Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

woensdag 31 december 2014

Publiekslezing historisch letterkundige Els Stronks in de KB


‘Jeugdige overmoed. Digitaal duiden van denkbeelden over jongeren’

Historisch letterkundige prof. dr. Els Stronks deed als fellow Digital Humanities in de Koninklijke Bibliotheek onderzoek naar denkbeelden over jongeren in Nederlandse teksten (1500-1800). We kennen een aantal opvattingen uit die periode. Maar waren er ook andere? Dit onderzocht ze in gedigitaliseerde tekstbestanden als Delpher, de Liederenbank (Meertens Instituut) en de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL). 

De resultaten presenteert zij in een publiekslezing op woensdag 14 januari 2015. De KB nodigt u van harte uit deze lezing bij te wonen.


Addenda EWN: proesten ww. ‘niezen, lachen’

Door Michiel de Vaan

Middelnederlands pruysten ‘niezen; uitspuiten’ (1477), Vroegnieuwnederlands proessen of proesten ‘niezen’ (1573), pruysten ‘niezen’ (1599). Pas vanaf 1746 treffen we proesten ‘niezen, schuimbekken’ in literaire teksten aan, het eerst in Holland, en meermaals in combinatie met het rijmwoord hoesten. Na 1800 komt ook de uitdrukking proesten van het lachen voor. De oe in Hollands proesten is onverwacht: hij kan zijn overgenomen uit het Oostnederlands of het Nederduits (waar prūsten in de betekenis ‘niezen’ al eerder voorkomt), of misschien is proesten als rijmwoord gevormd bij hoesten. Verwante vorm: Mnd. prūsten ‘niezen’.

Nauw verwant zijn Vnnl. pruyschen ‘snikken’ en pruyssen ‘snoeven’. In moderne dialecten o.a. bewaard als Vlaams en Zeeuws  pruuse ‘bruisen’, Brabants pruise, proese, Ripuarisch proesje ‘geweldig snuiven’. Met korte klinker in het Zuidnederlands prossen ‘borrelen’. Pruissen en pruisten lijken qua vorm en betekenis erg op bruisen, Vnnl. bruizen, bruisschen, Hd. brausen, uit Westgermaans *brūsan. Mogelijk zijn pruissen en pruisten uit dat laatste werkwoord ontstaan met onomatopoëtische (bij ‘niezen’ en ‘snuiven’) verstemlozing van de b- tot p-. 

Daarmee is de t van pruisten nog niet verklaard. Denkelijk is *prūsten uit *prūsen gevormd onder invloed van Nederlands-Nederduits *pūsten ‘blazen’, waaruit Middelnederduits pūsten ‘blazen’, Middelnederlands oppuysten ‘opblazen, zwellen’ (1477), Nnl. poesten ‘blazen, hijgen, snoeven; zoenen’ (1573; wschl. uit het Nederduits ontleend), puisten ‘blazen, hijgen’ (1627), puyster ‘blaasbalg’ (1599). Een samenstelling hierbij is assche-puyster ‘asblazer’ (17e eeuw), na 1700 assepoester zoals in de sprookjesfiguur. Een ander woord dat aan puisten ‘blazen’ verwant is, is puist ‘pukkel’ (1285), oorspronkelijk ‘blaas, zwelling’.

Het meisje kreeg de sleutels overhandigd

Wat we nog niet weten over het werkwoord (3)

Door Marc van Oostendorp


De lijdende vorm, wie is er niet groot mee geworden? Alleen ging het op school voor zover ik me herinner nooit over de krijgen-passief.

De gebruikelijkste lijdende vorm is die met worden: van Joost slaat Henkie maak je Henkie wordt door Joost geslagen. In het omvangrijke, binnenkort te verschijnen deel over het werkwoord van zijn Syntax of Dutch vestigt Hans Broekhuis de aandacht op een ander soort passief, dat met krijgen:

  • De makelaar overhandigde het meisje de sleutels.
  • De sleutels werden het meisje overhandigd door de makkelaar. [gewoon passief]
  • Het meisje kreeg de sleutels overhandigd door de makelaar. [krijgen-passief]

dinsdag 30 december 2014

Onvoorwaardelijk vertrouwen in de wetenschap

Door Marc van Oostendorp

De discussie over de Wetenschapsvisie 2025 blijkt steeds meer te gaan over de academische vrijheid. Waar is die eigenlijk goed voor? Is het wel verantwoord om wetenschappers van belastinggeld zomaar vertrouwen te schenken? Moeten zij zich niet net als iedereen verantwoorden?

Dit weekeinde schreef de Groningse psychologe Trudy Dehue er een column (€) over in NRC Handelsblad.  "Er is (...) geen enkele andere maatschappelijke sector die andermans geld vrijelijk mag besteden en daarmee ook nog andermans heden en toekomst mag bepalen", schrijft ze daarin, en ze stoort zich aan academici die "vanzelfsprekend vertrouwen op[eisen], terwijl vertrouwen nooit onvoorwaardelijk kan zijn en bovendien door nogal wat wetenschap met haar zucht naar geld of eer flink op de proef wordt gesteld."

