Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

maandag 9 november 2015

Liever sterke mannen dan stervende mannen

Eindelijk een volwassen Nederlandse hexameter

Door Marc van Oostendorp

De hexameter-oorlog gaat een nieuwe fase in. In de afgelopen decennia hebben Imme Dros en H. J. de Roy van Zuydewijn allebei vertalingen gemaakt van de Ilias en de Odyssee, en dat ging niet zonder gekibbel over wie nu het juiste ritme getroffen had.

Nu ja, voor zover ik kan zien kwam het gekibbel vooral van De Roy van Zuydewijn, die in 1980 een eerste vertaling publiceerde van de Ilias (herzien in 1993) en in 1992 een van de Odyssee. De laatste verscheen daardoor net iets later dan die van Imme Dros, en je krijgt de indruk wanneer je bijvoorbeeld dit artikel leest dat De Roy van Zuydewijn zich achtergesteld voelde bij zijn collega. Vooral de manier waarop ze het Homerische ritme in het Nederlands overzette, stuitte op kritiek. Dat was lang niet zo zuiver als De Roy het zelf deed.

Nauwelijks ontwikkeld

Vorige week heeft Dros nu ook een vertaling van Ilias gepresenteerd, en ook daarover gaan mensen met een bepaalde opvatting van de hexameter in zogenoemde vakpers vast weer klagen. Ik denk alleen dat die opvatting de verkeerde is.
De hexameter is in het Nederlands een ondergeschoven kindje. Er zijn sinds de negentiende eeuw redelijk een paar vertalers van bijvoorbeeld Homeros en Vergilius geweest die zich aan het genre hebben gewaagd, maar heel veel zijn dat er niet geweest, en oorspronkelijke gedichten zijn er in de vorm nauwelijks geschreven – laat staan dat er onsterfelijke dichtregels in geproduceerd zijn die ieder kind kan produceren.

Het genre is dus eigenlijk 2500 jaar na Homeros in het Nederlands nauwelijks ontwikkeld. Dros zet volgens mij een logische stap in het ontwikkelen van een Nederlandse hexameter.

Grieken

Wat was dat ook weer, die hexameter? Hij bestaat bij de Griekse epen uit zes voeten. Ieder van die voeten is zelf een opeenvolging van eerst een lange lettergreep, en dan nog een lange of twee korte, een dactylus. Alleen de laatste voet bestaat altijd uit twee lettergrepen, en daarbij mag de laatste ook kort zijn. Bovendien zijn er een aantal regels over na welke lettergreep in de regel altijd een nieuwe woord moet beginnen en waar in de regel naast elkaar staande lettergrepen juist per se in hetzelfde woord horen te staan.

We hebben eigenlijk geen idee hoe dat geklonken moet hebben voor die Grieken. Voor dat verschil tussen 'lange' en 'korte' lettergrepen, en het feit dat twee korte lettergrepen op de een of andere manier 'hetzelfde' klinken als een lange, daarvoor hebben wij geen gehoor, eenvoudigweg omdat het niet in het systeem van onze taal zit.

Probleem

Sinds de Renaissance doen Nederlandse dichters daarom als een beklemtoonde lettergreep in onze taal 'lang' is en een onbeklemtoonde 'kort', maar dat is waarschijnlijk niet eens een benadering van hoe het Grieks heeft geklonken.

Voor sommige ritmes is het dan nog wel te doen. Klassieke Nederlandse versvoeten zijn jamben (kort-lang of onbeklemtoond-beklemtoond) en trocheeën (lang-kort of beklemtoond-onbeklemtoond). Daarbij doet het probleem van twee kort = een lang zich in ieder geval niet voor. Maar bij de dactylus kom je om dat probleem niet heen. Laat staan dat ooit iemand zich bij mijn weten heeft bekreund over welke lettergrepen er nu wel of niet samen in een woord mogen staan.

Rawie

Het is daarom een beetje overdreven om, zoals critici van Dros doen, haar te verwijten dat ze geen 'zuivere' hexameters schrijft in het Nederlands, want het is onmogelijk om in het Nederlands iets te schrijven dat ook maar bij benadering lijkt op een Griekse dactylus. Iedereen is precies even onzuiver.

Je kunt er daarom voor kiezen om een vertaling te maken in een genre dat in het Nederlands wel goed ontwikkeld is, de zogenoemde jambische pentameter (vijf jambes op rij, zo schreven Kloos en Nijhoff en zo schrijft Jean-Pierre Rawie nog steeds), zoals Patrick Lateur enkele jaren geleden deed in zijn vertaling van de Ilias.

