Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

zaterdag 31 oktober 2015

Nieuwe website eduperron.nl gelanceerd


Edgar du Perron, kleinzoon van de schrijver, dichter en journalist E. du Perron (1899-1940), heeft op 15 oktober 2015 in de Aula van de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag de website eduperron.nl gelanceerd.

Voor een breed publiek en voor wetenschappelijk onderzoekers is de nieuwe website een rijke bron van informatie over de persoon E. du Perron en zijn werk, en ook over het culturele en literaire leven tijdens het interbellum, waarbinnen hij een vooraanstaande rol vervulde. 

Du Perrons bekendste boek is Het land van herkomst (1935). Met Menno ter Braak leidde hij het invloedrijke literaire tijdschrift Forum en hij was degene die Ter Braak stimuleerde tot oprichting van het antinationaalsocialistische ‘Comité van waakzaamheid’. 

Neder-L-cartoon #80

De Taalprof jaagt zijn lezers de stuipen op het lijf

Onseker hoop

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (44)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?


Door Marc van Oostendorp

Dat de metriek van P.C. Hooft bijna perfect was, durfde ik vorige week op deze plaats te beweren. Binnen enkele decennia had de regelmatig afwisselende versregel de Nederlandse poëzie veroverd, en P.C. Hooft was er al meteen de meester in – het is een beetje zoals Cervantes een van de eerste romanschrijvers was en meteen ook een van de beste, of Buster Keaton een van de eerste filmmakers, en meteen de grappigste. 

Meestal schreef P.C. Hooft zogenoemde alexandrijnen: dat waren versregels die losjes gemodelleerd waren op een Frans model waarin iedere regel twaalf lettergrepen had, met precies in het midden een zogenoemde cesuur: de zesde en de zevende lettergreep behoorden nooit tot hetzelfde woord.

In het Nederlands gold die laatste eis ook, maar waren de lettergrepen verder gegroepeerd in duidelijke afwisselingen van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen; iets wat in het Frans niet goed mogelijk is, omdat het Frans woorden nauwelijks beklemtoont (het legt alleen klemtoon op de laatste lettergreep van een bij elkaar horende groep woorden). Een combinatie van een onbeklemtoonde en een beklemtoonde lettergreep heet een jambe.  Een Nederlandse alexandrijn bestond dus uit zes jambes (met na de derde jambe een cesuur).

vrijdag 30 oktober 2015

De dichtbundelproductie 1930-1939


Door Bart FM Droog


Vroeger was bijna alles beter. Vooral in de jaren dertig – ik weet het nog goed. Toegegeven, er was wat gemor onder het werkvolk, wat gedonder buiten de Kaas- en Wafellandse grenzen, wat gemuit in de koloniën en in de sporterij werd aanzienlijk trager gelopen en gezwommen dan nu. Maar dat zijn slechts voetnoten bij het grote verhaal dat zich op deze pagina's ontvouwt: de jaaroverzichten 1930-1939 van de Nederlandse Poëzie Encyclopedie (NPE).



1930: 70 dichtbundels (16 debuten), 7 bloemlezingen
1931: 48 dichtbundels (13 debuten), 7 bloemlezingen
1932: 56 dichtbundels (18 debuten), 7 bloemlezingen
1933: 53 dichtbundels (16 debuten), 10 bloemlezingen
1934: 69 dichtbundels (14 debuten), 11 bloemlezingen
1935: 60 dichtbundels (18 debuten), 15 bloemlezingen
1936: 81 dichtbundels (27 debuten), 18 bloemlezingen
1937: 86 dichtbundels (13 debuten), 22 bloemlezingen
1938: 102 dichtbundels (22 debuten), 25 bloemlezingen
1939: 83 dichtbundels (16 debuten), 23 bloemlezingen

Klik op de jaartallen voor de details. Of gebruik de zoekpagina op de NPE-site.


Vondels vertaling van Barlaeus’ Blyde inkomst van Maria de Medicis gedigitaliseerd

Door Ton Harmsen

In 1638 werd Maria de Medicis, de moeder van Lodewijk de Dertiende, met grote eer en staatsie door de burgemeesters van  Amsterdam verwelkomd. Hoewel de vorstin ruzie had met haar zoon en vooral met Richelieu, had zij groot aanzien. Zij was opgegroeid in het Palazzo Pitti in Florence, en bouwde in Parijs het Palais du Luxembourg. Zij was de moeder van de Franse koning, en van de Engelse en de Spaanse koningin. Met een groot gevolg was zij een week in Amsterdam, op doorreis (via Haarlem en Leiden) naar Den Haag. Daar wilde zij, tegen de zin van de Staten Generaal, met Frederik Hendrik het huwelijk bedisselen tussen de toekomstige stadhouder Willem II en haar kleindochter, de Engelse prinses Mary Stuart. Het bezoek van de koningin-moeder aan Amsterdam is opgeluisterd zoals dat bij een blijde inkomst van een groot vorst betaamt: toneelstellages werden opgericht, redevoeringen gehouden, een groot en feestelijk banket aangerecht; de stad toonde graag de rijkdom die uit alle werelddelen werd aangesleept en de geleerdheid en kunstzinnigheid die voorhanden was. En dat alles terwijl de Staten Generaal hadden aangedrongen op een sobere en zuinige ontvangst. Amsterdam greep de kans om zich te profileren als metropool! Zelf leverde Maria de Medicis een mooie bijdrage aan de feestvreugde door in het laatste uur van haar bezoek grootmoeder te worden van de nieuwe Franse kroonprins, Lodewijk de Veertiende. Dat konden de burgemeesters zo snel niet weten, maar het is een prachtige uitsmijter in de Medicea hospes, het officiële verslag door Caspar Barlaeus, dat ook in het Nederlands en het Frans verscheen bij Johan en Cornelis Blaeu: drie boeken in folio-formaat, voorzien van een portret van de vorstin – met haar in Amsterdam verworven rozenkrans van Franciscus Xaverius – naar het schilderij van Gerard van Honthorst, een groepsportret van de burgemeesters, en zestien grote gravures waar veel belangrijke prentkunstenaars aan meegewerkt hebben: Jan Martsen, Thomas de Keyser, Simon de Vlieger, Nicolaes Moeyaert; de prenten werden gegraveerd door Pieter Nolpe, Jonas Suyderhoef en Roeland en Salomon Savery.

