Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

donderdag 20 augustus 2015

Addenda EWN: baren, gebaren

Door Michiel de Vaan

baren ww. schreeuwen

Oudnederlands baroda openbaarde, rebaredos jij hebt blootgelegd (*ir-bar-) (Wachtendonckse Psalmen, 10e eeuw), Vroegmiddelnederlands baren tevoorschijn brengen, bekendmaken (12761300), zich vertonen (12651270), tekeergaan (1287); daarnaast verbaren tonen, verschijnen (1285). Ook na 1300 betekent baren meestal verschijnen of tonen, en slechts af en toe zich aanstellen, tekeergaan. In het Vroegnieuwnederlands komt baren, baeren (1530) frequent voor als tonen, zich vertonen; na 1700 verdwijnt deze betekenis. Baren razen, schreeuwen, brullen, loeien(1599) komt tot ca. 1800 in literaire bronnen voor, daarna is het alleen een dialectwoord (bijv. Noordhollands beren schreeuwen).


Verwanten: Middelnederduits baren tonen, aanklagen, Oudhoogduits barōn onthullen, Oudfries baria, Oudwestfries bēria bekendmaken, klagen. Samen stammen ze af van een denominatief werkwoord *barōjan, een Westgermaanse afleiding van het bn. *bara- bloot (zie Ned. baar bloot), dat ook in openbaar zit. De oorspronkelijke betekenis van dit baren was dus blootleggen.

gebaren ww. gebaren maken

Vmnl. geberen (12651270) naast ghebaren (1285) zich gedragen; tekeergaan. In de dertiende eeuw vinden we systematisch geberen in Brabant, Limburg en aan de Nederrijn, tegenover gebaren in Vlaanderen. Dat klinkerverschil wijst op een Westgermaanse klinker *ǣ met i-umlaut, die in het Oostnederlands ee of ieë werd maar in het Westnederlands, zonder umlaut, aa opleverde (zoals bijv. in schaar en haring). De betekenis tekeergaan heeft zich via aanstellen uit gebaren maken, zich gedragen ontwikkeld. Zowel zich vertonen als tekeergaan blijven in het Mnl. naast elkaar bestaan. Nnl. ghebaren heftige gebaren maken (1528), veinzen (1653). Zie het lemma gebaren in EWN voor verdere details, zoals dat de huidige betekenis gebaren maken recent is, en wschl. onder invloed van het zn. gebaar is ontstaan.

Verwanten: Oudsaksisch gibārian, Mnd. gebēren, Oudhoogduits gibāren, gibārōn, Mhd. gebæren, gebāren (Nhd. gebaren), Oudengels gebǣran zich gedragen.

Daarnaast het zn. gebaar zn. geste, dat al in het Oudnederlands geattesteerd is. Zie het EWN s.v. gebaar voor de details. Bij gebaar bestaat in het Vroegmiddelnederlands dezelfde klinkerverdeling als bij gebaren, nl. tussen westelijk ghebare en oostelijk gebere. Het zn. gaat terug op PGm. *ga-bǣr-ja-, met als verwanten onder andere OS gibāri, Mnd. gebere, Ohd. gibāri zich gedragend, OFri. ibēr m. (*ga-bǣr-) en bēre v. uiterlijk vertoon, gebaren.

Een andere afleiding is Mnl. ghebaerde (13151330), gheberte (Limburg), Nnl. gebaarde (tot ca. 1900, literair) die overeenkomt met OS gibāritha manier van doen, uiterlijk, Mnd. geberde, Ohd. gibārida gedrag, Mhd. gebærde, Nhd. Gebärde gebaar, manier van doen. Met een andere voorvoegsel: misbaar, dat vanwege Mnd. misberen eerder *bǣrja- bevat dan *bara-.

De recentste etymologische woordenboeken claimen dat gebaar werd afgeleid van het ww. gebaren zich gedragen. Dat lijkt me minder waarschijnlijk dan het omgekeerde, omdat de ablautvariant *bǣr- in het Germaans vooral in nominale formaties thuis is (zoals in het suffix Ned. -baar uit *bǣri-). Bovendien is het prefix ga- in *ga-bǣr-ja- gedrag verklaarbaar als collectiefprefix, terwijl het in *ga-bǣr-jan- zich gedragen, tekeergaan niet de perfectieve betekenis vertoont die ga- in werkwoorden meestal heeft. Dit *bǣr-ja- is uiteindelijk afgeleid van de zeer productieve Germaanse wortel *ber- dragen, waaruit o.a. Ned. ont-beren en baren voortbrengen (ouder beren) voortkomen.


Nnl. baren tekeergaan en gebaren tekeergaan zijn in oorsprong dus twee geheel verschillende woorden. Pas door de samenval van gerekte korte *a met de oude lange *ǣ, die zich na 1200 in een deel van het Nederlands voltrok, zijn de woorden homoniem geworden.