, net als Peys een ervaren vertaler. In 1679 verschijnt zijn eerste bewerking van de Amphitruo, die hij opzet als een kort naspel (dus niet als een avondvullend stuk, maar als een uitsmijter bij de opvoering van een tragedie); de proloog is hier helemaal verdwenen. Het jaar daarop verschijnt een uitgebreide herdruk, mèt de proloog, die als volgt eindigt:

N. Nu al genoeg hier van, laat ons den tijd niet slijten
    Met knibblen, en de menschen geene stof
    Tot lachen geven met de goden. M. ’k Schey’ er of.
    Vaar wel, ik ga mijn last voltrekken,
    En my vermommen als Amphitruo zijn knecht.
N. ’t Is wel, ik zal terwijl de nacht gaan rekken.
    Adieu Merkuur. M. Doet als gy hebt gezegt. (vs. 79-85)

Dat is ook niet briljant. Het ‘Vaar wel’ van Mercurius is vlak, en het ‘Adieu Merkuur’ van de Nacht maakt het niet beter. Nog één kans: in 1730 verschijnt de vertaling van Harmanus Koning, Jupiter en Amphitrion, of de twee gelijke Sosiaas. Hij heeft wel een nieuwigheid: de proloog (die bij de classicisten zo slecht op de maag ligt) noemt hij het eerste toneel van het eerste bedrijf. Dat is natuurlijk alleen maar een cosmetische oplossing, maar het geeft wel aan dat hij zich niet prettig voelt bij een losse proloog, die ook in de inventieve aanpak van Molière buiten de formele handeling staat. Omdat Mercurius ook in het volgende toneel optreedt is er geen conflict met het voorschrift van de liaison des scènes: tussen de tonelen moet in principe een persoonlijke band zijn. Overigens leunt de vertaling van Harmanus Koning erg op die van Peys: misschien heeft hij helemaal niet naar de Franse tekst gekeken, maar de vertaling van Peys bewerkt tot alexandrijnen. Bij hem eindigt het gesprek tussen Mercurius en de Nacht met:

N. Hier van genoeg. Vaar wel; elk neem zyn plicht in acht:
Ik maak dat ik ’t gebod van Jupiter betracht.
M. Ik ga dan heen, en wil hem meê in all’s vernoegen:
’k Moet zien hoe my het lyf en aengesicht zal voegen
Van Sosia, de knecht van heer Amphitrion,
Op dat ik wel voleind het geen dat ik begon.
N. En ik zal d’aard’ zo lang met duisternis bekleeden,
Tot dat Jupyn vernoegt van ’t Ledekant zal treeden.
Ik trek om hoog: vaar wel. M. Vaar wel, ô schoone Nacht!
Uw schaduw dient ons als de Liefde ons toelacht. (vs. 99-108)

Vaarwel, o schone nacht. Dus drie keer niet wat ik zou hopen: dat iemand de woordspeling van ‘Bonjour, la Nuit’ recht deed in de vertaling. De vertalers van 1670 tot 1730 hebben blijkbaar andere kwaliteiten nagestreefd dan het adequaat weergeven van de geestigheden van Molière. Zij waarderen vooral de structuur van het Franse spel, ze hebben plezier in Molières streven naar eenheid van handeling. Harmanus Koning doet daar nog een klein schepje bovenop door de proloog in het eerste bedrijf in te bedden. En van het spel der vergissingen kan hij niet genoeg krijgen: in het laatste bedrijf voegt hij een lange confrontatie van Cleanthis (de vrouw van Sosia) met Sosia en Mercurius in, waarin beiden haar opeisen. Natuurlijk brengt de ontknoping waarin Jupiter zichzelf (en Mercurius) bekend maakt ook zekerheid voor Cleanthis.
In ieder geval maakt mijn speurtocht naar ‘Dag, Nacht’ duidelijk dat na het lezen van bewerkingen het bestuderen van de oorspronkelijke tekst altijd lonend is.



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.