Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

woensdag 8 april 2015

Goede ideeën veranderen de wereld

Of over hoe te leren van je fouten
Door Sophie Reinders

Voordracht gehouden op het symposium “Luid zingend op een ijsschots de zomer tegemoet”, ter gelegenheid van de 60ste verjaardag van Nicoline van der Sijs.

Toen ik gevraagd werd om op dit congres iets over mijn onderzoek en de toekomst van de geesteswetenschappen te vertellen, zei ik meteen ‘ja, leuk!’. Dit verzoek kwam net voor de protesten aan de universiteiten écht losbarstten, voor de Maagdenhuisbezetting 2.0, Rhetink UvA en voordat honderden mensen met honderden meningen zich mengden in honderden debatten in alle media over ‘de Nieuwe Universiteit’, de toekomst van kleine universitaire studies, de discussies over rendement, managementlagen en hoe het voortaan allemaal wel en allemaal niet moest. Ik verdronk een beetje in die zee van discussies en meningen. Hoe moest ik daar nu nog iets aan toevoegen, iets zinnigs over zeggen? Feit was wel dat ik gedwongen werd opnieuw na te denken over de waarde van mijn vak. Niet voor mezelf, maar voor de samenleving en voor de toekomst. Ik besloot daarom het vandaag enerzijds dicht bij mijn eigen onderzoek te houden, maar vooral ook over de waarde van de geesteswetenschappen als geheel te spreken.

Ik ben historisch letterkundige. Ik heb gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam en werk nu aan de Radboud Universiteit in Nijmegen aan een proefschrift over vrouwenalba amicorum, vriendschapsboekjes van adellijke meisjes uit de late zestiende en vroege zeventiende eeuw.
Vanaf het begin van mijn promotietraject heb ik mijn best gedaan dit onderzoek niet alleen binnen de academie te presenteren, maar ook daarbuiten, voor een groter publiek. Ik heb artikelen geschreven in onder andere VakTaalDe Boekenwereld en een tijdschrift voor familiegeschiedenis en ik heb interviews gegeven aan lokale en nationale media. Ik sprak en schreef over het vrouwenalbum in het algemeen, over een nieuwe vondst, over de waarde van dit onderzoek en plannen voor de toekomst. Dit soort artikelen en interviews zorgden steeds voor positieve “collatoral damage”: interviews in andere media, uitnodigingen voor lokale tv en nationale radio. De invalshoek is eigenlijk altijd dat ik “Het Facebook van vierhonderd jaar geleden” bestudeer. Mensen herkennen zich dankzij deze metafoor in het onderzoek en voelen een historische sensatie als ze terugdenken aan hun eigen poëziealbum. Ik doe dit alles niet om straks de valorisatiepoot van bijvoorbeeld een Veni-aanvraag op orde te hebben of omdat ik graag in de belangstelling sta. Ik doe dit omdat ik enthousiast ben over het materiaal dat ik bestudeer en ik het zonde vind als het straks op die paar mensen die mijn proefschrift zullen lezen na, voor de rest van de wereld verborgen blijft.
Ik heb er veel van geleerd en probeer het geleerde ook uit te dragen. Inmiddels heb ik een aantal colleges gegeven aan studenten over hoe je als geesteswetenschapper omgaat met media en hoe je het valoriseren van je onderzoek aan kunt pakken. Zo moet je geen dingen doen die niet bij je passen en je boodschap weliswaar aanpassen aan een breder publiek, maar niet dusdanig versimpelen dat je je onderzoek er eigenlijk niet meer in herkent, het geen recht meer doet. Je blijft tenslotte wetenschapper. Ik geloof dat dit valoriseren van individuele onderzoeken belangrijk is, dat het nut heeft, ook voor de inhoud van je eigen werk. Je krijgt namelijk vaak verrassende vragen en wordt bovendien gedwongen je onderzoek helder en kernachtig te presenteren en rechtvaardigen. Maar minstens zo belangrijk in de storm waar de geesteswetenschappen nu in verkeren is – denk ik – de valorisatie van de geesteswetenschappen in het algemeen en daar moeten we met zijn allen, boven-disciplinair, voor gaan staan en onze studenten ook van doordringen. 

