Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

vrijdag 22 januari 2016

De stof van Vondels derde tragedie: Palamedes (1625)

Door Ton Harmsen

Vondels Palamedes is bedoeld als een aanklacht over de dood van Oldenbarnevelt, in Vondels ogen een politieke moord. Een gevaarlijk onderwerp dus. Volgens Het leven van Joost van den Vondel door Geeraerdt Brandt (1682) zocht hij op aanraden van de Amsterdamse magistraat Albert Burgh naar een verhaal dat hij om zou kunnen werken tot een allegorie hierop. Het moest iets uit de Oudheid zijn, maar in de bekende geschiedenissen kon hij geen bruikbaar precedent vinden. Aan Palamedes, de Griekse held die voor Troje door verraad aan zijn einde kwam, toen nog een betrekkelijk obscuur verhaal (bij Homerus komt hij niet voor), kan Vondel niet spontaan gedacht hebben. Tot wie kon hij zich wenden? Brandt vermeldt daar niets over: hij schrijft eenvoudig dat het motief van Palamedes Vondel voor de voeten kwam, met een korte samenvatting van het Palamedesverhaal: ‘Eindelyk quam hem de Grieksche Palamedes te vooren, daar men van schryft, dat hy, onder deksel van het oogh naar den vyandt gewendt, en geldt genooten te hebben, by het gemeene volk in haat wierdt gebraght, en door Agamemnon en Ulysses, tot onvergoedbaare schaade van geheel Grieken, gedoodt.’ Palamedes was de man die met een list de listige Odysseus dwong tot deelname aan de Trojaanse oorlog: Odysseus wilde niet mee naar Troje en veinsde dat hij gek was, door het strand te ploegen. Palamedes doorzag hem, wierp Odysseus’ zoontje Telemachus voor de ploeg, waarop Odysseus uitweek om de baby te vermijden; zo werd hij als simulant ontmaskerd. En zo laadde Palamedes de eeuwige haat van Odysseus op zijn hals, die effectief wraak nam: hij begroef geld onder Palamedes’ tent en stelde een valse brief op waaruit moest blijken dat Palamedes heulde met de Trojaanse vijand. Het gevolg was dat Palamedes ter dood werd veroordeeld en gestenigd. Maar dit verhaal was toentertijd helemaal niet bekend. Hoe kwàm Vondel toch aan deze stof?

Tachtig jaar later zou iemand daar een merkwaardige mededeling over doen. Als in 1705 de Palamedes herdrukt wordt, zogenaamd in Oldenbarneveldts geboorteplaats Amersfoort, geeft de uitgever een korte toelichting over het ontstaan van het boek:
De stoffe, waer uit de Heer Vondel het treurspel, Palamedes genaemt, heeft zamengestelt, is eerst in onrym ontworpen door den tael- en Historie-kundigen Joannes Meursius, Hoog-leeraer in de Hooge Schoole te Leiden, en wel op ’t verzoek van den Hr. van der Myle, Barnevelts Schoonzoon, daer na door Vondel in rym gebracht, die toen noch onkundig in de Grieksche Historien, verscheide zaken verwart en duister heeft voorgestelt.De geleerde Meursius wert van het Hoog-leeraerschap afgezet, eerstelyk om dat hy te veel boeken schreef, ten anderen, om dat hy leermeester van Barnevelts kinderen geweest was.
Wat opvalt is dat Meursius werd ontslagen omdat hij te veel boeken schreef. Pas maar op! Maar het eigenlijke punt was dat hij te veel boeken schreef die niet pasten in het denkraam van de gereformeerde bestuurders. Meursius was de leermeester geweest van de twee zonen van Johan van Oldenbarnevelt en hij had hen op hun grand tour vergezeld. Hij is vooral bekend geworden met zijn biografie van Leidse professoren, de Icones (1613 en 1625). Hij had sympathie voor de Arminianen, met alle nare gevolgen van dien, en in 1625 nam hij dan ook graag de uitnodiging aan van de Deense koning Christiaan IV om hoogleraar te worden aan de universiteit van Sjælland in Sorø, waar hij de Historiae Danicae schreef (gepubliceerd in 1638).
Het was bekend dat Meursius de familie Van Oldenbarnevelt een warm hart toedroeg, en dat hij alles van de oude geschiedenis wist. Er moet tussen Vondel en hem een gedachtenwisseling zijn geweest, al vermeldt Brandt daar niets over. Maar hoe kwamen ze nu juist op Palamedes?

Drie jaar voor Vondels queeste beschreef Meursius de ontwikkeling van het spel in zijn Graecia ludibunda, sive de ludis Graecorum (het spelende Griekenland of over het spel bij de Grieken), in 1622 verschenen bij de Elzeviers in Leiden. In dit boek komt Palamedes even ter sprake als de uitvinder van de dobbelsteen. Dobbelstenen worden in het Grieks πεσσοὶ Παλαμήδους genoemd, de stenen van Palamedes. Door epische vergroting werd hij zelfs uitgeroepen tot uitvinder van het schaakspel; het eerste tijdschrift voor schakers, verschenen in Parijs vanaf 1836, heette dan ook ‘Le Palamède’, en in Leiden werd in 1846 de ‘Schaaksociëteit Palamedes’ opgericht.