Is het Nederlands triviaal?

Door Marc van Oostendorp

De Britse wiskundige Alex Bellos schreef gisteren in The Guardian een artikel dat ook in Nederland enig stof deed opwaaien. In dat stuk besprak Bellos het feit dat de Engelse spelling triviaal is: als je ieder woord ziet als een vermenigvuldiging, en iedere letter als een variabele in die vermenigvuldiging, dan kun je bewijzen dat de waarde van iedere letter gelijk is aan 1.

Neem bijvoorbeeld de woorden aisle en isle, zegt Bellos. Die spreek je op dezelfde manier uit, en dus kun je zeggen aisle=isle. Omdat je ieder woord ziet als een vermenigvuldiging van de letters, krijg je dan:

  • axixsxlxe = ixsxlxe
Maar dan staat er dus eigenlijk: ax(isle) = isle. Dat is alleen waar als a staat voor 1. Die truc kun je ook voor allerlei andere letters uithalen: plumb en plum klinken ook hetzelfde, dus volgens deze redenering staat de b ook voor 1.  Voor andere letters is het iets bewerkelijker. Voor de c observeer je eerste dat scent en cent hetzelfde klinken. Daaruit volgt dat s gelijk is aan 1. Daarna besef je dat sent en cent ook hetzelfde klinken. Daaruit volgt dat c=s, en omdat s=1 dus ook c=1.

Al in 1993 heeft een groep wiskundigen laten zien dat je op deze manier kunt uitrekenen dat iedere letter in het Engels en het Frans gelijk staat aan 1. Dat is de definitie van triviaal

De vraag doet zich nu natuurlijk voor: is het Nederlands ook zo triviaal?

donderdag 29 oktober 2015

Vacature: Docent Nederlands aan Jawaharlal Nehru University in India, New Delhi

The Centre of German Studies (CGS) at Jawaharlal Nehru University  requires a guest lecturer to teach Dutch as a foreign language and the literature and culture of the Low Countries from January 2016.

The School of Language, Literature & Culture Studies, of which the CGS is a part, is one of the largest Schools in the Jawaharlal Nehru University (JNU), New Delhi (www.jnu.ac.in).

The CGS began its teaching and research programme in 1971 (http://www.jnu.ac.in/sllcs/CGS/index.asp). The Centre introduced the teaching of Dutch as a foreign language as an optional course in 2013 and wishes to continue and expand the Dutch programme.


Etymologie: prijken

Door Michiel de Vaan 

prijken ww. ‘pronken’

Vroegmiddelnederlands priken ‘de handen in de lucht steken’ of ‘in de handen klappen’ (1265–70), Laatmnl. priken ‘ophef maken’ (1390–1410), priker ‘snaarspeler’ (1479), prikersse ‘snaarspeelster’ (1479), en met een andere klinker preycken (1477); Nnl. prijcken ‘zich opzichtig gedragen, pronken; in het oog vallen’ (1524), ‘talmen, aarzelen’ (1550; meestal in sonder lang prijcken); prikinge ‘overwinningsfeest’. Moderne dialectvarianten: Westvlaams prieken ‘op kraambezoek gaan’, Limburgs prieker ‘weifelaar; vitter’. Het langdurig stilstaan of -zitten tijdens het ‘pronken’ verklaart de latere overgang naar ‘aarzelen’. Verwant: Mnd. prēkenpronken’.

Colloquium over mystiek en identiteit in moderne Vlaamse letterkunde

Het Ruusbroecgenootschap organiseert het colloquium "Verzoekingen" in samenwerking met het Instituut voor de studie van de letterkunde in de Nederlanden (ISLN) en de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience.

Dit colloquium verkent en onderzoekt de rol die de mystieke traditie heeft gespeeld in de constructie van de identiteiten van diverse actoren uit het literaire veld.

De sprekers concentreren zich tijdens dit colloquium op de invloeden van auteurs als Ruusbroec en Hadewijch op schrijvers zoals Felix Timmermans en Hugo Claus.

Meer info vind je via de website van het Ruusbroecgenootschap.