Je hoort het vaker en het klinkt op een bepaalde manier redelijk. Wie denken die academici wel dat ze zijn, dat zij wel zomaar mogen doen waar ze zin in hebben terwijl ieder ander de hele dag rapporten moet schrijven waarin hij verantwoord wat hij doet? Dehue maakt bovendien de kachel aan met sommige tegenwerpingen.

maandag 29 december 2014

De Frans Timmermans van de zeventiende eeuw

Door Marc van Oostendorp
Talen spreken is niet in de mode. Natuurlijk, wanneer je toevallig met wat vrienden in Tocharië bent, waarderen zij het wanneer jij een rondje in het Tochaars bestelt, maar verder kun je in de meeste gezelschappen maar niet aankomen met de genoegens van Catalaanse les, of met een mooi spreekwoord in het Swahili. Afgezien van Frans Timmermans spreekt een beetje intellectueel alleen Engels, en sommigen is zelfs dat teveel. (Eerder dit jaar maakten enkele lieden aan de Universiteit van Amsterdam zich druk over wat colleges die in het Engels gegeven worden. Ik schreef daar al eerder over.)

Nee, dan Constantijn Huygens. Zoals Cristopher Joby voorrekent in zijn boek The Multilingualism of Constantijn Huygens kende Huygens acht talen: Nederlands, Frans, Latijn, Grieks, Italiaans, Spaans, Duits en Hebreeuws. Weliswaar kende hij ze niet allemaal even goed, en lag de nadruk duidelijk op de eerste drie, maar hij draaide er aan de andere kant zijn hand niet voor om ook aan andere Nederlanders in het Frans of het Latijn te schrijven.

Dat alles betekende niet dat Huygens niet hartstochtelijk van zijn moedertaal kon houden, en zelfs niet dat hij niet als een groot voorvechter van diezelfde moedertaal bekend stond.

Een schoone historie van den Ridder met dat Kruyce : Hoofdstukken 18 en 19



Een schoone

Historie van den Ridder met dat Kruyce,

genaemt prins Meliadus,
den eenighgeboren zoon van den keyser Maximiliaen uyt Duytslandt.

Heel wonderlijck en vermakelijck te lesen voor de jeught.


[zoals gedrukt te Amsterdam z.j. door Michiel de Groot]






zondag 28 december 2014

Wat we nog niet weten over het werkwoord (2)

Krijgen als lijdende vorm
Door Marc van Oostendorp

Het Nederlands is een van de best onderzochte talen ter wereld, en toch is er van alles en nog wat dat we niet begrijpen. Neem het werkwoord krijgen, bijvoorbeeld in de volgende zin:

Marc krijgt een pdf'je (van Hans)[1]

Marc is in die zin het onderwerp, toch? Ja, volgens de schoolgrammatica wel. Maar volgens het binnenkort te verschijnen 1500 pagina's deel Verbs and verb phrases van Hans Broekhuis' Syntax of Dutch zijn er wat vreemde dingen mee aan de hand. (Ik ben een serietje aan het maken over enkele van de open plekken in onze kennis die Broekhuis aanwijst; welkom en goedemorgen.)

Zo kun je van onderwerpen vaak een zelfstandig naamwoord maken door er -er achter te plakken: Ilja schrijft, dus is hij een schrijver; Menno bakt, dus is hij een bakker. Beiden dragen baarden en zijn dus baarddragers. Maar door pdf'jes te krijgen ben ik nog geen krijger.

zaterdag 27 december 2014

Wat we nog niet weten over het werkwoord (1)



Door Marc van Oostendorp


2015 wordt het jaar van het Nederlandse werkwoord. Ergens in de komende maanden verschijnt Hans Broekhuis' indrukwekkende, vijftienhonderd pagina's dikke Verbs and verb phrases, het nieuwe deel van zijn Syntax of Dutch.

Vijftienhonderd pagina's over werkwoorden, waarschijnlijk de uitvoerigste beschrijving ooit gemaakt voor enige taal, en nog is lang niet alles uitgezocht. Hans heeft me zijn digitale drukproeven gegeven om mijn mateloze nieuwsgierigheid te dempen, en er voor Neder-L over te schrijven.

Hij gaf me ook een goede tip: zoek in de tekst op 'future research', dan vind je de onopgeloste puzzels. Inderdaad komt die zinsnede – meestal in een verband als 'we will leave this to future research' – 85 keer voor in Verbs and verb phrases. Daar ga ik de komende tijd een serietje over maken: enkele van de intrigerendste dingen die we ondanks al het onderzoek van zichzelf en anderen dat Broekhuis hier verslaag, nog steeds niet over het werkwoord weten.

Neem bijvoorbeeld te, zoals in 'ik vind het lollig om te jodelen'. Wat is dat? De spelling schrijft voor om het woordje los van de werkwoord te schrijven, maar heeft de spelling daar gelijk in?

vrijdag 26 december 2014

Een plan van aanpak

Bij wijze van kerstcadeau eindelijk een nieuwe aflevering van ons gruwelfeuilleton De verleden tijd van lijken.


