Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

woensdag 28 januari 2015

Zo voorkwam ik alles te begrijpen

Wat we nog niet weten over het werkwoord (5)

Door Marc van Oostendorp

Als ik beweer dat ik morgen zal komen, beweer ik morgen te komen. Zoveel is zeker: het lijdend voorwerp van de ene zin ('ik beweer') kan zelf weer een zin zijn met een persoonsvorm (zal in 'ik zal morgen komen') of zonder ('morgen te komen'). 

Het eigenaardige, zegt Hans Broekhuis in het 1200 pagina's dikke deel Verbs and verb phrases van zijn Syntax of Dutch is dat het niet bij ieder werkwoord zo werkt. Neem het volgende paar:
  • Diederik ontdekte dat hij loog. [1]
  • Diederik ontdekte te liegen. [2, vreemd]
De tweede zin is een stuk vreemder en ongebruikelijker dan de eerste. Waarom? Het ligt niet alleen aan het werkwoord ontdekken, want soms gaat het juist wel heel goed:
  • Diederik ontdekte dat hij honger had. [3]
  • Diederik ontdekte honger te hebben. [4]
Wat is het verschil? Het heeft, zegt Broekhuis, mogelijk iets te maken met een verschil in betekenis tussen [1] en [3] – een verschil dat vooral tot uitdrukking komt in het woordje hij. 

In zin [1] verwijst hij het meest waarschijnlijk naar iemand anders dan Diederik; hoewel in de sociale psychologie alles mogelijk is, is het een beetje raar om dit soort ontdekkingen over jezelf te doen. Liegen vereist een zekere opzet, en dus kun je van jezelf niet zo makkelijk 'ontdekken' dat je liegt.

Hoewel in zin [3] hij ook best naar iemand anders kan verwijzen (Diederik ontdekte dat gekke Henkie honger had), kan het op zijn minst óók naar Diederik verwijzen. Hij hoort zijn maag knorren en leert iets over zichzelf. In zin [4] is Diederik zeker degene die honger heeft: het verzwegen onderwerp van honger te hebben is hetzelfde als dat van ontdekken. Zin [4] kan nooit of te nimmer gebruikt worden om iets over gekke Henkie te zeggen.

En daarom is zin [2] vreemd: hij kan alleen betekenen dat Diederik iets over zichzelf ontdekt dat hij volgens de wetten der logica allang had moeten weten.

Nog vreemder vind ik het verschil wordt het met het werkwoord voorkomen:
  • Mark voorkwam net op tijd dat hij zeeziek werd. [5]
  • Mark voorkwam net op tijd zeeziek te worden. [6, raar/uitgesloten]
Zin [6] is raar, ook al kun je zin [5] best zo begrijpen dat Mark voorkwam dat hijzelf (Mark) zeeziek werd. Nog vreemder is dat dit soort zinnen beter worden wanneer je er iets aan toevoegt dat een oorzaak geeft, of beschrijft op welke manier iets gebeurt, zoals Broekhuis ontdekte:
  • Hierdoor voorkwam Mark net op tijd zeeziek te worden. [7, niet zo raar]
  • Zo voorkwam Mark net op tijd zeeziek te worden.  [8, niet zo raar]
Waarom dat zo is? Wie een sluitende verklaring kan geven, maakt kans op de Nobelprijs voor de Nederlandse Taalkunde.

3 opmerkingen:

  1. Voor mij is zin 6 helemaal niet raar. Als dat voor meer mensen geldt, is alleen het eraan opgehangen verhaal raar, of althans: persoonlijk voor de auteur.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Ik vind het vooral bizar dat je 'net op tijd' zou kunnen 'voorkomen' dat je zeeziek wordt. Hoe doe je dat, zo net op tijd? Ik ben geen ervaringsdeskundige, maar ik heb altijd gehoord dat je, om zeeziekte te vermijden, een uur voor de afvaart een bepaald pilletje diende in te nemen. Als dat (nog altijd) klopt, dan kun je 't maar moeilijk verbinden met dat 'net op tijd'-idee: ik neem 'net op tijd' (al minder dan maar nog net dicht genoeg bij één uur voor de afvaart) dat pilletje, zodat ik in de uren daarna op het water niet ziek wordt, t.o. ik neem 'net te laat' (minder dan en niet dicht genoeg bij één uur voor de afvaart) dat pilletje, zodat ik in de uren daarna op het water een brok ellende ben. Het lijkt mij behoorlijk onzeker dat je iets 'net op tijd' zou kunnen voorkomen, door ten minste een uur eerder iets al dan niet te doen.
    Kunnen we geen andere voorbeelden gebruiken? Hier een 5b en 6b:
    - Mark voorkwam net op tijd dat hij uitgejouwd werd. [5b]
    - Mark voorkwam net op tijd uitgejouwd te worden / te worden uitgejouwd. [6b]
    Die lijken me alletwee te kunnen. Ik vind [6] dus niet meteen iets aantonen.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Waarom zouden die zinnen 2, 4, 6 en 8 nu eigenlijk minder kunnen dan de zinnen 1, 3, 5 en 7? Omdat we ons laten afleiden door de betekenis.

    Ontdekken dat je (zelf) liegt, is op het eerste gehoor raar, omdat je achter iets komt wat je zelf in het leven hebt geroepen en dat doet een mens normaliter niet. Maar zoiets kan wel, als je als argeloze dader achteraf de zaken in een ander perspectief ziet en dan moet toegeven dat je zonder opzet iets verkeerds zei dat achteraf toch niet helemaal zo was. Je erkent iets nieuws dat je ontdekt hebt.

    Bij dat zeeziek worden denken we dat dat pilletje pas na een uur gaat werken en als men na dat uur zeeziek dreigt te worden, is dat pilletje op het laatst mogelijke moment ingenomen. Net op tijd dus, het had niet later ingenomen moeten worden.

    Dus: geef mijn eens een zin met persoonsvorm, gevolgd door een onbepaalde wijs die uitgesloten is. Die bestaat niet. De enige voorwaarde is dat het onderwerp van de hoofdzin gelijk moet zijn aan het onderwerp van de infinitief. En: het moeten wel werkwoorden zijn die binnen het bereik van de mens (of het onderwerp van die twee) zitten.

    En dat je er beter iets bij kan zetten om die gelijke onderwerpen acceptabeler te maken, heeft puur te maken met een gebrek aan fantasie.
    Onze fantasie kan dit taalfenomeen best rechtvaardigen.

    BeantwoordenVerwijderen

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.