Driejoek

Door Marc van Oostendorp

Toen ik onlangs de door mijzelf geproduceerde, geregisseerde én gecaterde kaskraker Huh! The Movie online zette, dwaalden ook jullie gedachten onwillekeurig natuurlijk af naar het bijna gelijknamige artikel Ha! Een analyse van de Utrechtse fonologen Wim Zonneveld en Mieke Trommelen uit 1997 (helaas niet online, voor zover ik zien kan).

Die analyse behelst huiselijk gezegd dat de h-klank in het Nederlands geen echte medeklinker is maar een begin stukje van de klinker. Ze proberen daarmee allerlei eigenaardigheden van de h te verklaren, zoals dat hij altijd vóór een klinker staat (ha!) en nooit erna (ah spreek je niet uit met een h).

Het belangrijkste argument heeft te maken met de invoeging van [j] en [w]. Na een ie of een ee voegen we in het Nederlands vrij gemakkelijk een [j] in, en na een oe of oo een [w]
  • di[j]eet, The[j]o, dou[w]ane, bo[w]a constrictor.

woensdag 28 oktober 2015

Voorbij de muren

Over Als een beek van Kees Ouwens (3)

door Gert de Jager
 
Zekere kenmerken van Ouwens' poëzie wekken bij nogal wat poëzielezers enige irritatie. Het tweede gedicht in Als een beek biedt die kenmerken volop:
 
Muren
 
Een laatste wandeling leerde de onomkoopbaarheid van het lot dat klaar lag.
Een laatste blik leerde ontzag voor de constante in het huis dat al ver terug lag.
Een enkel raam maakte gewag van de lamp die brandde nu toch de nacht gearriveerd was. 

Ik nam een pen als maatstaf voor het waar gebeuren, het voorval schreef in monochrome
kleuren de lezing voor die in mijn aard gereed lag. 

Daar ik een minnaar ben van die vier koude muren, zet zich een daad
op schrift binnen het uur, die zijn ontstaan, gesteldheid dankt aan
de schriftuur, aan letterlijkheid toch minder zwaar tilt dan het feit
dat zich vertilt aan de realiteit.

 
Het zijn vooral de abstracta in een gedicht als dit waar poëzielezers zich aan storen. En dan gaat het om zoiets als goede smaak.

Etty Hillesums ‘modderschrift’


Het was Etty Hillesums uitgesproken wens na de oorlog schrijfster te worden. Dat kan men op vele plaatsen in haar dagboek nalezen. Haar dagboek beschouwde zij een oefenschrift waarin zij tussen begin maar 1941 en oktober 1942, dus in een relatief kort tijdsbestek, in tien cahiers ongeveer 250.000 woorden neerschreef. Het waren er nog zo’n 25.000 meer, maar het zevende cahier is verloren gegaan. Zij had van haar schrijfkunst in deze fase van haar leven overigens geen hoge dunk, niet wetende dat twee van haar brieven in het najaar van 1943 zouden worden gepubliceerd.

Haar negatieve opinie kunnen we aflezen aan de woorden ‘klad’, ‘kladden’. Aan het begin schrijft ze met een zekere zelfspot: “Hè, hè, wat mooi geformuleerd, maar ik klad het maar neer …” (HW, 10.), maar ook veel later is ze nog kritisch: “Ik zit hier nu 1½ uur ongeveer te pennen en voel me nog akeliger en ontevredener dan toen ik begon. Dat komt, ik zit maar zo een beetje in het wildeweg te kladden.” (HW, 118.) Maar zelfs in een brief aan Spier gebruikt ze deze zinswending nog: “… ik klad het maar neer, zoals het toevallig uit de pen komt …” (HW, 588.)


Een pleidooi voor grondwettelijke universiteiten

Door Marc van Oostendorp

Soms is het nuttig wanneer iemand een mening verwoordt die je zelf eigenlijk al een tijdje koestert zonder dat je hem zelf al expliciet hebt gemaakt – omdat je dan ineens beseft wat er niet klopt aan die mening. Dat overkwam me eergisteren toen ik een lezing bijwoonde van de Britse wijsgeer David Carr die zijn publiek voorhield dat goede universitair docenten altijd óók de klassieke deugden zoals eerlijkheid en moed moeten voorhouden en voorleven aan hun studenten.

Ik was ik op een onnaspeurlijke wijze beland op een congres van Europese universitaire bestuurders, die me hadden uitgenodigd om iets te vertellen over mijn ervaringen met het maken van een MOOC. Maar ik mocht ook bij de andere lezingen zijn, die allemaal een of ander raakvlak hadden met onderwijs, al moet ik toegeven dat universitaire bestuurders zich op zulke hoge niveaus van abstractie begeven dat mij niet altijd precies duidelijk was wat het verband was.

dinsdag 27 oktober 2015

Dag van de Nederlandse zinsbouw

Op 20 november wordt de negende editie van de Dag van de Nederlandse zinsbouw gehouden. Het overkoepelende thema van dit jaar betreft de relatie tussen de synchrone syntaxis van het Nederlands en andere gebieden van de taalkunde. Iedereen is welkom: deelname is gratis.

De belangrijkste informatie vindt u hieronder. Voor praktische informatie en eventuele updates verwijzen wij u naar de DNZ-website.