Door Marc van Oostendorp

"Rie!", riep prof. dr. W. Pieterse met collegiale stem toen hij zijn medewerkster eindelijk aan de telefoon kreeg. "Waar zit je? Heb je een vrije middag genomen?"

Rie Veld, de specialiste in de Geschiedenis van de neerlandistiek voor 1800, zuchtte. "Wouter," zei ze. "Het is tweede kerstdag, het instituut is dicht, ik was net bezig met het artikel te schrijven. Ik was er nog niet aan toegekomen: ik heb uitgerekend dat ik dit jaar in totaal 14 plannen van aanpak heb moeten schrijven van het management team, met in totaal 207 pagina's."

"Ah...." Professor Wouter Pieterse, ooit een gerespecteerd hoogleraar Financiële Letterkunde, maar inmiddels alweer enkele jaren geleden – toen deze kroniek begon – veranderd in een manager, liet zijn stem wat vriendelijker klinken. "Wat benijd ik jullie toch! Als onderzoeker kun je altijd maar doen waar je zin in hebt, nietwaar, terwijl het management team probeert te redden wat er te redden valt. Ik klaag er niet over hoor, lang leve het onderzoek! Ik wilde dat ik er met kerstmis aan toekwam!"

donderdag 25 december 2014

De kerstdag dat ik lekker ging indringers keuren

Door Marc van Oostendorp


Een bijzin is als een collegezaal en werkwoorden zijn als eerstejaarsstudenten: ze willen allemaal achterin zitten. Vandaar dat je zegt dat je Piet Josje de kinderen wel had willen helpen leren zwemmen: vijf werkwoorden op een kluitje.

 

In Nederland slaagt slechts een enkel woordje erin dat geklit van die werkwoorden te doorbreken; een voorzetsel bijvoorbeeld, dat dan als voorvoegsel gevoeld wordt. In plaats van ik denk dat ik dat wel over wil doen kun je ook zeggen ik denk dat wel wil overdoen. In Vlaanderen lukt het meer woorden: daar kun je ook zeggen dat je denkt dat je moet een schuur bouwen, waar de naamwoordgroep een schuur tussen moet en bouwen kan staan.

 

Toch is er geen enkele groep werkwoorden, ook niet in Vlaanderen, die zomaar iedere indringer in zijn midden toelaat. Er zijn zelfs voor de meest volhardende spreker van het Vlaams, heel duidelijke, en ook goed te begrijpen, beperkingen op welk woord er wel of niet tussen kan staan. Die beperkingen zijn bovendien geloof ik ook voor Nederlanders, in ieder geval voor mij, na te voelen: ik vind dat je moet groente kopen is misschien niet de allerbeste zin sinds de opening van de Max Havelaar, maar in ieder geval een stuk acceptabeler dan Ik vind dat je moet een groentepakket van tien euro kopen.

woensdag 24 december 2014

Addenda EWN: nochtans

Door Michiel de Vaan

 nochtans bw. ‘evenwel’

Een samentrekking van nog en dan. Dat is nog duidelijk te zien aan de spelling en de betekenis van noghthanne ‘toen nog’ en nohthanne ‘nog steeds’ in de Leidse Willeramvertaling (ca. 1100). In de dertiende eeuw kan nochdan(ne), nochtan(ne) nog steeds ‘dan nog, verder nog, bovendien’ betekenen, maar krijgt het daarnaast de adversatieve lading ‘echter, nochtans, toch’. Spellingen met een d komen in de oudste Mnl. teksten voor, eenmaal nochdan in de Nederrijnse Aiol (1220–40) en nochdan, nochdanne in de Gentse Leprozenstatuten (1236). Al snel is nochtan(ne) de standaardspelling in het Middelnederlands.

De vorm nochtans, waaraan de bijwoords-s is toegevoegd die we kennen uit tehand >> tehands > thans, immer > immers, staat voor het eerst in een keur uit Grimbergen uit 1275–76. In welk gebied nochtans als eerste is opgekomen, is zonder aanvullend onderzoek niet met zekerheid te zeggen. In het corpus van 14e-eeuwse Nederlandstalige oorkonden is nochtan de gebruikelijke vorm in alle landsdelen en komt nochtans slechts tweemaal voor in Utrecht en Amsterdam. In Groningen en Drente lost nochtans na 1400 het oudere nochtan af (zie www.cartago.nl).

Een andere Mnl. variant is nochtant, met een extra -t waarvoor meerdere verklaringen denkbaar zijn. In de noordoostelijke oorkonden komt nochtant tussen 1400 en 1550 naast de andere varianten voor. Brugman gebruikt in zijn Sermoenen (15e eeuw) nochtan en nochtant zonder herkenbare ratio. Na 1600 verdwijnt nochtan beetje bij beetje uit de schrijftaal en blijft alleen nochtans over.

Dezelfde combinatie van woorden vinden we in andere Oudgermaanse talen: Gotisch nauhþan ‘nog’, Ohd. noh danne ‘nog, bovendien’, Oudsaksisch noh than, Middelnederduits nochtan(t), nochten(t). De Nederlandse t aan het begin van -tan(s) is uit d ontstaan in de combinatie met de stemloze -ch aan het einde van noch. Eenzelfde assimilatie is verantwoordelijk voor de t- in plaats van d- in toch (Mnl. doch) en toen (Mnl. doe(n)). 

