Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

zaterdag 11 april 2015

O mond daeruyt dat stort de jeughd' haer soete sanghen

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (15)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp


Met de Oost-Vlaming Justus de Harduwijn (1582-1636) begon de zeventiende eeuw voor het Nederlandse sonnet. Hoewel hij niet oud werd, schreef hij in korte tijd een oeuvre te schrijven waarin bijna alle thema's van zijn tijd aan de orde komen – en dan vooral de liefde voor de vrouw en voor God. Hij deed dat bovendien in een vorm die volmaakt was. De laatste decennia van de zestiende eeuw waren interessant geweest omdat de dichters op zoek waren naar die vorm. Bij Harduwijn was dat zoeken afgelopen.

Ongeveer vierhonderd jaar geleden, in 2013 brak door met een bundel van (vooral) sonnetten, die bijna allemaal liefdesgedichten waren. (Dat was onder andere enigszins apart omdat hij een katholieke priester was; daar kom ik in een latere aflevering van deze reeks nog op terug.)

Hier is het vierde sonnet uit die reeks:


O blond-ghestruyvelt hair! hair dat de Sonn' beraeyt,
Dat mijn ionck-iaerigh hert hauwt soo stranghe bevanghen,
O tanden van yvoir! o snee-wittighe wanghen,
Die t'pinceel van Apell' met purpur heeft befraeyt!

O lipkens, daer uyt dat Liefde sijn schichten saeyt!
O mond, daer uyt dat stort de Jeughd' haer soete sanghen,
O wel-besneden handt, die om mijn pijn t'herlanghen
Onsteeckt van nieus de torts, die eens was uyt ghewaeyt!

O ooghskens, biende vreught, en droefheydt van ghelijcke!
O borstiens, die besit Cupido voor sijn rijcke!
O keel, diens zoet gheluyt zoo langh in d'oore blijft!

O cuskens, die my dwaes ydel troost-hope gheven!
O zoet-zuerighe spraeck, die nu smeeckt, en nu kijft!
Ghy doet my duystmael s'daeghs hersterven en herleven.

(Justus de Harduwijn, De weerlijcke liefden tot Roose-mond; Sonnet IV)

De man wie

De Harduwijn schreef dit gedicht duidelijk nog vóór een ontwikkeling zou plaatsvinden die nog altijd mensen woedend kan maken. Hij schreef namelijk over een keel diens zoet geluid, en dat doet nu natuurlijk niemand meer: iedereen schrijft in dit geval wiens.

Het is die verandering van d- naar w-woorden die al eeuwen aan de gang is. Niemand zegt meer de stad daar ik woon – het is nu waar ik woon. De meeste mensen zeggen al niet meer het boek dat ik las: dat moet wat ik las zijn voor het moderne taalgevoel – al wordt die ouderwetse vorm nog wel geschreven. En langzaam maar zeker gaat ook de allerlaatste vorm er aan: over een paar honderd jaar klinkt de man die in plaats van de man wie net zo vreemd als de keel diens geluid.

Regels

Er is nog een andere vorm die De Harduwijn nog met een d gebruikt: O lipkens, daeruyt dat Liefde en O mond, daeruyt dat stort. In beide regels zou je nu waaruit zeggen en schrijven. Maar er is nog iets vreemds aan die regels: dat is het dat wat daaruit meteen volgt.

Het lijkt me het soort dat wat we nog steeds vinden in (dialect)zinnen zoals ik wie niet wie dat er komt, of de liefde waarover dat jij zulke mooie sonnetten schrijft: een soort dat wat aangeeft dat we hier te maken hebben met een bijzin, het zelfde dat als dat in 'ik zie dat je schichten zaait' (een dat wat nooit van zijn lang zal zijn leven vervangen zal worden door wat: nooit hoor je iemand zeggen 'ik zie wat je schichten zaait'; het zoveelste bewijs dat taalverandering regels volgt.)

Vrouwelijk

Zo bezien is het eigenlijk een beetje wonderlijk dat sommige mensen dat weglaten in bijzinnen zoals O lipjes daaruit dat Liefde zijn schichten zaait. Een uitbreidende bijzin is nog altijd een bijzin. Er wordt wel gedacht dat dit is omdat daaruit en dat eigenlijk op dezelfde plaats in de zin staan: de plaats waar de elementen staan die aangeven om wat voor zin het hier gaat (een bijzin dus). Veel talen staan dat niet toe: in het Engels kun je niet zeggen I know who that comes.

Maar in de regel over de mond is nog iets aan de hand. Daar staat het werkwoord namelijk niet in de bijzinsvolgorde: de regel luidt immers niet O mond, daeruyt dat de Jeughd' haer soete sanghen stort, maar dat stort staat ergens vooraan. Je kunt zeggen dat dit met het rijm te maken heeft: deze regel had een vrouwelijk rijm nodig, en dat geeft zo'n verbogen werkwoord nu eenmaal niet.

Stort

Maar de vraag is: waarom staat het werkwoord in plaats daarvan onmiddellijk na dat? Voor het rijm maakt het immers niet uit, het had net zo goed bijvoorbeeld O mond, daeruyt dat de Jeughd stort haer soete sanghen kunnen zijn (al had dat iets minder goed in het metrum gepast).

De volgorde die De Harduwijn koos, ligt in de buurt van die van de vraagzin:
  • Waaruit de jeugd haar zoete zangen stort? [vreemd]
  • Waaruit de jeugd stort haar zoete zangen? [nog vreemder]
  • Waaruit stort de jeugd haar zoete zangen? [prima]
In een vraagzin met een vraagwoord komt het werkwoord altijd onmiddellijk na dat vraagwoord te staan. Volgens sommige syntactici is dat precies de positie die het voegwoord inneemt in de bijzin. Maar als dat allemaal waar is, is die positie dus drie keer gevuld in daeruyt dat stort. Dat kon De Harduwijn dus kennelijk doen, in die vroeg zeventiende-eeuwse grammatica van hem.

Dit sonnet is wordt onder andere besproken in een artikel van F.A.J. Dambre uit 1969 in Spiegel der Letteren. Dambre was dé grote Harduwijn-kenner van de 20e eeuw.




Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.