Tijdstip: 20 november 2015, 9.30 -18.00 uur
Locatie: Radboud Universiteit, Erasmusgebouw E9.14 (A+B)

Lidwoord


In hoofdstuk vier van de roman Weerwater lezen we over de verhuisactiviteiten van Rudi en Bianca Ruwiel uit IJmuiden. Het is zondagochtend en beestenweer. Een onverwachte augustusstorm heeft het land ontwricht. Even spelen ze met de gedachte de laatste rit uit te stellen en te wachten tot de elementen wat kalmeren, maar het bed is al in het geleende busje geladen. Het enthousiasme van Bianca, die op het punt van bevallen staat, geeft de doorslag. Ze zegt: ‘Thuis is waar je bed staat. Kom op, Ruud, we gaan naar Almere.’. Even later turen ze langs de heen-en-weer zwiepende ruitenwissers naar het verkeer in de storm, onderweg naar hun nieuwe woning in de Hitchcocklaan in de Filmwijk.

Daar stop ik met lezen. Mijn oog blijft haken aan het laatste lidwoord dat mij overbodig voorkomt. Wie in het dorp waar ik woon gaat shoppen of stappen, verklaart we gaan naar de stad. Dan komt er altijd nog een vervolgvraag om te weten te komen of dat Haarlem is of Amsterdam. Wie in Almere in het nieuwe centrum wezen moet, kondigt eenvoudig aan: ik ga naar stad. 
In Den Haag woont men in de Schilderswijk, Amsterdam spreekt van de Indische buurt en in Arnhem kent iedereen het Spijkerkwartier. Maar in Almere heeft niemand het over de Stedenwijk, de Parkwijk en ook niet over de Filmwijk. De paar maanden dat schrijfster Renate Dorrestein in Almere vertoefde, waren niet genoeg om haar ook op taalgebied Almeerder met de Almeerders te laten worden. 

Verschenen: Onze Taal november 2015

November 2015

84ste jaargang nummer 11
Veel artikelen zijn los te koop bij eLinea en Myjour.
Meer lezen? Koop het losse nummer of word lid!


Mathilde Jansen
Omhoog en omlaag
Het Limburgs als toontaal

Als je het in het Limburgs hebt over iemands 'reet' moet je goed oppassen hoe je het uitspreekt. Het kan 'waterplant' betekenen, maar ook gewoon 'achterwerk', afhankelijk van de gebruikte toon. Taalkundige Ben Hermans over het bijzondere Limburgs.

Guus Middag
Praat mijn taal met me!
De vele varianten op 'Parijs' van Kenny B

Van Kenny B's succesnummer 'Parijs' ("Praat Nederlands met me!") verschenen talloze varianten: in het Amsterdams, Rotterdams, Haags, Westlands, Zeeuws, Tilburgs, Gronings, enzovoort. Wat voegen ze toe?
(Links naar alle filmpjes.)


Zien lezen doet lezen

Door Marc van Oostendorp

Het is een wat wonderlijk betoog, dat Lisa Kuitert houdt in haar boek Het boek en het badwater. Je vraagt je af waarom het eigenlijk geschreven is. Het wil een pleidooi zijn vóór het gedrukte boek, maar het belangrijkste argument daarbij lijkt te zijn dat er zoveel mensen van gedrukte boeken houden, dat ze liever papier in hun handen hebben dan een e-reader, enzovoort. Zodat je je afvraagt waarom er dan een pleidooi nodig is.

Het boek is bovendien heel expliciet óók geen pleidooi tegen e-books, want Kuitert meldt dat ze die zelf ook leest. Bovendien heeft ze Het boek en het badwater ook als e-book laten uitbrengen (dat is ook de vorm waarin ik het gelezen heb). Er hoeft dus volgens haar niet zoveel te veranderen; noch laat ze overtuigend zien dat er op dit moment tegenstanders aan het werk zijn die alles slopen wat haar lief is.

Waarom dan een schotschrift gemaakt? 

maandag 26 oktober 2015

Plaatsnamen lijken op de namen van balspelen

Door Marc van Oostendorp


Waarom, oh, waarom ligt de klemtoon in Dordrecht en Wageningen op de eerste lettergreep? Over de wonderlijke vorm van Nederlandse plaatsnamen is nu een artikel verschenen, dat geschreven is door de Duitse, nu in Amerika werkzame, taalkundige Björn Köhnlein. (Tot deze zomer werkte hij bij Duits in Leiden, waar hij ook promoveerde – bij mij – maar hij heeft ons helaas verlaten voor een beter beroepsperspectief.)

Voor zover bekend heeft iedere taal eigennamen – voor personen, voor plaatsen, voor sommige dingen. Die namen lijken in veel opzichten op gewone woorden: ieder van de klinkers en medeklinkers in Dordrecht en Wageningen zou zó in een doorsnee Nederlands werkwoord of bijvoeglijk naamwoord kunnen fungeren. Maar tegelijkertijd zijn namen niet helemaal hetzelfde als gewone woorden. Dat blijkt bijvoorbeeld uit die klemtoon.

Een schoone historie van Palmerijn van Olijve : Hoofdstuk 48



Een seer schoone ende ghenoechelicke
historie vanden aldervroomsten ende vermaertsten ridder

Palmerijn van Olijve,

sone van den coninck van Macedonien, ende van de schoone Griane,
dochter van Remicius, keyser van Constantinopelen,
de welcke vele wonderlicke avontueren in haren leven ghehadt hebben,
seer ghenoechelick ende playsant om lesen.

