Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

zondag 29 maart 2015

Een schoone historie van Palmerijn van Olijve als feuilleton in Neder-L

Door Willem Kuiper

Met het ene been nog in de Middeleeuwen en met het andere been al in de Nieuwe Tijd staat de Nederlandse vertaling van de van oorsprong Spaanse ridderroman Palmerín de Oliva. Deze verscheen in 1511 te Salamanca en werd wegens enorm succes gevolgd door nog een aantal titels, waaronder Primaleon van Griecken, zoals de Nederlandse vertaling luidt, waarvan tussen 1614 en 1619 vier delen verschenen, alle vier gedrukt te Rotterdam. Het oudste bewaard gebleven exemplaar van Palmerijn van Olijve vermeldt op de titelpagina als drukker / uitgever: Jan Janszen, boeckvercooper te Arnhem, en als jaar van uitgave: Anno M. DC. XIIJ. (1613).
     Palmerijn van Olijve heeft diepe indruk op de jonge Bredero gemaakt. Twee van zijn zogeheten 'Romantische spelen' zijn bewerkingen van deze roman: Griane en Rodd’rick ende Alphonsus, beide gepubliceerd in 1616 en in 1618 verscheen opnieuw een Palmerijn-bewerking: Stommen Ridder. Toen de KB Den Haag een jaar of wat geleden in een nieuwsbrief vroeg welke titels uit hun oude drukken collectie het verdienden om met voorrang gedigitaliseerd te worden, heb ik een paar Latijnse drukken voorgedragen en Palmerijn van Olijve. De Latijnse drukken kwamen helaas, want zo moeilijk gedigitaliseerd te pakken te krijgen, om formele redenen niet in aanmerking, maar na verloop van tijd ontving ik bericht dat Palmerijn gedigitaliseerd was. U kunt hem hier bekijken en / of downloaden.
     Om u een idee te geven van wat Bredero las, toen hij het boek opensloeg:
Keizer Remycius van Constantinopolen, de achtste keizer na Constantijn de Grote, huwde met de dochter van de koning van Hongarien, bij wie hij een zoon Caniam en een dochter Griane verwekte. Als Griane de huwbare leeftijd van veertien jaar bereikt heeft, wordt zij tot vrouw begeerd door Tarisius, een neef tevens erfgenaam van de koning van Hongarien. Tarisius vraagt Caniam om ter ere van hun ridderwijding een toernooi te laten uitroepen in de hoop dat hij daar een onuitwisbare heldhaftige indruk op Griane zal maken. Een liefdesverklaring en een verzoek van Tarisius om tijdens dat toernooi haar ridder te mogen zijn wordt door haar resoluut geweigerd. Zij wil hem niet als man en nog minder als vriend. De afgewezen Tarisius zoekt zijn toevlucht bij zijn tante, de keizerin, die het niet alleen voor hem opneemt, maar ook een huwelijk arrangeert tussen haar neef en haar dochter. De onnozele keizer stemt hierin toe. Aan Griane zelf wordt niets gevraagd.
     Ondertussen arriveert daar voor het toernooi Florendos, de zoon van de koning van Macedonie, een voortreffelijk ridder die alom geprezen wordt, die door de lovende verhalen die over de schone Griane de ronde doen, ‘van verre’ verliefd op haar geworden is en daarom zijn vaderland verlaten heeft om haar te ontmoeten. Wat lukt. Geïspireerd door haar schoonheid is hij de ster van het toernooi en wordt hij tot winnaar uitgeroepen.
     De prijsuitreiking is nog maar net achter de rug of daar ligt Gamezio, de zoon van de sultan van Babilonien (Caïro), met een oorlogsvloot voor de haven van Constantinopolen. Hij was uitgevaren om koning Calameno van Alexandrien mores te leren, maar is door slecht weer uit koers geraakt. Om van de nood een deugd te maken besluit hij dan maar Constantinopolen aan te vallen, maar dat mislukt door het beslissende ingrijpen van Florendos, die Tarisius het leven redt en Gamezio doodt door hem met zijn zwaard in diens hol te steken.
     Met deze overwinning op zak vraagt Florendos de keizer om de hand van zijn dochter Griane om van hem te horen dat zij alreeds beloofd is aan Tarisius, en dat hij helaas zijn woord niet kan breken. Florendos wordt nu bevangen door liefdesziekte en dreigt daaraan te overlijden. Als Griane daar weet van krijgt, stuurt zij hem middels een vertrouweling een ring en vraagt hem voor haar in leven te blijven. Florendos, overtuigd van de wederliefde van Griane, knapt binnen enkele dagen op. Vervolgens wordt er een intiem samenzijn met Griane georganiseerd, tijdens welk samenzijn Griane door Florendos gedefloreerd wordt. Om aan een huwelijk met Tarisius te ontkomen besluit het paar te vluchten. Maar ... de inmiddels schijtjaloerse Tarisius laat Florendos dag en nacht bespioneren en als gevolg daarvan wordt zijn klauterpartij over de muur van de tuin van Griane ontdekt, waarna er groot alarm geslagen wordt en een fel handgemeen volgt. Tarisius raakt hierbij zwaar gewond, Florendos moet vluchten, Griane ziet hun plan in duigen vallen, en de rapen zijn gaar. De woedende keizer sluit haar op in een gevangenistoren, Florendos zoekt zijn heil in de vlucht naar Macedonien en Griane weet inmiddels dat zij zwanger is. Zonder dat dit door kwaadwillenden opgemerkt wordt, bevalt Griane van een zoon, die zij direct na de geboorte afstaat aan een vertrouweling die het kind te vondeling legt op een hoge berg begroeid met palm- en olijfbomen. Daar wordt het kind gevonden door een nette boer wiens vrouw diezelfde dag een dood kind gebaard heeft. Hij neemt het kind mee, en zij voeden het op als ware het hun eigen kind en geven het als naam Palmerijn van Olijve.
Te beginnen op deze Palmzondag zal ik, opnieuw geholpen door Ingrid Biesheuvel (transcriptie Nederlands), Tatiana-Ana Fluieraru en enkele van haar studenten (transcriptie Frans) deze roman hoofdstuk voor hoofdstuk onder de leesgierige ogen van de Neder-L lezers brengen. De editie is gebaseerd op de oudste bewaard gebleven druk van Jan Janszen, Arnhem 1613. Voor vergelijking met de Franse brontekst gebruik ik de druk van: “Estienne Groulleau, libraire demourant en la rue Neuue nostre Dame, à l’enseigne saint Iean Baptiste, pres sainte Geneuieue des Ardans 1553.” Omdat ik niet weet of de Nederlandse vertaler deze druk gebruikt heeft, heb ik hem vergeleken met de drukken van Jan Waesberghe, Antwerpen 1572 en François Arnoullet, Lyon 1576. Ik zag alleen maar spellingvarianten.
     In beginsel verschijnt er zoals gebruikelijk elke maandagochtend om 00:00 een hoofdstuk, maar als de voorraad dat toelaat dan zal er ook op donderdagochtend om 00:00 een hoofdstuk on-line gezet worden. Op die manier wordt de lezer niet overvoerd en raak ik niet overwerkt.

