Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

woensdag 17 september 2014

Nederlands voor taalhelden: een gemiste kans?


Alle eerstejaarsscholieren van het middelbaar onderwijs in Nederland en Vlaanderen hebben op 1 september 2014 een gratis taalboekje gekregen van de Nederlandse Taalunie: Nederlands voor Taalhelden. Volgens een bericht op de website vande Taalunie is het ‘niet bedoeld als leerboek, wel als naslagwerk. Het is getoetst aan het referentieniveau Nederlandse taal dat in Nederland voorgeschreven wordt voor de beoogde leeftijd en bij wat er in Vlaanderen in het secundair onderwijs aan taalkwesties moet worden behandeld. De terminologiekeuze is afgetoetst aan de Advieslijst Taalbeschouwelijke termen Nederlands.’ Verder lezen we dat het boekje dankzij de uitgevers Van Dale en Pelckmans gratis werd uitgedeeld aan 300.000 leerlingen ter gelegenheid van de start van het nieuwe schooljaar. Bovendien is het ook in de boekhandel verkrijgbaar voor 4,99 euro.

Ik ben geneigd om te zeggen: een toost op dit voortreffelijk initiatief! We leggen de lat hoog voor de talen, speciaal voor de moedertaal, en zijn dus blij met elke actie die daartoe wil bijdragen. Maar bij nader toezien is het toch wel een wat vreemde gang van zaken.
Hebben de leerlingen dan geen schoolboeken waarin ze de gewenste informatie over het Nederlands kunnen vinden? Stel je voor dat de leerlingen bij het begin van het schooljaar naast hun schoolboek wiskunde ook nog een brochure van de overheid zouden krijgen met leerstof wiskunde voor het eerste jaar van het secundair onderwijs. Dat zou toch impliceren dat die informatie niet in het schoolboek te vinden is of op zijn minst daarin niet op de juiste manier wordt aangebracht. We zullen dus moeten nagaan welke meerwaarde dit boekje heeft en waarom het een aanvulling (of correctie?) op het schoolboek en op de Nederlandse lessen zou kunnen zijn. Dat het boekje niet bedoeld is als leerboek, maar als naslagwerk, doet eigenlijk weinig ter zake. Ook schoolboeken, zeker als die voor het taalonderwijs dienen, moeten als naslagwerk gebruikt kunnen worden. We zullen ons moeten afvragen of dit boekje als naslagwerk voldoet aan een behoefte waarin momenteel niet door schoolboeken wordt voorzien. Op de kaft van het boekje staat overigens te lezen: ‘Het is een opzoekboekje om bij de hand te houden als je je afvraagt hoe je iets goed kunt formuleren.’ Dat is een wel erg hoog gegrepen doelstelling! We zullen dan ook proberen na te gaan of die door middel van dit boekje bij het doelpubliek bereikt kan worden.


Het boekje telt 72 pagina’s en het bevat drie soorten teksten: informatie over de regels van het Nederlands (taalgebruik en spelling), ‘weetjes over het Nederlands’ en spelletjes. Laten we beginnen met de eerste categorie, waarvan de spelling natuurlijk met de meeste items gaat lopen. Wat wordt er in verband met de spelling aangeboden en hoe gebeurt dat? De spellingitems beginnen meestal met twee of drie spelvormen, waaruit de leerling de juiste vorm moet kiezen, bv. chique, chic en sjiek. Deze werkwijze is alvast strijdig met een belangrijke vuistregel van het spellingonderwijs (gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek), die zegt: confronteer de leerlingen zo weinig mogelijk met foutieve woordbeelden, omdat er een grote kans bestaat dat de foutieve vorm in het geheugen wordt opgeslagen. Mensen laten kiezen uit spelvormen hoort thuis in Tien voor taal en andere quizzen, maar het is geen didactische werkvorm die ertoe leidt dat leerlingen de juiste spelvorm gemakkelijk zullen onthouden. Iedereen kan dat gemakkelijk bij zichzelf nagaan: de juiste spelling van de woorden die je door middel van drie mogelijkheden in Tien voor taal op het scherm hebt zien verschijnen, ben je meestal op het einde van dat programma vergeten. Meer nog: door de visuele presentatie van de foutieve spelvormen is je twijfel aan de juiste spelling van het woord vergroot. Het aanbieden van keuzemogelijkheden kan wel een middel zijn om iemands parate kennis van de spelling te toetsen, maar het is geen geschikte methode om nieuwe spellingregels of woordbeelden aan te brengen. Een soortgelijk bezwaar geldt voor de tips in verband met taalkundige kwesties zoals het gebruik van dan en als na een trap van vergelijking of het gebruik van die of dat als betrekkelijk voornaamwoord. De confrontatie met de foutieve vormen brengt de leerlingen alleen maar in verwarring, zeker als de uitleg die erop volgt allesbehalve eenvoudig is. Lees bv. de uitleg bij gekend en bekend. Daarin staat eerst te lezen: ‘We gebruiken gekend vooral om te zeggen dat iets vertrouwd is.’ En wat verder: ‘Ook om aan te geven dat iedereen iets weet, gebruiken we bekend.’ (p. 22) Wat is nu eigenlijk het verschil? Of lees de uitleg bij hebben/zijn gevolgd, bij (het) best(e), bij binnen een uur/over een uur of bij maar ook/noch. Wat daar te lezen staat is echt onverteerbaar voor twaalfjarige scholieren!

