Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

zondag 29 november 2015

Column 101: Voer voor filologen: Tekstkritiek via de achterdeur, of hoe een Amsterdamse druk uit 1640 een (hardnekkige) fout in een Parijse druk van ca. 1510 kan verbeteren.

Door Willem Kuiper

Nadat de arme 13-jarige Helena van Constantinopel aan een afgedwongen huwelijk met haar eigen vader ontkomen is door in het holst van de nacht met een schip te vluchten, gaat zij aan land nabij Sluis in (Zeeuws) Vlaanderen. Vlaanderen was toen nog woest en Saraceens en heette destijds Vautembron. Een lastig te begrijpen naam, ook voor middeleeuwers. Zelf houd ik het op een vervorming van Val tenebreux: Duister Dal. In dit heidense woeste land staat een nonnenklooster, en daar vindt Helena onderdak. Maar als de koning van Vautembron hoort dat er een bloedmooi jong meisje in dat klooster ingetreden is, eist hij haar op. En als hij zijn zin niet krijgt, zal hij het klooster met alle nonnen in de fik steken. Helena vlucht naar de kust en krijgt daar een lift van een koopvaardijvaarder. Maar eenmaal op de hoge zee worden zij overvallen door Saraceense piraten die het hele schip uitmoorden, behalve dan Helena. De kapitein heeft andere plannen met haar. En als zij daar geen zin in heeft, zal hij haar overboord gooien. Helena beseft dat verzet zinloos is en vraagt om uitstel om even te mogen bidden. Het wordt haar toegestaan, “Maar houd het alsjeblieft kort, Car sçachiés, vo biauté me fait moult desirer / De vo bouche baisier et de vous acoler ».” Dan volgt zo’n typisch chanson de geste-gebed, waarin de hele heilsgeschiedenis in het kort wordt naverteld, eindigend in een smeekbede voor het behoud van haar maagdelijkheid. Helena is nog niet uitgesproken of donder en bliksem, wind en regen overvallen het schip, en dat blijkt niet bestand tegen deze Goddelijke krachten van de natuur. Het vergaat met man en muis. Alleen Helena vindt een plank in het water die groot genoeg is om haar drijvend te houden, waarna zij op de derde dag aanspoelt in de monding van de Thames nabij het “Noef Castel” in de omgeving van Londen.

Nadat zij erin geslaagd is de oever te bereiken wordt zij gespot door Henry, de jonge koning van Engeland, die daar zijn tijd verdrijft in een landschap met bomen en een bron / fontein, dat veel weg heeft van een ‘locus amoris’, een plaats die zich bovengemiddeld goed leent om verliefd te worden en / of de liefde te bedrijven. Voor de gelukkige lezers die het middeleeuws Frans beheersen, citeer ik het chanson de geste, ed. Jelle Koopmans, aan het einde van deze column. Voor hen die deze voor medievisten onmisbare vaardigheid nog niet verworven hebben, vat ik de gebeurtenissen samen.
     Henry ziet tot zijn verbazing bij die bron Helena zitten en begroet haar vriendelijk. Maar nadat hij zijn ogen de kost gegeven heeft, doet hij haar een amoureus voorstel: “Voorwaar, wat bent u mooi! Als u mij oprecht wilt beminnen dan heeft u in mij uw vriend gevonden, meisje.” Maar het meisje heeft geen zin in l’amour, zij heeft na twee dagen ronddobberen op zee vooral zin in eten. Als Henry hoort dat zij al drie dagen niet gegeten heeft, pakt hij hij haar bij haar ceintuur / middel en zegt: “Kom maar gauw mee, dan zal ik u mooi en goed vlees geven.”

