Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

donderdag 29 oktober 2015

Etymologie: prijken

Door Michiel de Vaan 

prijken ww. ‘pronken’

Vroegmiddelnederlands priken ‘de handen in de lucht steken’ of ‘in de handen klappen’ (1265–70), Laatmnl. priken ‘ophef maken’ (1390–1410), priker ‘snaarspeler’ (1479), prikersse ‘snaarspeelster’ (1479), en met een andere klinker preycken (1477); Nnl. prijcken ‘zich opzichtig gedragen, pronken; in het oog vallen’ (1524), ‘talmen, aarzelen’ (1550; meestal in sonder lang prijcken); prikinge ‘overwinningsfeest’. Moderne dialectvarianten: Westvlaams prieken ‘op kraambezoek gaan’, Limburgs prieker ‘weifelaar; vitter’. Het langdurig stilstaan of -zitten tijdens het ‘pronken’ verklaart de latere overgang naar ‘aarzelen’. Verwant: Mnd. prēkenpronken’.

Indien de woorden teruggaan op het Westgermaans, veronderstellen ze *prīk- en (voor Mnl. preycken en Mnd. prēken) *praik-. Qua betekenis en vanwege pr- ligt het voor de hand om prijken te verbinden met pronken, Mnd. prunkenpronken, pralen’, en met Mhd. branc, pranc ‘pralerij, pronk’, Mohd. prangen ‘prijken’, Engels prank ‘pronken’, prink ‘zich opdirken’. Die wijzen op WGm. *prunk-, *prank-, *prink-. Het Middel- en Nieuwnederlandse prangen ‘klemmen, drukken’ heeft dezelfde vorm als Hoogduits prangen ‘prijken’, en gaat, getuige Gotisch ana-praggan ‘drukken, dringen’, op een oudere variant PGm. *prang- terug. De overgang van ‘drukken’ naar ‘pronken’ heeft zich mogelijk via ‘vastklemmen’ en ‘vastgeklemd, zichtbaar zijn’ afgespeeld, al kan specifiek voor prijken vanwege de oudste betekenis ook aan ‘de handen samendrukken’ > ‘opvallen’ gedacht worden.

Naast *prangan- bestond het iteratief *prakkōn- ‘persen, prakken’, dat in Nederlands prakken bewaard is (Kroonen 2013: 399; de Indo-Europese etymologie van het werkwoord is onzeker). De k van *prakkōn- is ingevoerd in het oudere *prang-, waardoor pronken en de andere boven genoemde nk-varianten ontstonden. Prijken moet als variant van prakken zijn ontstaan, maar de herkomst van de *ī in prijken is niet duidelijk. Mogelijk hoort hierbij ook Mnl. prighen ‘zich inspannen, strijden’, waarvan priegelen ‘peuteren’ afstamt; maar daarover een andere keer.