Eigenzinnig uit het Frans vertaald door een onbekende renaissancistische Amsterdammer [?]
in de oudste bewaard gebleven druk van Jan Janszen, Arnhem 1613.


Hoofdstuk 48 van de 139

Verantwoording (met naschriften)

Wie is wie in Palmerijn van Olijve?

Alle tot nog toe gepubliceerde hoofdstukken in één pdf:


zondag 25 oktober 2015

Neder-L-cartoon #79

De Taalprof verzint er nog ééntje

Congres 'Dialecten, namen en geschiedenis in de Oeter- en Itter-vallei'

De Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde,
in samenwerking met het gemeentebestuur van As en Veldeke As, nodigt u uit op haar

EENENVEERTIGSTE CONGRES

Thema: Dialecten, namen en geschiedenis in de Oeter- en Ittervallei
Plaats: Sint-Aldegondiskerkje
Sint-Aldegondisplein 5, 3665 As, België
Tel. +32 (0)486 90 31 54 (secretariaat VLDN – er is ter plaatse geen vaste telefoon)
Datum: Zaterdag 28 november 2015

Stervend Nederlands

Door Marc van Oostendorp

In mijn zondagochtendcollege vandaag aandacht voor het stervende Nederlands van Frans-Vlaanderen.


Het begin komt uit een video van Mark Ingelaere. Het besproken boek is het veertigste jaarboek De Franse Nederlandse / Les Pays Bas Français.

zaterdag 24 oktober 2015

Taalkabaal


Door Leonie Cornips

Op de Facebook-pagina van L1 was op 30 september deze stelling te lezen: ‘Dialect heeft geen functie; laat het maar uitsterven’. De begeleidende  tekst luidde: ‘Dialect wordt met uitsterven bedreigd, dat zeggen taaldeskundigen. Steeds minder mensen “kalle plat”’. Deze stelling leverde in twee dagen tijd 271 grappige, verontwaardigde, boze, ongeruste, vragende en lieve reacties op. Zestig mensen deelden deze stelling op hun eigen Facebook-pagina.

Taaldeskundigen zullen niet zeggen dat het dialect uitsterft. Zij zullen zeggen dat het dialect net als elke andere taal voortdurend in verandering is. Het dialect kan alleen uitsterven als iedereen tegelijkertijd zou beslissen om het niet te spreken. Daar is nu geen sprake van.

Neder-L-cartoon #78

De Taalprof denkt mee met Onze Taal op facebook*

De woordtjes alle drie

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (43)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?


Door Marc van Oostendorp

Wat is precies de omvang van een woord? Als je het Woordenboek der Nederlandsche Taal  mag geloven, kan het alles zijn: van 'belangrijke mededeeling' tot 'kleinste isoleerbare geheel van spraakgeluiden (kleinste isoleerbare zinsdeel) met een zelfstandige beteekenis'. En als we het WNT niet meer mogen geloven, wie of wat dan nog wel?

Maar hoe telde Pieter Corneliszoon Hooft (1581-16470) dan precies zijn woorden? Hoe kwam hij aan drie?

Mijn lief, mijn lief, mijn lief; soo sprack mijn lief mij toe,
Dewijl mijn lippen op haer lieve lipjes weiden.
De woordtjes alle drie wel claer en wel bescheiden
Vloeiden mijn ooren in, en roerden ('ck weet niet hoe)
Al mijn gedachten om staech maelend nemmer moe;
Die 't oor mistrouwden en de woordtjes wederleiden.
Dies jck mijn vrouwe bad mij claerder te verbreiden
Haer onverwachte reên; en sij verhaelde' het doe.
O rijckdoom van mijn hart dat over liep van vreuchden!
Bedoven viel mijn siel in haer vol hart van deuchden.
Maer doe de morgenstar nam voor den dach haer wijck,
Is, met de claere son, de waerheit droef verresen.
Hemelsche Goôn, hoe comt de Schijn soo naer aen 't Wesen,
Het leven droom, en droom het leven soo gelijck?



vrijdag 23 oktober 2015

Poëziedozen

Door Bart FM Droog

In 1938 bracht uitgeverij Bosch & Keuning Een schat van schoonheid uit. Deze bestond uit een doos met tien bloemlezinkjes uit het werk van 16e-18e eeuwse Nederlandse dichters. Die bloemlezingen waren in de voorgaande jaren verschenen als deeltjes in de succesvolle Libellen-serie. De prijs voor de doos bedroeg destijds fl. 3,50, wat omgerekend naar 2015 ongeveer € 33,41 zou zijn.

Nu, bijna tachtig jaar later, staat een nieuwe poëziedoos op punt van verschijning. Uitgeverij Passage hoopt binnenkort, bij voldoende inschrijvingen, 'De doos van Passage'  uit te brengen, Deze bestaat uit een cassette met tien bundels. Waarvan één, Ik proef iets wat bedorven is – hekeldichten, een bloemlezing is en de andere nieuwe dichtwerken zijn. En wel van Daniël Dee, Paul Gellings, Karel ten Haaf, Renée Luth, Ronald Ohlsen, Diana Ozon, Pauline Sparreboom, Irene Wiersma en Willem Jan van Wijk. De prijs bedraagt € 90,00. Omgerekend naar 1938 zou dat op circa fl. 9,42 en een halve cent neerkomen.