In de prozaversie van de weduwe van Jehan Treperel gaat het er anders aan toe:
Advint que Henry partit de Londres, luy et sa gent, et entra dedans le vergier ou H[e]layne estoyt, moult pasle et esplouree. Si tost qu’il apperceut la pucelle, il se tira vers elle et regarda qu’elle estoit toute vestue de drap d’or, mais elle estoit souillee de fange de la mer. Le roy mist le pied a terre et se assist emprés d’elle et luy demanda qui elle estoit, et dont elle venoit la. Et elle, qui estoit foible et matte, si luy dist : « Sire, ne me demandez riens. Mais je vous requiers pour Dieu que j’aye un pou de pain, car le cueur me fault ». Adonc dist le roy a son aumosnier : « Apporte du pain et du vin ». Mais la dame estoit esvanouie sur le giron du roy. Et luy mist du pain en sa bouche tant qu’elle revint a elle. Lors mengea du pain et beut du vin, tant qu’elle fust en bon point par raison.
Henry is met een gevolg uit Londen vertrokken en komt in de boomgaard, waarin zich de uitgeputte Helayne bevindt. Zodra hij het meisje ziet, gaat hij op het meisje af en ziet dat zij in goudlaken gekleed is, alsook dat zij door het zeewater bevuild is. De koning stijgt af, gaat naast haar zitten (in het gras) en vraagt haar wie zij is, en waar zij vandaan komt. Uitgeput zegt zij dan: “Vraag mij niets, heer, maar geef mij uit liefde voor God wat brood, want anders ga ik van mijn graat.” Toen zei de koning tot zijn aalmoezenier: “Breng brood en wijn!” Maar de vrouw was al flauw gevallen in de schoot van de koning. Hij stopte brood in haar mond totdat zij bijkwam. Daarna at zij brood en dronk zij wijn totdat zij weer helemaal bij bewustzijn was.
     Het gaat om de zin: “Et luy mist du pain en sa bouche tant qu’elle revint a elle.” Deze zin is letterlijk en dus ook woordelijk blijven staan in de herdrukken van Dauphine Lotrian, weduwe van Nicolas Chrestien en die van de weduwe van Jean Bonfons. En toch is hij fout. Iemand die bewusteloos is, stop je geen brood in de mond. Zo iemand zou stikken. Dat wist men heel goed in de Middeleeuwen, want het waren noodgedwongen akelig praktische mensen.
     In de druk van Broer Janszoon, Amsteram 1640, zo’n 130 jaar later dan de druk van de weduwe van Jehan Treperel, staat de correcte lezing:
Als nu Helena by nae doot in den boomgaert sat, so quam daer coninck Henrick spaceren met sijn edelen ende vondt de schoone maecht daer sitten ende seyde: “Jonckvrouwe, hoe komdy hier, en[de] wie heeft u kleederen so bedorven?”
     Doen seyde Helena: “Heere, en vraeght my nu niet meer, maer doet my een luttel broots of ’t herte sal my beswijcken.”
     Met dien viel sy in onmachte. Ende de coninck hiel haer hooft in sijnen schoot ende stack haer kruyt inden mont soo datse weder bequam.
Mijns inziens is er in de Franse druk sprake van ‘anticipatie’: een verminking van de tekst door een woord dat nog moet komen. De zetter heeft vooruit gelezen en dan kan het je gebeuren dat je zo’n anticipatie fout maakt. Het tegenoverstelde komt ook voor, en dat noemen wij ‘perseveratie’: de zetter herhaalt een woord en verminkt daardoor de tekst. Zie hier een voorbeeld van een perseveratie fout in dezelfde Franse druk:
❡ Comment anthoine henry et amaury qui estoyent partis dangleterre conquirent bordeaulx sus gironde puis vindrent a tours et conquirent les deux enfans
In het Nederlands: Hoe Anthoine, Henry en Amaury, die uit Engeland vertrokken waren, veroverden Bordeaux aan de Gironde en vervolgens in Tours kwamen en de twee kinderen veroverden. Wie met het Frans van de zetters van de weduwe van Jehan Treperel vertrouwd is, weet of ziet dat hier ‘cogneurent’ dat is: leerden kennen, had moeten staan. En inderdaad, als je kijkt naar de herdrukken van de Dauphine Lotrian en de weduwe van Jean Bonfons, dan lees je daar achtereenvolgens:
❡ Comme Anthoine / henry / et Amaury qui estoient partis Dangleterre / conquirent Bordeaulx sur Gironde. Puis vindrent a Tours / et cogneurent  les deux enfans.
❡ Comme Anthoine / Henry / et Amaury qui estoyent partis de Angleterre conquirent Bordeaux sur Gironde : puis vindrent a Tours / et cogneurent  les deux enfans.
Ziet u en passant hoe ik de loop der jaren de tekst leesbaarder gemaakt wordt voor het oog?