Lossere vorm

Maar Dros doet iets anders: zij ontwikkelt een eigen ritme dat weliswaar (dus) afwijkt van de klassieke vorm, maar die aan een aantal interessante eigen eisen voldoet: ze zet daarmee misschien wel een nieuwe stap in de richting van een volwassen eigen Nederlandse jambische hexameter.

Ik heb tot nu toe vooral de metriek van Boek 1 bestudeerd, maar op basis daarvan alleen vallen al wel een paar dingen te zeggen. De basis zijn in ieder geval zes voeten, waarbij iedere voet in ieder geval begint met een beklemtoonde lettergreep, die gevolgd wordt door één of twee andere lettergrepen. Die andere lettergrepen zijn niet per se, maar meestal wel onbeklemtoond.

Dat is dus een wat lossere vorm, maar dat geldt niet voor de laatste twee voeten. Voet 5 bestaat, voor zover ik kan vaststellen altijd uit een beklemtoonde en twee onbeklemtoonde (of duidelijk minder beklemtoonde) lettergrepen. Voet 6 is altijd een trochee.

Rusteloos ruisend

De vorm voldoet daarmee aan een vormkenmerk dat je in misschien wel alle poëtische tradities vindt: versregels zijn aan het eind regelmatiger dan aan het begin. (Ik heb daar hier weleens over geschreven.)

Bovendien voegt Dros een aardig klankeffect toe: dat van alliteratie. In het verleden is Homeros ook weleens vertaald met regels met eindrijm, maar dat maakt het maken van een vertaling wel heel lastig. Alliteratie blijkt veel beter te werken: je hoeft die niet in iedere regel toe te passen, en bovendien: doordat het steeds het begin is van de voeten die allitereren, worden die beginnen nog even naar voren gehaald:
  • Stilletjes sloop hij langs de rusteloos ruisende zee weg (Boek 1, r. 34)
  • zal hij toch wrok blijven koesteren tot hij wraak heeft genomen (Boek 1, r.82)
  • ik heb ook liever sterke mannen dan stervende mannen (Boek 1, r. 117)
Briljant

Het verschil met de opvatting van De Roy is dat de regels minder golven, ze zijn minder van je tamtata-tamtata-tamtata-tam, er zit meer afwisseling in. Een regel als de laatste, met (sterke) (mannen dan) (stervende) (mannen), zou De Roy zich denk ik niet veroorloven. Maar hij is natuurlijk juist mooi: twee zelfstandig naamwoordgroepen met een voetstructuur die precies tegenover gesteld is: tweelettergrepig sterke tegenover drielettergrepig sterkere, drielettergrepig mannen dan tegenover tweelettergrepig mannen. En de alliteratie die zeker maakt dat je weet waar iedere voet inderdaad begint.

Ik vind dat briljant gevonden. De kans is misschien klein dat er nog oorspronkelijke meesterwerken in zo'n vorm geschreven worden, maar mij lijkt de hexameter hiermee eigenlijk eindelijk een net zo authentiek Nederlands genre te zijn geworden als de jambische pentameter. 


Guus Middag publiceerde afgelopen vrijdag een zeer positieve recensie van Dros' vertaling, waarin de hexameterkwestie overigens onvermeld blijft.
Patrick Lateur, de man van de vertaling in jambische pentameter, schreef een aardig overzicht over Ilias-vertalingen door de eeuwen heen. Anneke Neijts oratie,
Fijndradige weefsels, uit 1993, ging overigens over de hexameters van De Roy van Zuydewijn. Helaas staat die oratie geloof ik niet online.


1 opmerking:

  1. Mooi inderdaad, alsof ze de Germaanse stafrijmtraditie met de Griekse samensmeedt.

    Nu vraag ik me wel af hoe Tsjechische, Slowaakse of Hongaarse vertalingen klinken. Dat zijn wel echt talen die lange en korte lettergrepen onderscheiden, en dat onafhankelijk van de klemtoon. Het ritme van die talen is vrij eigenaardig. Toch zal dat ook niet echt het oorspronkelijke Grieks benaderen, dat moet immers tonen hebben gehad. Zou een Litouwse vertaling in de buurt komen?

    BeantwoordenVerwijderen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.