Het mooiste pleidooi voor de waarde van de geesteswetenschappen, of althans het pleidooi dat echt indruk op mij maakte, kwam opvallend genoeg uit de bètahoek. Ik las een artikel gebaseerd op interviews met alumni en de decaan van MIT, het prestigieuze Massachusetts Institute of Technology. MIT’s curriculum is in de afgelopen vijftig jaar zo ingericht dat alle studenten nu een substantieel deel van hun tijd besteden aan onderwerpen als literatuur, talen, economie, muziek en geschiedenis. Sterker nog, elke MIT undergraduate moet minimaal acht van dergelijke vakken volgen – bijna 25 procent van zijn of haar totale lestijd. In deze colleges leren de studenten hoe individuen, organisaties en naties handelen naar hun wensen en zorgen. Ze verkrijgen historische perspectieven, vaardigheden in kritisch denken en culturele inzichten die hen helpen samen te werken met mensen van over de hele wereld, evenals communicatieve vaardigheden die hen in staat stellen om te luisteren, te verklaren, en te inspireren. Ze leren dat de meeste menselijke situaties niet met één juist antwoord te trotseren zijn, dat het leven zelf zelden of nooit zo exact is als een wiskundig probleem, of zo helder als een elegante vergelijking. Ik citeer:
At MIT — a bastion of STEM education — we view the Humanities, Arts, and Social Sciences as essential — both for educating great engineers, scientists, scholars, and citizens, and for sustaining our capacity for innovation. Because the Institute’s mission is to advance knowledge and educate students who are prepared to help solve the world’s most challenging problems – in energy, health care, transportation, and dozens of other fields. 
Hiervoor hebben hun studenten uiteraard gevorderde technische kennis en vaardigheden nodig, maar:
[…] the world’s problems are never tidily confined to the laboratory, workbench, or spreadsheet. From climate change to poverty to disease, the challenges of our age are unwaveringly human in nature and scale; and engineering and science issues are always embedded in broader human realities, from deeply-felt cultural traditions to building codes to political tensions.
So our students also need an in-depth understanding of human complexities — the political, cultural, and economic realities that shape our existence — as well as fluency in the powerful forms of thinking and creativity cultivated by the humanities, arts, and social sciences.
De beste getuigenissen van de waarde van dit onderwijs zijn afkomstig van de wetenschap- en techniekalumni van deze universiteit. Een recent afgestudeerde studente die verder gaat in de medische wetenschap vertelt over hoe de uitoefening van haar vak, als arts, niet alleen medische kennis vereist, maar ook de mogelijkheid om de verslagen en de verhalen van haar patiënten te interpreteren – een vaardigheid die ze opgedaan heeft door het lezen van literatuur, het bestuderen van de verschillende vormen van een narratief, de uiteenlopende manieren waarop mensen belangrijke informatie delen: ‘MIT biology prepared me for medicine, literature prepared me to be a doctor.’ Ook ondernemers vinden het hebben van een diverse set van vaardigheden zeer waardevol. Een vooraanstaande MIT ingenieur en ondernemer merkt op: ‘The introduction to philosophy and the history of ideas turned out to be the most enduring value and benefit from my education at MIT.’ Een andere ingenieur stelt:
A broader education for a young person is more important than a specialty. When you learn about several disciplines, then you can start to connect them. I found my economics and history classes particularly useful.
En ik sluit af met de decaan, alumnus in de materiaalkunde. Zij stelt dat haar MIT colleges in literatuur en kunstgeschiedenis het belangrijkste waren voor betreft het verruimen van haar wereldbeeld en zegt:
Employers want students who can lead, work in teams, work across cultures, and especially communicate — and much of that ability comes from studies in literature, the arts, the social sciences. The world needs creative problem-solvers who can take into account the human perspective.
Als docenten en onderzoekers kunnen we op dit moment niet anticiperen op alle toekomstige uitdagingen die onze studenten en ons vakgebied nog te wachten staan, maar we kunnen wel helpen hun veerkracht en weerbaarheid op te bouwen en te versterken. We moeten benadrukken dat we zeer waardevolle vaardigheden beheersen en overdragen, voor allerlei beroepsvelden, want, ik citeer nog een laatste keer:
Whatever our calling, whether we are scientists, engineers, poets, public servants, or parents, we all live in a complex, and ever-changing world, and all of us deserve the fundamentals in this toolbox: critical thinking skills; knowledge of the past and other cultures; an ability to work with and interpret numbers and statistics; access to the insights of great writers and artists; a willingness to experiment, to open up to change; and the ability to navigate ambiguity.
En in dit laatste citaat worden volgens mij zo ongeveer alle vaardigheiden genoemd die studenten zich eigen maken tijdens de studie Nederlandse taal en cultuur, kortom: met neerlandistiek krijg je een gereedschapskist in handen om het leven en de wereld in al hun complexiteit te lijf te gaan. 
Als we het erover eens dat het brede geheel van kennis, alfa én bèta, nodig is om de uitdagingen van de wereld te lijf te gaan – en om haar glorie te waarderen – hoe verweren we ons dan tegen het hardnekkige idee dat de geesteswetenschappen steeds minder waardevol worden voor succes in het leven? Ik sluit af met een aantal dromen.

