Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

donderdag 1 oktober 2015

Etymologie: erpel

Door Michiel de Vaan 

erpel zn. mannetjeseend

Mnl. erpel (1350-1400?) m. woerd, erpelstert eendestaart, staartje van een man (13901410), Vnnl. erpel, aerpel (1599). Dialectisch is erpel (met varianten aarpel, elper, ulper, enz.) vooral thuis in Oost-Vlaanderen en oostelijk West Vlaanderen, sporadisch wordt het ook gevonden in West-Limburg (erpel, reppel) en in het Ripuarisch (erpel). Geen directe verwanten buiten dat gebied. Oostnederduits erpel, arpel, arbel, is door Zuidnederlandse kolonisten in de Middeleeuwen in oostelijk Duitsland ingevoerd (Teuchert 1944: 139, 3479, met kaartjes).

Het woord is een l-afleiding van Proto-Germaans *erpa- donkerbruin, dat in Ohd. erpf, Oudengels eorp, Oudnoors jarpr bruin is voortgezet, en betekende dus bruintje. Andere afleidingen van dat adjectief zijn Oudnoors jarpi hazelhoen (*erpan-) en de persoonsnamen Oudsaksisch Erp(o), Ohd. Erpf(o).

Het Germaanse woord kan uit Proto-Indo-Europees *h1erbh-nó- komen, waarin pretonisch *-bn- tot -pp- werd. Indien Duits Rebhuhn patrijs, Ohd. rebahuon, een volksetymologische aanpassing aan Rebe wijnrank is, zou het op een Germaanse variant *erban- uit PIE *h1erbh-on- terug kunnen gaan. De Germaanse woorden worden vergeleken met Grieks órphnē duisternis, nacht, dat uit *h1orbh-n-o- kan komen, en Proto-Slavisch rębŭ bont, gevlekt, waarvoor *h1re-n-bh-o- gereconstrueerd moet worden (Kroonen 2013: 118). In alle gevallen zou dus een PIE n-stem aan de basis staan.

Literatuur: Hermann Teuchert. 1944. Die Sprachreste der niederländischen Siedlungen des 12. Jahnhunderts. Köln/Wien: Böhlau.