Deze fout werd dus wél opgemerkt en verbeterd. Die met “du pain” niet. Dit fenomeen, dat iemand bij kennis gebracht wordt met een kruid in de mond, kwam mij bekend voor. Maar toen ik ernaar op zoek ging in mijn digitale bibliotheek kon ik niets beters vinden dan deze passage uit hoofdstuk 11 van de contemporaine roman Palmerijn van Olijve, waarin ook een behandeling met koud water en azijn wordt toegepast:
     Lyomenus en hadde nauwelicx dese woorden uytgesproken oft Florendos seech neder ter aerden, ende vallende riep hy met luyder stemmen seer deyrlic: “Eylaci mijn Godt, hebt ten minsten barmherticheyt met mijn siele, naedien dat het lichaem alle syn leven lanck soo [C2vb] ongeluckich geweest is!”
     Ende dit geseyt hebbende verlieten hem alle de crachten zijns levens, ende alle syn natuerlicke macht maeckten plaetse dit accident des tegenspoets, so dat hy niet meer [e]n aessemden noch sprac noch hem beweechden, maer veel meerder apparentie des doots als des levens was vertoonende, so dat den ridder vermeynden synen doot daer present te zijn ende liep seer haestelick roepen Frene, den welcken dit ongeluc verstaen hebbende, dede syn beste om door eenige middelen daerinne te mogen remedieren, maer wat hy seyde oft dede, so en conde hy nochtans in hem de sprake niet weer verwecken geduerende den tijt van vierentwintich uren, niet tegenstaende dat hy hem gaf alle de vertroostingen die hy bedencken conde. So dat hy dede halen eenen ouden heremijdt, die een seer grooten vrient was van Florendos, den welcken gecomen zijnde ende siende de extremiteyt ende den noot vanden armen quelende minnaer, badt God devotelicken dat Hy woude deyrnisse met hem hebben, ende daer na gebiedende datmen hem applicierden eenige cruyden waer van hy de crachten kennende was, door de welcke in den prince een weynich tijts daer na wederom verweckt worden alle zijne levendighe geesten, soo dat hy begonde de oogen open te doen.
Mocht ik een betere bewijsplaats vinden – je vindt immers zelden wat je zoekt, maar vaak iets dat je ook zocht – dan zal ik die alsnog toevoegen.

*     *
*

Zal ik u nog een voorbeeld geven van een groteske fout in de Franse druk die kritiekloos werd nagedrukt door Dauphine Lotrian en de weduwe van Jean Bonfons, terwijl de correcte lezing bij Broer Janszoon te vinden is.
     Nadat Helena gehoord heeft dat haar vader en echtgenoot gesneuveld zijn in het Heilig Land besluit zij Tours te verlaten en naar Rome te gaan, omdat hun lichamen daarheen gebracht zijn:
Hoe Helena van Tours reysde nae Roomen.
[21]
Als de schoone Helena een langhe wijl te Tours ghewoont hadde, soo hoordese segghen hoe dat coninc Anthonis van Constantinopolen, haer vader, ende coninck Henric van Engelant, haer man, vande Turcken verslaghen waren, ende dat hun lichamen te Roomen waren ghebracht.
Dit is de vertaling van Treperel:
❡ Comment la royne helaine se partit de tours pour aller a romme. Et comment elle eschappa de la chambre au roy heurtault et de sathan qui cuyda faire regnier Dieu a Martin.
   
CY reuiendrons a helaine qui se partit de tours pour cause que elle ouyt dire que les crestiens estoient desconfitz en suse que son pere et sa mere estoient mors et les auoit on apportez a Romme dont elle eut telle destresse au cueur quelle dist quelle yroit.
Het gaat om “son pere et sa mere”, dat wil zeggen: haar vader en haar moeder. Maar haar moeder is helemaal niet naar het Heilig Land vertrokken, dat was ‘son mary’, haar echtgenoot, Henry, de koning van Engeland. Door weet ik welke psychische contaminatie werd ‘son mary’ verlezen als ‘sa mere’ en is blijven staan bij Lotrian én Bonfons omdat het zo’n logische combinatie is.