Ik wens u heel veel leesplezier.

W.K.

Naschrift 1: Aanvankelijk houdt de vertaler zich getrouw aan zijn voorbeeld, maar gaandeweg gaat hij zich vrijer en vrijer gedragen.

Naschrift 2: Een van de systematische toevoegingen van de vertaler is het introduceren van antieke mythologische personages. Zie Wie is wie in Palmerijn van Olijve? Overal waar de a) ontbreekt, is het personage door de vertaler ingevoerd.

Naschrift 3: Waar in vertalingen van laat-middeleeuwse Franse romans naar het Nederlands de erotiek weggefilterd wordt, zie je in deze vertaling het omgekeerde gebeuren: De vertaler voegt regelmatig erotische elementen toe.

Naschrift 4: Het is absoluut onverantwoord uitspraken te doen over de roman Palmerin d’Olive op basis van de Nederlandse vertaling. De voorstelling van zaken wordt, zonder dat de loop van het verhaal geweld wordt aangedaan, door de vertaler meer dan eens heel anders weergegeven.

Naschrift 5: Bij een routine controle vond ik een nog oudere druk van Palmerin d’Olive, en nog eens bijzonder goed leesbaar ook, op Google Books. Zo te zien is de druk van Estienne Groulleau, Paris 1553, die ik nu gebruik een pagina voor pagina herdruk van deze druk van Jeanne de Marnef, weduwe van Denys Janot, Paris 1546.

Naschrift 6: Jan Janszen, Arnhem 1613, heeft de bladzijden van de Palmerijn nogal dicht bedrukt, en het dikke boek is zo strak ingebonden dat bij het scannen de eerste letter(s) van nogal wat recto-a kolommen onleesbaar zijn. Vandaar al die [rechte haken] in de editie. Ingrid Biesheuvel is zo goed om wanneer zij de KB Den Haag bezoekt en wat tijd over heeft, de onzichtbare letters in te vullen, waarna zij in de definitieve editie van hun haken ontdaan zullen worden.

Naschrift 7: Onduidelijk is de hoeveelste druk die van Jan Janszen is. L.Ph.C. van den  Bergh vermeldt in zijn monografie De Nederlandsche volksromans, Amsterdam 1837 (reprint Hulst 1976) op p. 71 een hem bekende druk uit de bibliotheek van de Jezuiten te Antwerpen. Volgens C. Kruyskamp in zijn inleiding op Bredero's Stommen ridder. Culemborg 1973, p. 8 zou deze editie uit 1602 dateren (Veilingcatalogus 1778, nr. 3252).

Naschrift 8: Hoofdstuk 57 werd door de vertaler zeer ingrijpend bewerkt. Misschien stoorde hij zich aan de gemakkelijke misogyne oplossing in de brontekst? Misschien was het een stijloefening? In elk geval is dit absoluut geen gebruikelijk vertalers gedrag.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.