Hoe moeilijk is Vondel?

Door Marc van Oostendorp
Ergens, diep in de krochten van het internet, staat het verzameld werk van Joost van den Vondel (1587-1679) elektronisch stof te verzamelen. In de jaren twintig van de vorige eeuw is zijn verzameld werk voor het laatst in een publiekseditie uitgegeven. Volgens de neerlandica Agnes Sneller is het werk inmiddels echter "zo goed als onbereikbaar": "Je moet wel erg nieuwsgierig zijn naar 'de prins onzer dichters', wil je die boekdelen werkelijk gaan lezen. (...) In bibliotheken rusten de werken van de grote meester in stoffige kasten."

Of het Snellers bedoeling is om mensen Vondel weer uit die kasten te laten halen, weet ik niet zeker. Ze zegt het in ieder geval niet expliciet in haar boekje De Gouden Eeuw in gedichten van Joost van den Vondel (1587-1679)
. Althans, het is duidelijk wel haar bedoeling om de moderne lezer wat meer van Vondel te laten vatten, maar ze heeft er kennelijk een hard hoofd in. "Om de poëzie van Vondel te kunnen genieten," schrijft ze, "moeten lezers zich gaan verdiepen in een soort Nederlands dat zonder tal van verklaringen van taalhistorici nauwelijks meer te begrijpen is."

Ze schrijft dat op de allereerste pagina van haar boek. Dat zal weinig lezers tot grote geestdrift aanzetten. (Les één van het populariseren: begin niet op bladzijde 1 te vertellen dat het allemaal heel moeilijk is en alleen voor specialisten te begrijpen.)

dinsdag 23 december 2014

Jammer dat er niemand heeft gedraaid

Door Marc van Oostendorp

Je stoel draaien is belangrijk in het tv-programma The Voice of Holland. Als de kandidaten auditie doen voor deze zangwedstrijd, zitten de coaches met hun gezicht van ze af. Pas als een coach vindt dat iemand voldoende kwaliteit heeft, drukt hij op zijn knop en draait zijn stoel.


Wat heeft hij dan gedaan? Volgens veel internetgebruikers, heeft zo'n coach dan gedraaid:

- Haha, die zus had het niet eens door dat Roel had gedraaid!
- Wauw, wat een uithaal! Alle coaches hebben gedraaid.
- Jammer dat er niemand heeft gedraaid.

Volgens veel beschrijvingen van de grammatica van het Nederlands klopt dat niet.

maandag 22 december 2014

De verscheurdheid van de professionele lezer

Door Marc van Oostendorp


De retoricus Longinus beschreef de kracht van goede toespraken zonder dat hij er blijk van gaf dat hij ooit naar een redenaar geluisterd had. Zijn voorbeelden waren mensen als Demosthenes – die was toen hij schreef allang dood. Hij had dus gewerkt met een afgeleide – de geschreven teksten.

Piet Gerbrandy haalt dit detail een paar keer aan in zijn essaybundel De jacht op het sublieme. Hij moet er iets in herkennen, want zijn eigen manier om met taal en literatuur om te gaan hangt van soortgelijke paradoxen aan elkaar. Hij noemt de taal vooral iets lichamelijks, dankzij het ritme en de stem en de lichaamshouding, maar hij zit liever in zijn studeerkamer dan dat hij naar een voordracht of een lezing gaat. Hij is geïnteresseerd in het sublieme, hetgeen dat zo overrompelend is dat je erdoor van je stuk wordt gebracht, maar hij benadrukt ook dat hij een professionele lezer is, die heel veel teksten 'door [z]ijn handen' laat gaan, en daar vast niet iedere keer van door zijn stuk laat gaan.

Wat is subliem? Longinus schreef er dus al over, maar de term is in de moderne literatuur geherintroduceerd door Edmund Burke (1729-1797). Burke bedoelde er van alles mee, maar niet speciaal de dingen die je op je studeerkamer kunt genieten.

Een schoone historie van den Ridder met dat Kruyce : Hoofdstukken 16 en 17



Een schoone

Historie van den Ridder met dat Kruyce,

genaemt prins Meliadus,
den eenighgeboren zoon van den keyser Maximiliaen uyt Duytslandt.

Heel wonderlijck en vermakelijck te lesen voor de jeught.


[zoals gedrukt te Amsterdam z.j. door Michiel de Groot]






zondag 21 december 2014

Tentoonstelling over Arnon Grunberg verlengd tot 15 maart 2015

Grunberg onder de loep tijdens publiek toegankelijke lezingenreeks

Wegens succes wordt de overzichtstentoonstelling over Arnon Grunberg bij de Bijzondere Collecties van de UvA verlengd tot 15 maart 2015. Bij de tentoonstelling vindt een lezingenreeks plaats, genaamd Geesteswetenschappers over Grunberg. Deze reeks is publiekelijk toegankelijk en wordt georganiseerd in het kader van het Honorary Fellowship dat Grunberg op 30 oktober ontvangen heeft. Gelijktijdig met de tentoonstelling wordt in het Grunberglab de hersenactiviteit gemeten van vrijwilligers die Grunberg nieuwste Boek Het bestand lezen. Er zijn nog enkele meetingsplaatsen beschikbaar voor geïnteresseerden.