Bestellen kan hier: www.uitgeverijpassage.nl/content/view/404/56/

‘Amerika!’ - Congres van de Werkgroep De Negentiende Eeuw



Op 11 december 2015 houdt de Werkgroep De Negentiende Eeuw haar jaarlijkse congres, deze keer getiteld 'Amerika!'. Het congres vindt plaats in de Doelenzaal van de Universiteitsbibliotheek Amsterdam, Singel 425, Amsterdam.

Thema ‘Amerika!’
Vanaf het einde van de achttiende eeuw bestond er een drukke uitwisseling van contacten tussen Nederland (Noord-Nederland en Vlaanderen) en de Verenigde Staten van Amerika. Geleerden, kunstenaars, handelaren, toeristen en emigranten maakten de Atlantische oversteek. Al snel ontstond er een levendig verkeer van personen, goederen en ideeën tussen beide continenten. Politieke revoluties inspireerden elkaar over en weer en economieën raakten met elkaar verbonden. Grote hoeveelheden katoen, stoommachines, maar ook kunstcollecties werden verscheept naar de andere kant van de oceaan. Tegelijkertijd sprak Amerika tot de verbeelding van schrijvers, kunstenaars, avonturiers en het grote publiek. Op zijn beurt vormde Nederland aan het einde van de eeuw een inspiratiebron voor de Amerikanen op zoek naar een democratisch verleden: de tijd van ‘Holland Mania’. 

O, als jongeling


Over Als een beek van Kees Ouwens (2)

door Gert de Jager
 
Het eerste gedicht na het motto dat ons een paradijsillusie belooft, is dit: 

Hinde

Aan het water.

Ik rustte uit aan water.
De zon scheen daarop. Het pijnigt het oog te

kijken naar het brandend water.
Een vogel bad zijn vleugelslag op het rustpunt.

O, als jongeling hees mij een jeugd mijn poel uit.

Oude Erasmusvertalingen gedigitaliseerd

Door Ton Harmsen

Het verzameld werk van Erasmus is alleen al door zijn omvang verbluffend. Hij moet dag in dag uit vellen vol geschreven hebben om dat gigantische oeuvre te scheppen. Zijn bijdrage aan politiek, pedagogiek, theologie, filosofie en filologie dreunt alle eeuwen door. Hij heeft in de Nederlanden, Frankrijk, Engeland, Italië en Duitsland gewoond en gewerkt, totdat hij in 1536 in Zwitserland begraven werd. De grote Roterodamus schreef geen woord in zijn moedertaal. Maar er zijn 74 verschillende titels van hem in het Nederlands vertaald, sommige verschillende malen. Alleen al de productie van deze eeuw (ik bedoel de laatste vijftien jaar) is indrukwekkend: de Lof der Zotheid verscheen in veelvoud, de uitgave in Rotterdam van de integrale correspondentie is halverwege en een kloeke serie (inmiddels zes delen) bij Athenaeum geeft een goed gespreid beeld van het oeuvre. We zitten om de vertaalde Erasmus niet verlegen.

Een bijzonder gegeven is de bekendheid van Erasmus in het zestiende-eeuwse Amsterdam. Het cultuurcentrum in de zeventiende eeuw, maar hoe zat het in de eeuw daarvóór? In de periode 1524 tot 1600 zijn mij maar liefst 17 Nederlandstalige in Amsterdam gedrukte Erasmiana bekend, terwijl toneelstukken in Amsterdam pas gedrukt werden vanaf 1582; van dat jaar tot 1600 verschijnen in Amsterdam 18 toneelteksten, waarvan zes in het Latijn. Wie slechts het toneel bestudeert ziet Amsterdam in de eerste drie kwart, ja vier vijfde van de zestiende eeuw als een vissersdorp; wie het humanisme bestudeert ziet het als een geleerdenparadijs.

Oproep: lacunes in datasets voor neerlandistisch onderzoek

Binnen de geesteswetenschappen van de KNAW ontwikkelt een consortium momenteel plannen om een onderzoeksagenda voor de toekomst (2025) te formuleren, getiteld DESIDERIA (Dutch Extensible and Searchable Infrastructure for Digital Explorative Reading and Information Analysis). Die agenda is gericht op onderzoek aan de hand van grote tekstcorpora en sluit aan bij huidige (inter)nationale projecten als CLARIN en CLARIAH. De agenda bouwt voort op bestaande projecten door op drie cruciale punten naar vooruitgang in reeds aanwezige tekstuele digitale infrastructuren te streven. Het accent ligt hierbij op infrastructuren rond Nederlandstalig materiaal, materiaal dat zich voor een belangrijk deel in Nederland bevindt, en taalbeschrijvingen die door Nederlandse onderzoekers zijn gemaakt.

Een van de drie actiepunten betreft het onderzoeken welke lacunes er zijn in bestaande datasets die bias veroorzaken met betrekking tot de mogelijke representativiteit van de genereerde data waardoor vernieuwend onderzoek kan worden belemmerd, en hoe die lacunes met behulp van crowdsourcing kunnen worden opgelost. Daarvoor hebben we een enquête opgesteld. Wij zijn er erg mee geholpen als zoveel mogelijk onderzoekers en collectiebeheerders deze enquête invullen. De enquête is hier te vinden:

https://docs.google.com/forms/d/1LewrawQERiguWTF7kahcUq7gKiYRywRAdFeK5CuTr0E/viewform

Voor vragen en opmerkingen kunt u terecht bij coördinator Nicoline van der Sijs (post@nicolinevdsijs.nl) of onderzoeksassistente Anna Kirstein (anna.kirstein@meertens.knaw.nl).