*     *
*

Hoe kan het dat de druk van Broer Janszoon op deze twee plaatsen wél de juiste lezingen bevat, terwijl die niet bewaard gebleven is in zestiende-eeuwse Parijse drukken? Er zijn twee verklaringen. La belle Hélène de constantinople is ook in Lyon gedrukt, een boekenstad bij uitstek, en misschien heeft de vertaler zijn exemplaar daarvandaan? Ik heb (nog) niet de beschikking over kopieën van drukken uit Lyon, vervaardigd door Jacques Arnoullet in 1524 en 1528, en kan dus niet nagaan of daar ‘herbes’ in plaats van “pain” staat en ‘mary’ in plaats van “mere”. Waarschijnlijker echter lijkt mij de mogelijkheid dat de ‘Nederlandse’ vertaler een niet overgeleverde (Parijse) druk gebruikt heeft, waarin het wél goed stond. In hoofdstuk 23 laat de duivel, nadat hij erwten gestrooid heeft, Martin in het holst van de nacht bijna doodvallen van de trap, als hij naar de metten wil gaan. Weer terug in bed krijgt Martin een visioen, waarin Marie Magdaleine, de moedermaagd Maria en haar moeder Anne hem met een balsumbus genezen. Anne heet bij Broer Janszoon Agnes, evenals in het chanson de geste: Agnies / Anjes (r. 11.115, 11.117). Ra ra, hoe kan dat? Maar zeker is dat zelfs zeventiende-eeuwse herdrukken van laat-middeleeuwse prozaromans onverwacht betrouwbare kroongetuigen kunnen zijn.


Bijlage:

XXVI

Or est le belle Elaine en le mer sans batel
Par dessuz une planque, flotans sans nul revel.
Dedens ung brach de mer est entree en cautel,
Jusqu’en l’iaue de Thine s’en va sans baquetel.
Trois jours fu sur le planque, ains ne menga morsel.
Tant flota que sur Thine parchut le Noef Castel.
Le planque va a rive par delés ung rainsel
Par le miracle Dieu, qui vit le ceur loiel
D’Elaine le roïne, que lui a fait apel.
Elaine s’aherdi tost a ung abrisel
Et monta a le terre dedens ung gardinel.
Une clere fontaine trouva lés ung aubel,
La endroit est assise, sans joie et sans revel ;
A plourer commencha, menant piteux chembel.
A icelle parolle vé vous ung damoisel,
Qui moult avoit le corps et honneste et ynel.
Richement fu montés par dessus ung morel ;
D’Engleterre fu rois couronnés de nouvel.
Henry avoit a non, moult y ot bel dansel,
Tant par avoit le corps et gracïeux et bel
Qu’il n’avoit son pareil en ville n’en hamel.
Quant Elaine le vit entrer ens ou praiel
Elle torcha ses yeux de son riche mantel,
Car les larmes li queullent jusques o haterel,
Si que moulliét en fu le siglaton roiel.  (1116-1140)

XXVII

Quant Henris, li bons rois, a veü le pucelle
Que tenrement plouroit dessus le fontenelle,
Il broche le cheval, ou moult ot riche selle.
A Elaine est venus et puis en hault l’apelle :
« Dieux vous veulle garder », dist li rois, « demoiselle ! »
Elle dist : « Bien veingniés », se main a se masselle,
Puis va terquier ses yeux de se robe nouvelle
Et li rois descendi, que mie ne chancelle ;
Par delés le roïne s’asiét sur le praielle.
Tant le vit belle dame et de maniere ynelle
Qu’amours ly va lanchier ung dart en sa fourcelle.
Puis a dit bellement : « Par foy, moult estes belle !
Se me voliés amer de bonne amour loielle
En moy ariés trouvé ung vostre amy, danselle ».
- « Sire », che dist Elaine, « par le roiaux ancelle
Que Jhesus alaita de se douche mamelle,
Je n’ay tallent d’amer, en che fait suis ynelle.
Ains mengeroie bien, car li ceurs me sautelle
D’angousse et de famine qu’en mon corps s’amoncelle,
Car .iii. jours a passés, dont mon dueol renouvelle,
Que ne mengay de pain, se ne suy pas plus belle ».
Et quant Henris l’entent, parmy le chainturelle
Le print et se ly dit : « Venés vous ent, danselle,
A mengier vous donray viande bonne et belle ».  (1141-1164)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.