Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

vrijdag 13 november 2015

Vondels Altaergeheimenissen in het Engels vertaald

Door Ton Harmsen

Christopher Joby is een productief schrijver. Publicaties over Huygens’ veeltaligheid wisselt hij af met studies het Nederlands in de zestiende en zeventiende eeuw in Engeland, en met vertalingen van Hoofts Warenar, Vondels Zungchin en Michiel de Swaens Gecroonde leersse. Hij is van huis uit anglicaans theoloog, en heeft een fascinatie voor talen: hij kan Vlaams en Hollands nadoen. De neerlandicus Dick van der Mark heeft in Rome theologie gestudeerd en schrijft een proefschrift over Vondels vertaling van de Gerusalemme liberata van Tasso. Zelf vertaal ik al twintig jaar VOC-documenten in het Engels met Aziatische historici, en ik heb de technieken van zeventiende-eeuwse retorica en stilistiek bestudeerd. Alledrie zijn we van mening dat Vondel de grootste Nederlandse dichter van de zeventiende eeuw is: zijn poëzie is een warme douche die je geestelijk en lichamelijk verkwikt.

Dit triumviraat heeft jarenlang gewerkt aan een vertaling van Vondels Altaergeheimenissen. Een groot leerdicht over de eucharistie uit 1645, ruim vierduizend verzen over theologische subtiliteiten, waarvoor Vondel Latijnse bronnen excerpeerde. Er bestaat een omvangrijke literatuur over (van Pater Zeij tot Frans Kellendonk) en er komen honderden woorden in voor die uiterst zeldzaam zijn, waarvan de betekenis uit de context en uit de theologische literatuur moet worden vastgesteld. Het was een langdurig project, omdat we alleen konden samenwerken als Chris in Nederland was: soms maakten we een grote sprong voorwaarts als we ons een tijd konden verschansen in de datsja van Dick in Zutendaal, recht tegenover het huis van Jeroen Brouwers bij wie we grote mokken koffie dronken. Hij was bezig met het hout, een heel ander geheimenis. Het was een mooie tijd, en ook net op tijd, want Chris doceert nu Nederlands aan de Universiteit van Seoul - tussen droom en daad staan heel veel kilometers in de weg.

Maar dit project hebben we afgerond. Het resultaat is te zien op de site van de opleiding Nederlands in Leiden: daar staat een uitgave van de tekst, met in de kolom ernaast de vertaling in het Engels. Gemakkelijk is deze tekst niet. Er is wel één voordeel: als je iets niet begrijpt weet je in elk geval zeker dat het aan jezelf ligt, en niet aan Vondel. Bij liedbundeltjes en kluchten moet je je er nog wel eens van afmaken door te zeggen dat de tekst waarschijnlijk corrupt is, of dat de zin een anakoloet is – bij Vondel kan je net zolang doorzoeken totdat je de oplossing hebt. Naar ons gevoel hebben we die ook bijna altijd gevonden, soms na een lange discussie waarin de mogelijkheden werden afgetast.
Vondel begint, na een uiterst korte propositio, met een knapgevonden captatio benevolentiae. Wie het eerste hoofdstuk van het retoricaboek heeft gelezen weet: je moet de toehoorder benevolum, attentum en docilem maken, ‘ghoedt-willigh, an-daghtigh en leerzaam’ zoals het schoolboekje van Vossius het formuleert. Zo doet Vondel dat in de eerste verzen van het eerste boek:

            Ick zing van Godts Altaergeheimenissen;
            Van d’Offerspijs der heilige offerdisschen;
            Van Offereere, en eeuwige Offerhant.
            Wat Serafijn, wat Goddelijck trouwant
            (5) Zal, daer de Kerck gevult met zoom en slippen
            Van Godts gewaet, nu mijn besmette lippen
            Toch zuiveren met vier van ’t hoogh Altaer?
            [...]
            Hoe durf een worm dan ’t Offerweb beginnen?
            Wat zegh ick? kan een zyworm zydraet spinnen:
            Bestelt een visch ons purper: en bekleên
            (20) De worm en visch gekroonde mogentheên:
            Wat schroomte kan my dienen tot verschooning;
            Indien ick nu den Bethlehemschen Koning
            En zijne kribbe ontzegh mijn’ offerplicht;
            Het arm geschenck van een Altaergedicht?    

In de tweede en derde versregel noemt Vondel de onderwerpen van zijn drie boeken: Offerspyze, Offereere en Offerhande. Zoals het klassieke epos dat ook altijd in de aanhef doet: ‘Ik zing van de wrok van Achilles’ of ‘Ik zing van de wapens en de man’. Na deze propositio komt een ingewikkelde (en ietwat enge, met dat altaarvuur op zijn besmette lippen) maar mooie gedachte, die je pas kan volgen (wij hadden dat niet meteen door) als je weet dat vers 18b geen vraagzin is, maar een voorwaardelijke bijzin: als een zijdeworm het kostbare zijde kan maken, en als een vis – al was het maar een slak – purper kan produceren (toch dieren die minder zijn dan de mens, in de ogen van de humanist Vondel, en zo humanistisch hoef je daar niet voor te zijn), en als zijde en purper gewaardeerde geschenken zijn voor koningen, hoe kan ik Jezus dan het armzalige geschenk weigeren, dat mijn gedicht over het altaar is?

In het Engels klinkt het zo:

            How does a worm dare to begin to weave a web of Sacrifice?
            What am I saying? If a silkworm can spin a silken web:
            If a fish can bring us purple; and if the worm
            (20) And fish clothe crowned powers:
            Then what fear can serve me as an excuse,
            If I now withhold the sacrifice I owe
            The Bethlehem King and his crib:
            The meagre gift of an Altar-poem?

(Komt Vondels jambische pentameter dan nooit voor in onze vertaling? Jazeker: “Man may propose what can or cannot happen: // What God desires and consents to, does happen.” En dat was altijd reden tot enorme feestvreugde.)

In zulke passages helpt de vertaling Nederlandse lezers bij het begrijpen van Vondels tekst.

Vondel laat het verhaal grotendeels vertellen door drie raadgevers, in elk boek geeft hij er één het woord: Johannes de evangelist, de Godvruchtigheid, een aartsengel, en Paulus de apostel. Zij krijgen alledrie hun eigen domein, zij vertellen Vondel over drie aspecten van het sacrament, de heilige hostie, de geestelijke voorbereiding op het ontvangen ervan en het ritueel waarmee de hostie genuttigd wordt. En als ze klaar zijn met hun verhaal reizen ze weer terug naar de hemel. Johannes wordt gedragen door zijn arend:
Zoo sprack Sint Jan, en d’arent, snel en vlugh
Van slaghveêr, droegh zijn meester op den rugh,
Van waer hy quam: de zon verzonck, en daelde:
Ick sleet den nacht met dencken aen ’t verhaelde.
Zo geeft Vondel het leerdicht een speelse en toch strakke structuur. De drie hemelse vertelinstanties bespreken elk hun aspect tot in het kleinste detail, niet alleen met citaten uit de bijbel en de theogie, maar ook met prachtige anecdotes. In wezen is dat een klassieke epische techniek. Vondel past hem in zijn theologisch leerdicht bijzonder effectief toe.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.