Fast auß dem Holländischen

Door Marc van Oostendorp

Dat wij hier vanuit Leiden en Amsterdam een weblog maken in het Nederlands en niet in het Duits, dat had je tweeduizend jaar geleden toch ook niet kunnen zien aankomen. Er was in die tijd weinig reden om aan te nemen dat wij zouden vinden dat we een andere taal spreken dan de Dusseldorpers, terwijl de laatsten op hun beurt dan wél weer dezelfde taal spreken als de mensen in München en Berlijn. Er werden overal in onze contreien allerlei – overwegend – Germaanse dialecten gesproken, die op allerlei manieren door elkaar liepen. En pas in de afgelopen pakweg vijfhonderd jaar zijn wij een andere taal.

Onder meer dat verhaal wordt verteld in Jelle Stegemans Handbuch Niederländisch. Sprache und Sprachkultur von den Anfängen bis 1800. Het is een boek dat vermoedelijk geschreven is met Duitse studenten in het achterhoofd, al valt het denk ik ook goed te lezen door wat wel 'de geïnteresseerde leek' genoemd wordt – degene die misschien geen officiële taalkundige training ambieert, maar bereid is om iets te leren.


donderdag 22 oktober 2015

Berichten uit Jakarta

Germanist en neerlandicus Jaap Grave verblijft drie maanden in de Indonesiche hoofdstad Jakarta, waar hij lesgeeft aan de Universitas Indonesia. Op de blog van Ons Erfdeel brengt hij verslag uit van zijn wedervaren, met bijzondere aandacht voor het Erasmus Taalcentrum (ETC) in de stad. Het ETC was een van de onderwerpen in het conflict eerder dit jaar tussen de Nederlandse Taalunie en de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (zie ook dit Ons Erfdeel-artikel). Op Ons Erfdeel staat nu het eerste van drie blogberichten.

Etymologie: kwalm

Door Michiel de Vaan

kwalm zn. ‘dikke damp’
Nnl. qualm, quallem (Steendam, 1649), kwalm (1820) ‘vettige rook’, opkwalmen (1806).
Verwanten: Oudfries quelma ‘(in rook) doen stikken’. Nieuwhoogduits Qualm m. ‘walm, damp’ (niet voor de 16e eeuw aangetroffen) is volgens Seebold25 afkomstig uit het Nederduits, maar daarover bestaat onzekerheid.

kwelm zn. ‘kwelwater’
Mnl. quelm m. ‘grond waaruit het grondwater opwelt’ (1402), qualm ‘opwelling, opborreling’ (1477), santqwalm ‘opborreling van zand’ (1477), Nnl. quelm ‘grondwater, kwelwater’ (1561), de oirsaeck der opspringing des quelmwaters en welsants (Stevin, 1608), quelmsant ‘kwelzand’ (1624). In moderne dialecten kwelm, kwulm (Vlaanderen, Limburg), kwelp (Oost-Vlaanderen, Zeeland) ‘grondwater, kwelzand’.

Bredero's onbekende: de tragikomedie Stommen Ridder weer op de planken

Amsterdam, 21-10-2015 

Bredero is tegenwoordig vooral bekend als de koning van de kluchten, maar schreef ook tragedies waarmee hij in de Gouden Eeuw vaak meer lof en waardering oogstte dan met het kluchtenrepertoire. Stommen Ridder verscheen kort na de dood van Bredero in 1618 en bleef gedurende de 17e-eeuw één van zijn meest gespeelde stukken. Op 23 januari 2016 neemt Theater Kwast het stuk in de serie Mond op Mond eenmalig op het repertoire. 

Wetenschapsagenda en geen gesprek

Door Marc van Oostendorp

Was de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) maar een experiment geweest, dan had hij tenminste kunnnen mislukken.

Helaas, het was geen wetenschappelijke proef maar een project waar zich tevoren al het ministerie en de KNAW, NWO, de VSNU en Beatrice de Graaf achter hadden gesteld. Dus zitten we nu met een project dat door allerlei gremia geprezen zal worden om het verbluffende succes.
De bedoeling van de wetenschapsagenda was om het publiek bij de wetenschap te betrekken. Ook mensen buiten de muren van de academie mochten meebepalen welke vragen er in het onderzoek zouden worden gesteld; zo zou de kloof tussen onze ivoren torentjes en hun straat worden gedicht. Daartoe werd er een website geopend waarop iedereen zijn vragen kon plaatsen, alsmede een Twitter-account.

Groot is de respons niet geweest.

woensdag 21 oktober 2015

Het reisverhaal van Coenraad Ruysch. Deel XIII: Van Florence tot Genua

Wij publiceren hier een kritische editie van het reisverslag van Coenraad Ruysch, verzorgd door Alan Moss van de Radboud Universiteit Nijmegen. Hieronder staan links naar de tot nu toe verschenen delen:

Alan Moss heeft ook een eigen, informatieve, website.

De emancipatie van?!