Tiecelijn 27. Jaarboek 7 van het Reynaertgenootschap

Op 7 december werd in Sint-Niklaas het zevende jaarboek van het Reynaertgenootschap voorgesteld. De lezer gaat zalige eindejaarsdagen tegemoet met 444 pagina’s leesvoer over een onovertroffen schurk.  Tiecelijn 27 begint met een thematisch deel (180 p.) dat de zes bijdragen bevat van het colloquium ‘Metamorfosen van een gemene vos’ dat op 24 april 2014 in Antwerpen (Universiteit Antwerpen, Liberaal Archief, m.m.v. o.a. het Reynaertgenootschap) plaatsvond. Het colloquium behandelde de core business van Tiecelijn: de lange ‘Nachlebung’ van de Reynaertmaterie van de middeleeuwen tot vandaag. Jef Janssens behandelt de Reynaert en Floris ende Blancefloer, Adelheid Ceulemans de Reynaertopera van August de Boeck en Raphaël Verhulst, Yves T’Sjoen en Els van Damme Reineke/Heineke Vos van Richard Minne, Lisanne Vroomen de graphic novel van René Broens en Marc Legendre, Kris Humbeeck L.P. Boons Wapenbroeders uit 1955 en Rik van Daele kijkt terug op FC Bergmans recente superproductie Van den vos.

In dit jaarboek bloeit werk van talentvolle jonge onderzoekers en literatoren. Naast Vroomen en Ceulemans publiceren Bjorn Schrijen (over moderne Reynaertmuziekbewerkingen) en Michaël Brijs (over Malpertuis van Jean Ray) interessante bijdragen over de lange Reynaertnaleving. De bijdragen van Schrijen, Brijs en van Paul Wackers (over moderne kinderbewerkingen van Reynaerts historie) sluiten naadloos bij het thematische gedeelte over de ‘metamorfosen’ aan.

Tiecelijn beperkt zich nooit tot de ‘matière renardienne’ alleen. Yvan de Maesschalck verkent de intrigerende roman Haas (1975) van de Fin Arto Paasilinna en hij bespreekt nieuw werk van Lies van Gasse (die opnieuw een cover voor Tiecelijn ontwierp) & Annemie Estor (Hauser / De Wereldbibliotheek) en van Paul Verhuyck (Inmiddels op aarde / De Arbeiderspers). De bijdrage over de picareske elementen in Haas sluit naadloos aan bij de zoektocht naar het ‘picareske’ in de Heineke de Vos-roman van Richard Minne.

Tiecelijn 27 bevat twee intrigerende vertalingen. Mark Nieuwenhuis verkent enkele dierentestamenten in de Latijnse literatuur van de oudheid en de middeleeuwen. Bob de Nijs vertaalde Ramon Llulls Dierenepos voor het eerst in het Nederlands. In deze Catalaanse tekst uit de dertiende eeuw speelt een gemene vossin de hoofdrol.

Hans Rijns stelt de vraag of de karakters van vos en wolf in de Reynaertverhalen en in de door G. Leeu in 1481 gedrukte Dialogus Creaturarum, Dat is twispraec der creaturen verschillen. Jan de Putter gaat uitvoerig in op de genreaanduiding ‘vite’ uit de Reynaertproloog. 

Tiecelijn zet stteds sterk in op de iconografie. In jaarboek 7 wordt werk besproken van Marc Legendre, de Praagse illustrator Oldich Jeelen (door Jack van Peer), Ernest van Huffel (+2013) en Caroline Coolen (door Christl van den Broucke). 

Het bibliografische aspect van de Reynaertstudie tot slot komt aan bod in de bijdragen van Steven van Impe over de belangrijke Reynaertcollectie van Wim Gielen (+2010), die nu volledig ontsloten is. Het nummer besluit met een update van de Bibliografie van de Nederlandse Reynaertbewerkingen van 1800 tot nu (2004-2014) door Willy Devreese. Tegen nieuwjaar is de aangevulde bibliografische lijst digitaal beschikbaar op www.reynaertgenootschap.beTiecelijn is ondertussen volledig digitaal te bekijken op de DBNL (t.e.m. jg 21) en op www.reynaertgenootschap.be. Ook Tiecelijn 27 staat reeds vanaf de dag van presentatie integraal op het net. Wie Tiecelijn wil volgen kan dit niet alleen via de website maar eveneens via https://nl-nl.facebook.com/pages/Reynaertgenootschap-vzw/368312377681.

Het reisverhaal van Coenraad Ruysch. Deel IV: Van de Mont Cenis tot Bologna

Deze maanden publiceren wij hier een kritische editie van het reisverslag van Coenraad Ruysch, verzorgd door Alan Moss van de Radboud Universiteit Nijmegen. Hieronder staan links naar de tot nu toe verschenen delen:

Alan Moss heeft ook een eigen, informatieve, website.

