Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

zaterdag 21 februari 2015

Gekheid, vrekheid en lekheid

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (8)

Het eerste Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?


Door Marc van Oostendorp


Woorden zijn samengebalde brokjes denken. Er is een verschil tussen, laten we zeggen, duisternis en de plaats waar het duister is, en dat verschil is méér dan dat het laatste nu eenmaal meer lettergrepen heeft. Want als het om betekenis gaat, is het eerder omgekeerd: het ene woord betekent meer, doordat het allerlei associaties bij zich draagt, van wolken die voor de maan komen en flakkerende straatlantaarns. Terwijl bovendien duister dubbelzinnig is (zonder licht of onduidelijk), gaat duisternis alleen over de eerste betekenis; je kunt niet spreken over 'de duisternis van dit boek'.

Een gevolg van die samenballing is dat taal met teveel van dat soort samengebalde woorden een tekst moeilijk leesbaar maken. Een tekst met veel van dit soort afgeleide woorden is als een taart met veel ei: het ziet er klein uit, maar je zit snel vol. Dirk Volkertsz Coornhert (1522-1590) hield er bijvoorbeeld van om veel informatie in één woord te stoppen. Zoals in het volgende gedicht:

'T Schuldighe ghebreck vol wroeghens oneerlijck,
Komt van God, noch van mensch, maar van eygen ghekheyd,
Die verdoet of verzuymt, dat der ouders vreckheyd
Dick t'zamen heeft gespaart door 't sparen vermeerlijck:
De quist-ghoed brast en pronckt boven zijn staat heerlijck
En ydelt zijn borze door stroiende leckheydt,
Uyt zotte mildigheyd, die haast tot ghebreck leydt,
En maackt den ghever een arm bidder deerlijck.
Die 't ghoed ook verwaarloost en onachtzaam verzuymt,
Smaackt benaude kommer na een weeldighe ruymt,
Niet zonder verachtingh en smartelijk wroeghen:
Maar die d'arbeyd vreest, den traghen slaap bemint,
En van 't hoopken afteert, werd arm eer hy 't verzint,
't Werd kleyn daar men afneemt zonder by te voeghen.

(Gebrek door eigen schuld vol eerloze wroeging komt niet van God of een ander mens, maar door de eigen gekte, die wat de spaarzaamheid van de eerdere generatie bij elkaar heeft gespaard verdoet en verspilt. De verkwister brast en pronkt als een heer boven zijn staat, en leegt zijn beurs door een gat in zijn hand, uit een zotte barmhartigheid, die snel tot gebrek leidt en die de gever tot een arme beklagenswaardige bedelaar maakt. Wie zijn goed verwaarloost en achteloos vergooit, smaakt na weelderige overvloed benauwde bekommernis, niet zonder versmaad te worden en smartelijk spijt te hebben; maar wie bang is om te werken en de slome slaap bemint, en teert op wat bijeen is gespaard, wordt arm eer hij er erg in heeft. Dat waar je vanaf neemt zonder er iets bij te voegen, wordt klein.)

Een bijkomend probleem voor een 21e-eeuwse lezer is dat woorden als kwistgoed en mildigheid niet of nauwelijks meer gebruikt worden. Je kunt best begrijpen wat ze betekenen, maar je stokt toch even tijdens het lezen en het gevolg van al dat gestok is dat je niet meteen de neiging hebt om in zingen uit te barsten wanneer je een gedicht van Coornhert leest.

Neem nu de rijmwoorden gekheid, vrekheid en lekheid. Alle drie hebben ze het achtervoegsel -heid. En met alle drie is iets aan de hand.

Gekheid is nog de minst ongewone, al is het tegenwoordig vooral een wat ouderwets woord voor 'grapje'. Als ik wil vertellen hoe gek ik precies ben, praat ik niet meer over gekheid, maar over gekte (een woord waar je dan bij moet vertellen 'dat het door Wim T. Schippers bedacht is', alsof het speciale talenten vereist om -te aan een bijvoeglijk naamwoord te plakken). Maar als ik onverhoeds ineens vertel dat mijn gekheid geen grenzen kent, is die woordkeuze weliswaar enigszins ongebruikelijk, maar jullie begrijpen wel wat ik bedoel.

Bij vrekheid ligt dat al iets anders, omdat vrek geen bijvoeglijk naamwoord is. Bij hoge uitzondering kan weliswaar nog steeds soms achter zelfstandig naamwoorden staan (christenheid, mensheid, godheid), maar dan gaat het altijd over personen of groepen personen – en Coornhert doelt hier duidelijk niet op een stelletje vrekken, maar op de eigenschap van vrekkig zijn, vrekkigheid. Heel vreemd is dat niet: vrek was oorspronkelijk een bijvoeglijk naamwoord, werd toen een zelfstandig naamwoord, en daar leidden wij uiteindelijk weer een bijvoeglijk naamwoord vanaf met het achtervoegsel -ig. Wel is het voor de moderne lezer grappig dat Coornhert vrekheid zegt voor vrekkigheid, en mildigheid voor mildheid.

Lekheid is tot slot weer een iets ander geval. Lek is weliswaar een bona fide bijvoeglijk naamwoord, en iedereen zal ook begrijpen wat je bedoelt als je praat over de lekheid van dat mandje. Maar een beetje koddig klinkt het wel, terwijl er tegelijkertijd geen echt alternatief bestaat, terwijl er ook geen alternatieven zijn: de Wim T. Schippers van de lekte moet nog opstaan.

Dit gedicht was nog niet te vinden op het internet. Dank aan Olga van Marion voor de scans van exemplaar UBL 1178 B9, folio B2v-B3r uit de Leidse UB, en aan Frank Willaert voor hulp bij de vertaling.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.