Mijn droom voor de geesteswetenschappen in zijn geheel is dat we die wetenschappen zo open en zo breed houden als ik ze nu als promovendus ervaar: dat we blijven onderzoeken en spreken over de grenzen van vakgebieden, vanuit kleine en grote disciplines, over lands- en taalgrenzen heen en dit naar een groter publiek vertalen en dat onze waarde meer en meer herkend zal worden, zoals nu aan sommige instituten gelukkig al gebeurt. 

Voor de neerlandistiek is het denk ik van cruciaal belang dat we op tijd en breed benadrukken welke vaardigheden we studenten leren en hoe waardevol die zijn. Dit moeten we zowel doen bij de verwerving van nieuwe studenten als bij het opleiden van de studenten die nu in onze collegebanken zitten. We moeten ze leren dat kiezen voor Nederlands loont. Ik denk dat het daarvoor belangrijk is op zoek te gaan naar andere geluiden vanaf de werkvloer en die tegenover alle negatieve verhalen over baankansen te plaatsen. Marissa Mayer bijvoorbeeld, destijds vicepresident bij Google, stelde tijdens een periode van enorme groei dat ze circa zesduizend nieuwe mensen aan ging nemen waarvan waarschijnlijk vierduizend à vijfduizend met een geesteswetenschappelijke achtergrond. Want, aldus Mayer, bij Google hebben ze voor het goed vormgeven van de interactie tussen mensen en computers, naast mensen met puur technologische kennis en vaardigheden net zo goed mensen nodig die mensen kunnen observeren, analyseren en begrijpen. 
We moeten blijven uitdragen dat een geesteswetenschappelijke studie, zoals de neerlandistiek, een student vaardigheden geeft waarmee hij of zij goed beslagen ten ijs (op de arbeidsmarkt) komt.   
Deze strijdbare houding vereist wellicht ook enige aanpassingen in de collegezaal. Er is, zo heb ik zelf ervaren, weliswaar weinig meer waardevol dan in een klein groepje mede-gepassioneerden over de Franse Revolutie, vrouwenalba of het werk van Gerard Reve praten, maar dit is slechts één manier om geesteswetenschappelijk onderwijs te verzorgen, zo ervaart men ook aan instituten als MIT. We moeten - en het volgende wil ik graag voorleggen ter discussie vandaag - hogescholen en universiteiten misschien (nog) minder als musea zien waar professoren dienen als rentmeesters van kennis en meer als laboratoria voor experimenten. In zo’n klimaat zouden we andere, meer praktische leerervaringen kunnen ontwikkelen; cursussen meer projectmatig opzetten; meer mogelijkheden scheppen voor de ontdekkingen die voortkomen uit het samenwerken in teams. We kunnen nog veel meer geesteswetenschappelijke stageplaatsen creëren, in Nederland en in het buitenland, om studenten onder te dompelen in projecten die een positieve impact hebben op de wereld en om ze te laten zien welke mogelijkheden er zijn en waar hun kennis en talenten tot bloei kunnen komen en op waarde geschat worden. We kunnen meer samenwerken met collega’s in het gehele curriculum, over de subdisciplines heen - waardoor we ook sterker komen te staan doordat we nadrukkelijk een brede set vaardigheden aanbieden onder één paraplu en samenwerking van begin af aan stimuleren - en met partners in onze lokale gemeenschappen. En, niet te vergeten: we kunnen de mogelijkheden benutten van online onderwijsplatforms en digitale technologieën gebruiken om onderzoek en onderwijs in de geesteswetenschappen te versterken. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de mogelijkheden van NederLab en allerlei digitale tools om taal en literatuur te analyseren.  