Italiaanstalig Holland in de 17e eeuw

Door Marc van Oostendorp

Lodewijk Meyer (1629-1681) was taalgeleerde in een tijd dat het vak ertoe deed. Geïnspireerd door revolutionaire nieuwe ideeën van Spinoza en Descartes werd hij een vertegenwoordiger van wat de 'radicale Verlichting' genoemd wordt, een groep Europese intellectuelen die kritisch stonden tegenover het geloof en hun hoop hadden gesteld op de wetenschap. Door na te denken zou de mens de wereld kunnen verbeteren.

De taal was in het Verlichtingsstreven een instrument: mensen als Meyer gaven woordenlijsten uit waarin Nederlandse woorden opnieuw, en beter, en duidelijker werden gedefinieerd. Met een helderder taal zou je ook helderder kunnen denken.

De taal was daarnaast ook een onderwerp van onderzoek. Iedere taal was een uitdrukking van de universele logische denkkracht van de mens, dus door haar te bestuderen kon je iets over de natuurlijke logica leren. Tegelijk viel natuurlijk niet te ontkennen dat talen van elkaar verschilden; de vraag was hoe dat dan kwam. (Het antwoord was dat ieder volk nu eenmaal zijn eigen modes en fratsen had.)

zaterdag 20 december 2014

De betekenis (van 'tussen haakjes')

Door Marc van Oostendorp


Wat betekent het als je iets tussen haakjes zet? Ik probeerde deze week literatuur te vinden over deze belangwekkende kwestie, maar ik kon niets vinden. Misschien heeft er ooit weleens iemand over geschreven, maar een bloeiende tak van wetenschap lijkt de leestekenkunde niet te zijn.

Leestekens zijn de stiefkinderen van het taalonderzoek. Ze horen bij de geschreven taal; de meeste taalkundigen zijn daar minder in geïnteresseerd omdat ze vooral belangstelling hebben voor gesproken taal, die natuurlijker zou zijn. En degenen die de geschreven taal wél serieus nemen, richten zich dan weer vooral op spelling van woorden. Zoals dictees alleen gaan over verkeerde d's en t's, en nooit over een misplaatste puntkomma, zo richt ook het onderzoek zich vooral op het woordbeeld.

Ik kwam erop doordat ik een compliment wilde uitdelen op Facebook.

vrijdag 19 december 2014

Waarom...


door Bart FM Droog

 .. hebben veel dichtbundels die veertig, vijftig jaar geleden verschenen een voorplat (een archaïsch woord voor voorzijde van een boek) dat tien keer meer aan de eisen van nu voldoet dan boeken die recentelijk verschenen? 

Kijk maar - het bovenste boek, Bijbedoelingen van Victor E. van Vriesland, verscheen in 1972. De titel en auteursnaam zijn zelfs op postzegelformaat (het formaat waarop je de boeken in internetboekwinkels in eerste instantie aantreft) duidelijk leesbaar.

Iets dat niet gezegd kan worden van het onderstaande boeken uit 2014, de bundels Wolken schoven boven ons voorbij van Frans Depeuter, Mens Dier Ding van Alfred Schaffer en Molwerk van Frans Kuipers. Is er dan niemand die vormgevers en uitgevers vertelt dat de leesbaarheid van de titel en de naam van de auteur, óók op klein formaat,  toch wel een aandachtspuntje waard zijn?  



De maantalen en zonnetalen zijn al door Abram de Swaan ontdekt

Door Marc van Oostendorp
Ik moest deze week vaak aan Abram de Swaan denken. Dat kwam doordat er een nieuw artikel verscheen in het wetenschappelijk tijdschrift PNAS, waar onder andere NRC Handelsblad uitgebreid aandacht aan besteedde.

Het artikel is niet van De Swaan en er wordt ook in het geheel niet naar hem verwezen; maar het geeft een uitwerking aan een theorie die de Amsterdamse socioloog jaren geleden al naar voren bracht: die van het wereldtalenstelsel.

Volgens De Swaan kun je de talen van de wereld zien als een ingewikkeld planetenstelsel: sommige talen zijn als manen die draaien om andere talen, die dus planeten zijn.

donderdag 18 december 2014

Sjtómme Limburger

Door Leonie Cornips

Gé Reinders heeft maar twee coupletten in zijn lied Sjtómme Limburger van het album ‘As ’t d’r op aan kump’ nodig om het hart te raken van het onderzoek naar Taalcultuur in Limburg.

In het eerste couplet van Sjtómme Limburger introduceert Gé een ik-figuur die ons laat weten dat hij met rijke mensen op een boot voor het land van de vrijheid – Amerika – zeilt.  Op die zeilboot is het goed vertoeven: ‘Veur hadde radar, veur hadde cocktails, veur hadde cashew-neutjes, veur hadde ’t good’. En in de boot zit de ik-figuur ‘gezellig te aajhore in ’t Ingels’ met onder andere de gastvrouw. Maar opeens vertelt die gastvrouw dat ze in Nederland geboren is. En dan schuiven er spreekwoordelijke donkere wolken voor de zon; de gastvrouw die eerst zo gezellig kabbelend Engels met de ik-figuur spreekt: ‘ging Hollands kalle en waerde opins ’n Haarlemse kakmevrouw’. De ik-figuur weet zich geen raad. ‘Ich höb drie zinne Nederlands gekald, veulde ós allebei ter plekke verandere en zag: “If you don’t mind, I’d rather talk English now”.’ Weg is het gevoel van welbehagen en de goede sfeer is volledig bedorven. De ik-figuur voelt zich in zijn confrontatie met het Nederlands ‘weer eine sjtómme Limburger mit miene zachte G. Zónne kleffe zuiderling, klef wie aje sjlappe thee. Ich vinj det geveul neet good maar ’t zit heel deep in mien blood.’

