Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

donderdag 21 januari 2016

Etymologie: zwaluw

Door Michiel de Vaan

zwaluw zn. ‘zangvogel’

Vroegmiddelnederlands swalwe (1240), swalewe (1270–90), swalue (1287), zwaluwen (mv., 1340–1360), zwalu (1465–1485), zwallewe (1440–1460). Nieuwnederlands swalwe (1515), swaluwe (1517), swalewe (1528), swaluw (1635); swaleme (1528), swaelmen (mv., 1565), swaelem (1599), swalm (1613); swaelve (1596), swalefjen (dim., 1622), swaelf (1646), swalven (mv., 1612); swalcke (1573, Gelders, Nederduits).

De moderne dialecten vertonen vormvarianten die voor het grootste deel al in de 16e en 17e opduiken: (1) zwallewe, zwaaltje, zwaluw, enz.; (2) zwalf (NO-Brabants, N-Limburg), zwalef (N-Brabant, Gelderland, N-Holland), zwaal(e)ve (Overijssel), zwaalfke (Groningen). Hier is lw tot -lv-, -lf geworden (vgl. murw, uitgesproken als murf); in enkele dialecten is daaruit zwalg ontstaan (Limburg) of, met metathese, zwaveltje (N-Holland); (3) zwalver, zwelver, zwalber, zwarbel (Limburg), hetzelfde als (2) maar met toevoeging van -er; (4) zwalm, zwaalm (Vlaanderen, Zeeland, Brabant; met metathese ook zwamel), waarin -lw tot -lm is geworden.

Verwante vormen: OS swala, Middelnederduits swale, swaleke, Oudhoogduits swalawa, Mhd. swalwe, swalbe, swalme, Mohd. Schwalbe; Modern Westerlauwers Fries swel(tsje), sweal(tsje) (Noordfries swalk, swålk, enz. is uit het Nederduits ontleend); Oudengels swealwe, MoE swallow; Oudijslands svala ‘zwaluw’. Uit Proto-Germaans *swal-wōn-, een vrouwelijk zn. van een wortel *swal-.

Zwaluwen worden vaak benoemd naar hun gevorkte staart, vgl. Iers gabhal ‘vork’ en gabhlán ‘zwaluw’. Lockwood (1982) leidt Germaans *swal-wōn- ‘zwaluw’ af van ‘gevorkte stok’ op basis van Oudnoors súla ‘pilaar; twee gekruiste houtjes; jan-van-gent’, Faroers en Noors súla ‘gevorkte stok’, hetgeen een Germaanse ablaut *sūl- tegenover *swal- inhoudt (Kroonen 2013: 405). Verwant met zuil, maar de verdere herkomst van deze woordfamilie is onduidelijk. De jan-van-gent heeft overigens geen gevorkte staart, maar in rust vormen de uiteinden van de veren een aparte punt boven de staartpunt, zodat beide punten samen de indruk van een vork wekken.

Lockwood, W.B. 1982. Faroese Bird-Name Origins (VIII). In: Fróðskaparrit 30, 103–109. (http://timarit.is/view_page_init.jsp?pageId=930658&issId=49335&lang=da)