Voor de jonge historisch letterkundigen hoop ik dat we meer getalenteerde, gedreven, veelzijdige, internationaal zichtbare onderzoekers (alles wat de wetenschap vandaag de dag eist) kunnen behouden. Dat er niet 23 van bijna tweehonderd kandidaten een Veni kunnen behalen, maar er op een of andere manier meer geld, meer doorgroeimogelijkheden en daarmee kennisbehoud en – uitbreiding beschikbaar komen. En daarbij moeten we, denk ik, nieuwe middelen en andere wegen niet schuwen. Het crowdfunding-project van mijn promotor Johan Oosterman om het gebedenboek voor Maria van Gelre te restaureren en onderzoeken (www.crowdfunding.ru.nl) is een groot succes. We moeten het publiek – waarvan ik zelf ervaren heb dat het zeer betrokken is bij het bestuderen en behouden van ons cultureel erfgoed – niet kleiner vrezen dan het is. De reacties van de donateurs voor Maria van Gelre bewijzen dat, de enthousiaste reacties op mijn eigen project ook. We moeten ons best blijven doen te laten zien waarom historisch onderzoek waarde heeft voor het nu. Wij zijn degenen die langere periodes kunnen overzien om vragen die (ook) in het heden leven te toetsen aan het verleden. En er zijn andere wegen en andere partners dan NWO om daar geld voor bij elkaar te krijgen, met name na promotiecontracten. 

En tot slot voor mezelf: ik heb mogen promoveren als een groot voorrecht ervaren. Mijn geest trainen in flexibel denken, vragen en bronnen te lijf gaan met geduld en doorzettingsvermogen en onderdeel mogen zijn van een internationale stimulerende groep mensen die zeer betrokken is bij cultuur en samenleving. Ik droom niet te ver vooruit, maar hoop dat ik in elk geval de kans krijg om mijn materiaal, al deze alba vol liedjes, spreuken, gedichtjes en tekeningen, na mijn proefschrift beschikbaar te maken in bijvoorbeeld NederLab. Zodat onderzoekers na mij verder kunnen met dit mooie materiaal en we deze fascinerende, leerzame bronnen nog verder binnenstebuiten kunnen keren, ook taalkundig en ook met digitale tools opdat er wellicht nog dingen aan het licht komen die ik nu met close reading mis en distant reading vereisen. 


Nicoline, van harte gefeliciteerd! Als deze ijsschots waarop we nu staan te zingen verder wegdrijft, springen we gewoon naar de volgende: wellicht iets anders van vorm, maar met dezelfde inhoud.







Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.