De liefhebbers van het gokspel kunnen in 1622 de naam ‘Palamedes’ niet gemist hebben. Naast Meursius’ De ludis Graecorum verscheen in datzelfde jaar en eveneens bij de Elzeviers, de Palamedes, sive, de tabulâ lusoriâ, aleâ, & variis ludis libri tres (Palamedes, drie boeken over het bordspel, de teerling en andere spelen) van Daniel Souterius, gomaristisch predikant in Haarlem. De Palamedes van Souterius verwerpt alles waar kansspelbelasting over kan worden betaald: ieder spel leidt naar de hel. Hij was ook een fervent orangist. Terwijl Vondel aan zìjn Palamedes werkte, schreef Souterius een boek van ruim vijfhonderd bladzijden met de titel Sainctes funerailles. Historisch verhael, over het christelijck af-sterven ende statelijck begraeven van den D. Prins Mauritius. Eén grote loftuiting over Maurits, en een ellenlange opsomming van alle edellieden, ambtenaren en volksvertegenwoordigers die bij zijn begrafenis aanwezig waren. Het is wel duidelijk dat Souterius totaal niet geïnteresseerd was in het verband tussen de gerechtelijke moord op Palamedes en die op Oldenbarnevelt. Vondel zou ook nooit op het idee zijn gekomen zich tot hem te wenden.

In 1625 brachten de Elzeviers beide boeken, Meursius’ De ludis Graecorum en Souterius’ Palamedes, als één geheel in een nieuwe oplage op de markt. Door toevoeging van een nieuwe titelpagina werd Palamedes gepresenteerd als een vervolg op De ludis Graecorum. Dat suggereert dat het om twee gelijkgestemde boeken gaat, maar het tegendeel is het geval. De geleerde graecus Meursius zal woedend zijn geweest. Palamedes is voor hem weliswaar de uitvinder van de dobbelsteen, maar toch vooral het slachtoffer van Odysseus. En dan moet hij meteen denken aan zijn oude werkgever, de vader van zijn beste vrienden. Heerlijk, die grand tour met Reinier en Willem van Oldenbarnevelt. Vreselijk, die smadelijke onthoofding van die wijze grijsaard. En nu gaat die contraremonstrantse dominee, die Haarlemse orangist er met de naam Palamedes vandoor.

Op dat moment krijgt hij bezoek van Cornelis van der Myle, de zwager van Meursius’ pupillen, die namens Vondel komt informeren naar een goed onderwerp voor de Oldenbarnevelt-allegorie. Meursius was nog woedend over wat de Elzeviers hem hadden aangedaan door zijn boek in één band met hun winkeldochter Palamedes te verkopen. Nu komt bij hem het plan op Souterius weg te poetsen uit de canon door Vondel diezelfde titel voor het Oldenbarnevelt-drama aan de hand te doen: Palamedes. Snel schrijft hij de relevante zaken op: het conflict met Odysseus, het verraad, het oneerlijke proces, de priester die zich ermee bemoeide, het opruien van het volk – allemaal precies wat ook Oldenbarnevelt was overkomen.

Dat moet het verband zijn tussen de informatie van Brandt en die van de Amersfoortse editeur. Brandts formulering ‘Eindelyk quam hem de Grieksche Palamedes te vooren’ betekent niet dat Vondel dit zelf bedacht heeft: het is hem door Meursius aangereikt. Hoe had Vondel op Palamedes kunnen komen? En voor Meursius is Palamedes een ideale oplossing – zowel voor zijn ergernis over Souterius als voor zijn verontwaardiging over de moord op Oldenbarnevelt. Het bewijs is snel geleverd als je de toon bestudeert van Vondels inleiding.
Hij probeert met alle macht het verhaal van Palamedes, dat voor hem (en voor veel van zijn lezers) nieuw en overwacht is, uit te leggen en over het voetlicht te brengen. Over Palamedes is niet geschreven door Homerus, over hem bestaan geen bekende bronnen. Zijn lotgevallen zijn duidelijk, maar je moet je wel door fragmenten uit Euripides, opmerkingen in Xenophon, details bij Pausanias en meningen van Philostratus heenwerken om zijn biografie compleet te krijgen. In de voorrede smijt Vondel met namen die duidelijk uit de bagage van een geleerde – in casu Meursius – komen:

Philostrates in het leven van Apollonius Tyaneus doet Thespion, een overste der schoolsophisten, in sijn gespraecke van de rechtvaerdigheyd aldus spreecken: Als ick by my selven overlegge het geen Palamedes voor Trojen: ende Socrates te Athenen overgekomen is: soo dunckt my dat de rechtvaerdigheyd by de menschen qualijck onthaelt word: want dese die de alderrechtvaerdighste waren, sijn met de hooghste onbillijckheyd bejegent, ja alleen op vermoeden van boose feyten omgebrogt, alsmen buyten recht het oordeel over hen velde.

Vondel kon nauwelijks Grieks lezen in 1625, maar zijn inleiding op de Palamedes bevat maar liefst vijf citaten in het Grieks, die hij met veel aplomb presenteert. Het is evident dat het professionele aandeel van Meursius heel groot is. En al evenzeer toont Vondel zijn dankbare ontzag voor al deze geleerdheid die hem was aangereikt.

In Ceneton zijn transcripties te vinden van de eerste druk (gedateerd 1626) en van een Amersfoortse editie met de hekeldichten (1736)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.