Addenda EWN: Verorberen

Door Michiel de Vaan

verorberen ww. ‘opeten’

Middelnederlands verheurbeuren ‘aanwenden’ (Gent, 1419; met hypercorrecte h-), te veroerberne ‘te bewerken’ (1410–1430), veroorboort ‘gebruikt’ (1492). Vroegnieuwned. veroorboren (1500), verorbaren (1644) ‘gebruiken, gebruik maken van’, met reductie van de derde lettergreep ook veroorberen (1525), veroorbren(1648), veroirberen (1651), verorberen (1665). Laatstgenoemde vorm is de vroegste met korte o in plaats van lange oo. De betekenis ‘nuttigen, verteren’ vind ik voor het eerst in 1638 in een brief van Hugo de Groot (het oxhooft france wijn ... tsamen te veroorbooren), en frequenter vanaf 1660.

Afleiding met ver- van Mnl. orbaren ‘(land) bewerken ; gebruiken’, dat vanaf de 13e eeuw voorkomt, en dat zelf een afleiding is van oorbaar zn. ‘voordeel, opbrengst’. In de betekenis ‘spijs of drank nuttigen’ komt oirboren vanaf 1590 voor. Het ww. heeft in het Middelnederlands de vormen orboren (1276) en orbaren (1285), ongetwijfeld gesproken met lange oo-, vergelijk oorbaren en oorboren bij Kiliaan (1599). Mnl. orberen in Limburg, Brabant en Noordoost-Nederland werd wschl. als oorbeeren uitgesproken. Vanaf ca. 1650 wordt onbeklemtoond -boren verzwakt tot -beren. Met opvallende verkorting van beklemtoond oor

De R komt uit de kast

Door Marc van Oostendorp

Aan het eind van zijn proefschrift dat helemaal gaat over de [R] voor het Nederlands – dat is mijn favoriete soort boeken – haalt de Utrechtse geleerde Koen Sebregts onze Amerikaanse collega William Labov aan die taalwetenschappers indeelde naar de plaats waar ze hun werk deden: in de bibliotheek, het oerwoud, de studeerkamer, het laboratorium of op straat".

In de bibliotheek vinden we bijvoorbeeld de taalhistoricus, in het oerwoud de veldwerker die met uitsterven bedreigde indianentalen vastlegt, in de studeerkamer de grammaticus, in het laboratorium de psycholinguïst en op straat de sociolinguïst die vastlegt hoe er in het wild gesproken wordt.

Waarom wordt de R op zoveel verschillende manieren uitgesproken?  En hoeveel verschillende manieren zijn dat eigenlijk?

woensdag 17 december 2014

Grunberglezingen aan de UvA



Begin 2015 wordt aan de UvA een reeks lezingen gehouden rondom de Arnon Grunberg Tentoonstelling bij de Bijzondere Collecties. De lezingen zijn:

dinsdag 6 januari: Grunbergs realiteitshonger – Thomas Vaessens over Grunberg als journalist
 
maandag 12 januari: Grunberg N.V. Auteurschap in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid – Gaston Franssens over de ‘Grunbergformule’
 
maandag 19 januari: Economisch sadisme & literair masochisme – Saskia Pieterse over Huid en haar en de verhouding tussen economie en literatuur in deze roman

Pas verschenen: Een land van waan en wijs. Geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur



Deze maand verscheen bij uitgeverij Atlas Contact Een land van waan en wijs, een nieuwe geschiedenis van de Nederlandstalige jeugdliteratuur, onder redactie van Rita Ghesquiere, Vanessa Joosen, Helma van Lierop Debrauwer.

Inhoud
Lange tijd waren jeugdboeken vooral een middel in de opvoeding: schoolboeken, heiligenverhalen en kinderbijbels zetten de toon, met soms een vrolijk verhaaltje tussendoor, of een centsprent. Hoe anders is dat nu: de jeugdliteratuur van vandaag biedt een even boeiend als rijk palet aan verhalen in tekst en beeld. Van uitnodigende prentenboeken tot spannende fantasieverhalen, van gedichten tot meisjesboeken en historische romans. De Nederlandstalige jeugdliteratuur is veelzijdig, en heeft zelfs internationale allure: Nijntje en Kikker, Bart Moeyaert, Guus Kuijer en Tonke Dragt oogsten ook buiten ons taalgebied succes. Een land van waan en wijs laat zien hoe de jeugdliteratuur zich de voorbije eeuwen heeft ontwikkeld: een verhaal van boeken, schrijvers en illustratoren, maar ook van uitgevers en critici – die er vaak een heel andere smaak op na houden dan de jonge lezers. En natuurlijk is het ook het verhaal van film, theater, televisie en games, die zich graag laten inspireren door de jeugdliteratuur, en tegelijkertijd het jeugdboek voor nieuwe uitdagingen stellen.


