Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

maandag 27 oktober 2014

Het raadsel van academisch schrijven

Door Marieke Winkler

Gisteren schreef Marc van Oostendorp op Neder-L over Steven Pinkers nieuwe boek Sense of Style. Het herinnerde mij aan een essay van Pinker dat ik onlangs las in The Chronicle of Higher Education. Het essay, overigens bedoeld als teaser bij het boek, fascineerde mij omdat het opende met eenzelfde vraag die Karel van ‘t Reve alweer 36 jaar geleden stelde in zijn beruchte Huizingalezing Het raadsel der onleesbaarheid. In ‘Why Academics Stink at Writing’ vraagt Pinker zich namelijk af:

Why should a profession that trades in words and dedicates itself to the transmission of knowledge so often turn out prose that is turgid, soggy, wooden, bloated, clumsy, obscure, unpleasant to read, and impossible to understand?

Van ’t Reve meende dat het een bewuste keuze was van de literatuurwetenschapper om onleesbaar te schrijven. Academici zouden een obscuur jargon hebben ontwikkeld om te verhullen dat ze eigenlijk niets te zeggen hebben. Ze kleden het triviale stilistisch op zo’n manier aan dat het complex en wetenschappelijke klinkt.

Precies dit argument haalt Pinker aan in de opening van zijn artikel, maar anders dan Van ’t Reve schuift hij het ook meteen weer van tafel.
Het is onzin te stellen dat academici slechts het triviale opvijzelen, meent Pinker. Daarnaast valt het hem op dat wanneer je academici spreekt zij prima in heldere taal kunnen uitleggen waar hun onderzoek over gaat. En toch schrijven zij beroerde artikelen! Er is dus iets anders aan de hand.

Een van de problemen van academisch schrijven is volgens Pinker dat het een mix van twee stijlen is. Enerzijds vinden we een praktische stijl (communicatie volgens een vertrouwde tekstopbouw), anderzijds een zelfreflexieve of ‘postmoderne’ stijl. Die tweeledigheid wordt veroorzaakt door het feit dat academische teksten niet alleen gericht zijn op de communicatie van nieuwe kennis, zij zijn volgens Pinker misschien nog wel meer gericht op ‘selfpresentation’. Het is deze academische zelfpresentatie die leidt tot vermoeiend en saai metadiscours (het steeds weer expliciteren van de tekststructuur), tot academisch narcisme (het verwijzen naar de academische arbeid zelf) en tot eindeloos verontschuldigen en indekken.

De tweeledige stijl reflecteert het gegeven dat academici in twee werelden leven:

the world of the thing they study (the poetry of Elizabeth Bishop, the development of language in children, the Taiping Rebellion in China) and the world of their profession (getting articles published, going to conferences, keeping up with the trends and gossip).’

Academici zouden er volgens Pinker beter aan doen de obsessie met die laatste wereld los te laten. Dan ontstaat meer ruimte voor het bredere publiek waar zij altijd óók voor schrijven, een publiek dat nu, door de fixatie op de eigen gemeenschap, al te vaak buiten beeld valt.

Dit lijkt mij makkelijker gezegd dan gedaan. Allicht lukt het om leesbaardere teksten te produceren als we gebruik maken van de ‘classical style’ die Pinker in dit essay en in zijn boek Sense of Style voorstaat en die kortgezegd het zelfreflexieve aspect van academisch schrijven wil indammen. Maar wordt met die grotere leesbaarheid niet ook de ‘wetenschappelijke autoriteit’, of zo je wilt integriteit, van de teksten aangetast?

Deze vraag kwam bij mij op na het lezen van een blog over academisch schrijven van de Britse schrijver en filosoof Will Buckingham. Buckingham gebruikte daarin de termen ‘professionalism’ en ‘amateurism’ om een ietwat andere tweeledigheid van de academische schrijfarbeid te vangen. Namelijk die tussen de academicus die zich committeert aan een bepaalde professionele praktijk, en de academicus als amateur, als ‘one who has a taste for something’. In lijn met zijn betoog hoeft de wetenschapper niet de academische wereld te vergeten (zou dat hem immers niet ‘onprofessioneel’ maken?) maar moet hij simpelweg iets meer openstaan voor de amateur in zichzelf: ‘Writers need to be amateurs if they are going to write anything worth writing’.

Waar Buckingham helaas geen antwoord op geeft, is de vraag waar deze academische amateurschrijver zich moet profileren. In zijn onderzoekspapers, of zoals Buckingham zelf laat zien, in een meer persoonlijke blog?