Door Marc van Oostendorp

Het feit dat niet op de voorpagina's van alle weblogs heeft gestaan dat Voor altijd voor het laatst van Tjitske Jansen het Nederlandse taalbouwwerkje van het jaar is, betekent dat het boekje wordt onderschat, vind ik. De dichteres is zich sinds haar succesvolle debuut uit 2003 langzaam aan het transformeren in een prozaschrijfster, maar op de omslag van dit verhaal, dat alle kenmerken heeft van een verhaal, is sprake van "net als in haar vorige bundels". Het lag bij Athenaeum trouwens ook bij de poëzie.

De tjitskejansenstudies zullen nog een hele kluif hebben aan dit boekje. Ik wil alvast wijzen op één detail: de  emancipatie van het dubbele leesteken ?!

Dat is een leestekencombinatie die je om de een of andere reden als geletterde schrijver niet hoort te gebruiken. Ik kom hem zelden tegen in proza dat literair wil zijn, of officieel, of zefs neutraal. Hij hoort eerder bij stripverhalen, tekstjes van pubers en woedende ingezondenbrievenschrijvers. Ik denk dat je hem zelfs niet op school leert.

En toch heeft hij een eigen betekenis, en een eigen functie.

dinsdag 20 oktober 2015

Studiemiddag SVVT



Op vrijdag 6 november 2015 organiseert de Stichting Vrouwengeschiedenis van de Vroegmoderne Tijd (SVVT) een studiemiddag rond het thema Emoties in de vroegmoderne tijd.

De geschiedenis van emoties is al enkele decennia een rijzende ster binnen het internationale onderzoek naar de vroegmoderne cultuurgeschiedenis. Ook Nederland blijft niet achter en in 2011 is het onderzoekscentrum ACCESS (Amsterdam Centre for Cross-Disciplinary Emotion and Sensory Studies) opgericht: een interdisciplinair platform dat een keur aan wetenschappers bijeenbrengt die de culturele productie en expressie van emoties bestuderen. Als locatie voor de studiemiddag is gekozen voor de thuisbasis van ACCESS, de Vrije Universiteit van Amsterdam waar, op dit moment de tentoonstelling ‘Compassie in de vroegmoderne tijd’ te bezichtigen is.

Het programma bestaat uit een inleiding op de tentoonstelling van samensteller Kristine Steenbergh. Vervolgens zullen twee van de oprichters van ACCESS, Inger Leemans en Erika Kuijpers, spreken over hun recente onderzoek.

Alle (praktische en inhoudelijke) informatie over de studiemiddag is te vinden op de website van de SVVT: http://vroegmodernevrouwen.com/2015/09/25/save-the-date/

Uit de archieven van ’t Meertens Instituut: de proefkaart ‘etter’


door Jan Stroop



’t Vakgebied dat mijn werkterrein werd toen ik in 1966 aangesteld werd bij ’t Dialectbureau, ’t latere Meertens Instituut, was de taalgeografie, meer in ‘t bijzonder de woordgeografie. Dat is   een vakgebied dat zich bezighoudt met de
verspreiding van heteroniemen en de verklaring van hun verspreidingspatronen op de landkaart. De woordgeograaf verzamelt de verschillende benamingen (heteroniemen) voor een bepaald begrip of een voorwerp, meestal door middel van vragenlijsten. 

De vragenlijsten die ’t Dialectbureau jaarlijks naar zijn correspondenten rondstuurde waren ook met dat doel opgesteld. De binnengekomen vragenlijsten werden dan doorgenomen om te zien of de antwoorden op een bepaalde vraag voldoende variatie vertoonden. Was dat ’t geval dan werden de antwoorden een voor een op fiches genoteerd die vervolgens naar naamtype geordend werden.

Schrijven PVV’ers een apendialect?

Door Marc van Oostendorp

Mag je iemand ooit afrekenen op een taalfout? Mag je bijvoorbeeld in een discussie over willekeurig onderwerp naar voren brengen dat je tegenstander een woord verkeerd gespeld heeft? 

Het lijkt mij dat beschaafde mensen zoiets niet doen; net zoals je iemand nooit voor de voeten mag werpen dat hij een raar kapsel heeft. De uitzondering is natuurlijk: als iemand zich erop laat voorstaan dat hij altijd foutloos Algemeen Beschaafd Nederlands spreekt of dat zijn kapsel altijd zoveel beter is dan dat van anderen. 

In alle andere gevallen is het taboe. Het is onbeleefd en het gaat er bovendien volkomen ten onrechte vanuit dat een fout in het Nederlands iets anders onthult dan wat het is: een ander idee over wat de norm is, of minder belangstelling ervoor. Er bestaat bijvoorbeeld bij mijn weten geen aangetoonde correlatie tussen het aantal fouten in iemands taalgebruik en zijn algemene intelligentie, de gehechtheid aan zijn moeder of de mate van vaderlandslievendheid. Sommige mensen vinden foutloosheid om de een of andere reden belangrijk en andere niet, precies zoals sommige mensen veel moeite besteden aan hun coiffure en andere niet.

De verleiding is natuurlijk altijd groot, bijvoorbeeld als het gaat om politieke tegenstanders en dan natuurlijk vooral als het gaat om tegenstanders die zich laten voorstaan op hun patriottisme of hun grote belezenheid.