Rita Ghesquiere, Vanessa Joosen, Helma van Lierop Debrauwer (red.), Een land van waan en wijs. Geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur. Amsterdam: Atlas Contact, 2014. 576 pagina’s. ISBN: 9789045027661. Prijs: € 34,99

Anneke Brassinga gebruikt geen woorden

Door Marc van Oostendorp

"Met kennelijk genot", meldde de jury van de PC Hooftprijs gisteren, " (her)gebruikt Anneke Brassinga bijna vergeten of in onbruik geraakte woorden, die in haar gedichten opnieuw worden geproefd en gesmaakt."

Dat klopt volgens mij niet: Brassinga gebruikt geen woorden. Althans, niet volgens het werk van de dichter zelf, en waarom zouden wij het beter weten? In haar werk, in het beeld van de wereld dat opdoemt in haar gedichten, leidt de taal haar eigen leven en wanneer iemand haar zou proberen te gebruiken, ontstaat er alleen maar onheil. En terwijl de hoofdzin "Brassinga gebruikt" te actief is, is de bijzin ("worden geproefd en gesmaakt") juist weer te passief: het is wel degelijk Brassinga die proeft en smaakt.

In haar laatste bundel, het onlangs verschenen Het wederkerige, staat het uitgelegd:

dinsdag 16 december 2014

P.C. Hooft-prijs 2015 voor Anneke Brassinga

Door Bart FM Droog

Het bestuur van de Stichting P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde heeft maandag 15 december besloten de P.C. Hooft-prijs 2015 toe te kennen aan Anneke Brassinga (Schaarsbergen, 1948), zo maakt de stichting op haar site bekend. Deze oeuvreprijs is dit jaar bestemd voor poëzie en wordt uitgereikt op een feestelijke bijeenkomst in het Letterkundig Museum, op donderdag 21 mei 2015, de sterfdag van de naamgever van de prijs, de dichter P.C. Hooft (1581-1647), onze grootste renaissancedichter. 

 
De P.C. Hooft-prijs 2015 voor het gehele oeuvre van Anneke Brassinga is toegekend op voordracht van een jury bestaande uit Wim Brands, Anja de Feijter, Rozalie Hirs, Erik Lindner en Maaike Meijer (voorzitter). Recente eerdere laureaten in het genre poëzie waren Tonnus Oosterhoff (2012), Hans Verhagen (2009) en H.C. ten Berge (2006). Aan de prijs is een bedrag verbonden van € 60.000. 
 

“Wie gedichten van Anneke Brassinga leest, stapt binnen in een geestverruimend heelal van taal. In elk gedicht openen zich onvermoede vergezichten van zeggingskracht. De taal wordt omgekeerd, uitgekleed en weer opnieuw uitgedost totdat alle registers die er ooit in voorgekomen zijn weer meedoen. Deze dichter is werkelijk overal geweest, in talloze literaturen, tradities en milieus, van academie tot markt, straat en kroeg. Met kennelijk genot (her)gebruikt Brassinga bijna vergeten of in onbruik geraakte woorden, die in haar gedichten opnieuw worden geproefd en gesmaakt. De liefde voor de onuitputtelijke mogelijkheden van taal in poëzie is de constante van haar werk”, aldus de jury.

© foto: Kasper Vogelzang, 2013.

De Indo-Europeanen hebben nooit bestaan

Die Indo-Europeanen waarover je vroeger zoveel hoorde, bestaan die eigenlijk nog wel? Niet volgens een dik boek van de archeoloog Jean-Paul Demoule dat de afgelopen weken furore maakte in Frankrijk.

Het leek mij altijd de grootste ontdekking van de taalwetenschap van de afgelopen eeuwen: dat de meeste talen uit Europa en Azië familie zijn van elkaar, en uiteindelijk afstammen van dezelfde taal, het Indo-Europees, die misschien in de Caucasus gesproken werd, of in het zuiden van Turkije. Vandaaruit zijn ze ooit, duizenden jaren geleden allerlei richtingen op getrokken en hebben de grondslag gelegd voor het Hindi, het Nederlands, het Bulgaars, het Galicisch en allerlei andere talen.

Maar waar zijn die Indo-Europeanen dan gebleven? vraagt Demoule. Er zijn geen archeologische bewijzen voor een verovering door een volk van zulke grote delen van Europa. Nergens is een spoor te vinden van de Het is onduidelijk waar ze eigenlijk vandaan zouden zijn gekomen: daar zijn allemaal theorieën over (Scandinavië, de Caucasus, Zuid-Turkije) maar die zijn geen van allen erg aannemelijk. We hebben als enige bewijs van hun bestaan het feit dat de Indo-Europese talen zoveel op elkaar lijken. En dat zou ook op een andere manier verklaard kunnen worden.