Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

donderdag 8 oktober 2015

Etymologie: ontbreken

Door Michiel de Vaan 

ontbreken ww. mankeren

Vmnl. untbreken (Nederrijn, 12701290), ontbreken (West-Vlaanderen, 1285) ontsnappen aan (+ datief of genitief); in de steek laten (+ dat.); ontbreken, mankeren (+ dat.). Intransitief ww. Mnl. ontbreken ook nog uit de slaap wakker schrikken en met geweld losrukken; bevrijden. Nnl. ontbreken betekent nog maar zelden losbreken, meestal mankeren. Zn. ontbrek (1642) gebrek zeer sporadisch.

Samenstelling van breken met het voorvoegsel ont- dat hier weg van betekent. Oorspronkelijk zowel persoonlijk gebruikt (ontsnappen aan, in de steek laten) als onpersoonlijk (iets ontbreekt aan iemand), maar nu alleen maar onpersoonlijk: Het ontbreekt mij, niet: Ik ontbreek hem/haar. In de betekenis ontkomen aan wordt nu uitbreken gebruikt.

Verwanten: Mnd. en(t)breken, un(t)breken losbreken, ontbreken, bevrijden; onderbreken, remmen, Mhd. enbrechen, Vroegnieuwhoogduits entbrechen losbreken, ontgaan, ontbreken, zich bevrijden.

In de betekenis niet aanwezig zijn, missen, mankeren’ gebruikt het Nederlands tot en met de zeventiende eeuw vaker dan ontbreken het ww. gebreken (zo ook het Oudfries met breka uit *ga-brekan), waarvan nog het zn. gebrek in onze taal is bewaard. Opvallenderwijs komen bij gebreken de betekenissen ‘ontsnappen aan, in de steek laten’ niet voor, terwijl die bij ontbreken juist primair lijken te zijn. Aangezien Gotisch gabrikan nog ‘in stukken breken’ betekent, zal gebreken ‘missen’ uit het beeld van ‘in stukjes gebroken zijn, stuk zijn (en daardoor onvolledig)’ komen. Daarnaast moet het Duits-Nederlandse ontbreken via de geschilderde perspectiefwisseling vanuit ‘losbreken uit, ontsnappen aan’ tot stand zijn gekomen.