Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

vrijdag 27 november 2015

Kluchten van Jan Zoet en Jan Vos bij Ceneton

Door Ton Harmsen 

Een appel en een ei lopen door de Kalverstraat. Hoe is het nu, vraagt het ei gemeen, om geplukt te worden? Nou, zegt de appel, wacht jij maar tot je een kip bent. Net zo als de mop speelt de klucht een spelletje met aristotelische waarschijnlijkheid en logica. Het is een fictioneel genre, een gestileerde weergave van de realiteit, dus we moeten ons erbij neerleggen dat de werkelijkheid niet getrouw wordt weergegeven. Maar we moeten de klucht wel serieus nemen, en hoge eisen stellen aan opbouw en stijl. In de zeventiende eeuw verschenen er meer dan 200 kluchten in de Nederlanden, de achttiende eeuw produceerde er nog eens ruim 300. Twee kluchtspelen zijn onlangs bij Ceneton uitgegeven: de klucht van Jochem Jool (1637) door Jan Zoet en de eerste druk van de klucht van Oene door Jan Vos (1642). W.J.C. Buitendijk heeft verschillende latere edities uitgegeven – ook te vinden bij de DBNL.

De auteurs zijn elkaars tegenpolen: Jan Zoet, door zijn biograaf Rudolf Cordes omschreven als “een kleurrijk schrijver”, heeft een veelbewogen leven van politieke verwikkelingen, mislukte carrières en godsdienstige experimenten geleid. Jan Vos, de productieve lofdichter en regisseur van de schouwburg, was een gezien man, niet uit een rijke of belangrijke familie, maar sociaal zeer gewaardeerd. Jan Zoet schreef 11 toneelstukken waarvan ooit één herdrukt is; Jan Vos schreef er drie, waarvan in totaal meer dan zeventig edities bekend zijn, plus een groot aantal beschrijvingen van toneelversieringen en tableaux vivants. Dat Jan Vos, die aan de Schouwburg verbonden was, zijn stukken veel meer opgevoerd heeft zien worden, spreekt voor zich.

De kluchten van Zoet en Vos verschillen kwalitatief. Die van Jan Zoet is in alexandrijnen, Jan Vos maakt verzen van verschillende lengte. Dat laatste hoort bij de conventies van de klucht, maar desondanks zijn de alexandrijnen van Zoet veel poëtischer. Het spel van Jan Zoet heeft een hechte structuur en een acceptabele intrige, dat van Jan Vos staat vol uitweidingen en hangt van toeval en ingevingen aan elkaar. Daar komt bij dat de laatste zijn intrige aan Zoet ontleend heeft. Plagiaat? Zo moeten we dat niet zien, in de kluchtliteratuur werd niet naar een originele intrige gestreefd; ook Jan Zoet haalt zijn stof uit een Duits Pekelharingspel (Pekelharing is een komische figuur die graag en veel zingt). De stukken gaan over een sullige echtgenoot die door zijn buurman bedrogen wordt; hij merkt dat en hij kondigt aan de tovenaar Lubbert Glasoog (bij Jan Zoet) of (bij Jan Vos) een ‘heyen’ (heiden, zigeuner, waarzegger) te gaan consulteren. Hiermee brengt hij zijn vrouw en de buurman (een molenaar) op een idee: ze maken hem wijs dat hij door tovenarij de gedaante van de buurman aangenomen heeft. Dan scheldt zijn vrouw hem uit, waardoor hij overtuigd is van haar kuisheid.

De uitwerking van dit gegeven is heel verschillend. Bij Jan Zoet wendt Hans de molenaar zich tot Lubbert Glasoog, en vraagt hem zo vriendelijk te zijn hem voor korte tijd zijn tovenaarskleed uit te lenen, zogenaamd om een arme vrouw te helpen die door haar man geteisterd wordt. Lubbert Glasoog is een kluchtig figuur, met weinig woorden toont hij zijn wijsheid. De molenaar is geïmponeerd door Lubbert, maar durft hem toch te bedriegen:

            Hans: Gendach men vrient. Lubbert: Gendach. Hans: Ick souje graegh wat vraghen:
            Soo ’t je believen was te hooren nae men reen.
            Lubbert: Ghenogh, vraegh watje wilt. Hans: Maer hoort hier isser een
            Die van men Maaghschap is, en die schier alle daghen
            Sen Vrou met dronckenschap, met kijven, en met slaghen,
            Soo jammerlijck temteert, dat het een steenen hert
            By nae ontroeren sou: nu om haer dese smart
            En alle daaghsche quel, een weynigh te verdrijven,
            Was ons u dienst van nood, soo ghy ons wout gherijven.
            Lubbert: Genogh, seght maer waer mee. Hans: Maer dat ghy so veel deed,
            En liende te gheval, een weinigh dit u kleed?
            Ick salt met u versien. Lubbert: Mijn kleed, sou dat de kraghten
            Dan hebben om de smart der Vrouwen te versaghten?
            Hans: Soo ghy soo veel wilt doen, ick weet dat haer de pijn,
            En hem de jalousy, sal haest verdreven zijn.
            Lubbert: Jae! is hy dan jalours? Hans: Och ja: te uytermaten,
            Soo sonder achterdoght een Man komt by haer praten
            Soo barst hy uyt sen vel. Lubbert: Dat Leer is al te taey:
            Maer is de Vrunt dan sot! of leutert hem de kaey?
            Meent hy door jalousy de Vrouw haer lust te toomen? (vs. 200-217)

Hier komt Hans dus met een gemene smoes om zich meester te maken van het habijt van de tovenaar, met de vooropgezette bedoeling Jochem Jool wijs te maken dat hij het uiterlijk van zijn rivaal kan aannemen. Als Jochem de verklede Hans tegenkomt is hij een weerloos slachtoffer. Het overspelige stel maakt Jochem wijs wat ze willen, zodat hij concludeert dat zijn vrouw kuis is als Lucretia, en de geliefden hun praktijken kunnen voortzetten.

Bij Jan Vos ontbreekt de persoon van de tovenaar; de buurman-molenaar haalt een tovenaarscostuum uit de verkleedkist. Dat maakt de intrige veel minder doortrapt, en ook minder waarschijnlijk dan het spel van Jan Zoet.

W.J.C. Buitendijk heeft de klucht van Oene uitgegeven naar een fors uitgebreide editie, die meer de intenties van de auteur zou weergeven. De structuur van deze versie is echter nog zwakker: zelfs in de eerste druk valt al op dat verschillende personages, vooral Oene zelf, zeer breedsprakig zijn, en dat is in de latere versies alleen maar erger. De eerste druk is nu bij Ceneton te vinden; deze versie leent zich het beste voor vergelijking met het spel van Jan Zoet.

Is er dan niets goeds over de klucht van Oene te vertellen? Zeker wel. Deze kluchten staan in de traditie van de zangspelen waarin Pekelharing de hoofdrol heeft. Jan Vos weet de muzikale intermezzi perfect te gebruiken. Fijtje, de overspelige vrouw, zingt een schunnig lied over een minnaar die niet kan vrijen; als hij het ook niet kan na het eten van een omelet en eieren is hij een sukkel:

            De Dochter tegen de Moeder sprack:
            Sijn hert is as ien Turff,
            Want hy en kanme niet fymelen,
            Fymele, Fymele, Fymelen,
            Al was ’t oock dat ick sturff.
            Gae backt hem dan ien struyf van Ayren,
            En schenckt hem dan de wijn,
            En kan hyje dan niet fymelen,
            Fymele, fymele, fymelen,
            Soo moet hy ien hoetelaer zijn.

Maar zodra zij Oene in het oog krijgt zingt zij huichelachtig een religieus lied:

            Holla daer isme man, ick moet wat anders neuren.

            Alleermen komt ter eeren, siet
            Soo moetme veele lijden,
            Joseph die leed soo veul verdriet,
            Eer hy quam tot verblijden,

Het verhaal heeft dus geen moraal. De kijker ziet hoe het misgaat als je een sul bent, maar de goeden worden niet beloond en de kwaden worden niet gestraft: de overspeligen maken alweer een nieuwe afspraak.

http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Ceneton/ZoetJool1637.html
http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Ceneton/JanVosOene1642.html