Nog erger is het als er keuzemogelijkheden worden aangeboden die ook in het dialectische taalgebruik heel zelden (of niet?) voorkomen. Bij de gebiedende wijs bv. wordt er gevraagd wat juist is: ‘Ben maar blij’ of ‘Wees maar blij’ (p. 8). Het eerste zal in Vlaanderen bij niemand over de lippen komen: alle Vlamingen (en ook de meeste leerkrachten) zeggen immers: ‘Zij maar blij’ of ‘Zijt maar blij’. Dat de gebiedende wijs van zijn nog andere vormen kan hebben dan wees, wordt hier overigens niet vermeld: wees stil, wezen jullie toch eens tevreden, weest u maar niet bang.

Het is ondoenbaar om hier alle grammaticale lemma’s te bespreken. Maar als er geen probleem is en alle mogelijkheden correct zijn, dan zou ik er geen aandacht aan besteden. En dat is nu net bij een groot aantal het geval. Soms is het onduidelijk of iets goed of fout is, bv. bij twee maand en half/twee en een halve maand/tweeënhalve maand. Daar staat te lezen: ‘Twee en een halve maand en tweeënhalve maand zijn de gewoonste vormen.’ (p. 31) Over twee maand en half wordt helemaal niets gezegd. Is dat dan goed of fout? Ik zou zeggen: als het allemaal goed is, dan hoeft het niet opgenomen te worden. Bovendien zijn sommige gevallen heel marginaal en/of irrelevant voor de doelgroep. Ik denk bv. aan het verschil in betekenis tussen geelgroen en geel-groen (p. 21), de vraag of je de merknaam iPhone als eerste woord van een zin met een hoofdletter moet schrijven (p. 28) en het advies om zinnen die beginnen met en, maak, ook en want ‘in zakelijke brieven’ te vermijden. Als we ook alle overlappingen zouden weglaten, bv. de identieke uitleg bij de trefwoorden antwoord en word over de gebiedende wijs of bij de trefwoorden andere(n), enkele(n) en vele(n) over de meervouds-n, dan zou er heel wat meer plaats zijn geweest voor echte probleemgevallen. Er zijn immers nog zoveel gevallen die aandacht vragen. Dat de meervouden motors en motoren bv. allebei goed zijn, is oké natuurlijk, maar dat moto niet bestaat in het Nederlands, wordt daarbij ten onrechte niet vermeld. Ik denk ook aan zoveel andere twijfelgevallen waarbij echt fouten gemaakt worden door de leerlingen, bv. bij het gebruik van zo’n en zulke, weer en terug, akkoord gaan of zijn, het is gestolen (geworden), ik ben bereid van te komen, zich verwachten aan iets enz. Dat sommige van deze fouten typisch Vlaams zijn en in Nederland helemaal niet voorkomen, hoeft geen bezwaar te zijn. In het boekje wordt nu al geregeld gewezen op de verschillen tussen wat de Nederlanders zeggen en wat de ‘Belgen’ (sic) zeggen. Overigens ben ik van mening dat taal- en stijladviezen op school het best niet geïsoleerd gegeven worden, maar geïntegreerd in het grammaticaonderwijs of in het schrijfonderwijs. Het heeft bv. niet veel zin je leerlingen erop te wijzen dat ze maar en echter niet in dezelfde zin mogen gebruiken (p. 32), als je nog nooit hebt geconstateerd dat ze dat ook doen in hun schrijfproducten. Het gevaar is niet denkbeeldig dat de leerlingen precies naar aanleiding van dat advies fouten gaan maken, omdat ze na een tijdje niet meer weten hoe de vork in de steel zit.

Het is ondoenbaar om op alle slakken zout te leggen, maar het zal duidelijk zijn: met een verantwoorde didactische aanpak heeft de behandeling van de spelling- en taalitems in dit boekje weinig te maken. Overigens is het ook jammer dat ze allemaal door mekaar staan, in een alfabetische volgorde die uitsluitend wordt bepaald door de toevallige beginletter van het woord of het spellingfenomeen. Spelfouten worden maar al te gemakkelijk ten onrechte ‘taalfouten’ genoemd. Door spelling en taalgebruik op één hoop te gooien, bevestig je eigenlijk dat het allemaal taalfouten zijn. Ik betwijfel ook of die alfabetische volgorde dit boekje tot een echt ‘opzoekboekje’ maakt, zoals op de kaft wordt beweerd. Mocht dat het geval zijn, dan zou het toch niet nodig geweest zijn er op het einde nog eens een alfabetisch register aan toe te voegen!

Na het alfabetische gedeelte bevat het boekje nog drie aparte rubrieken: de spelling van de werkwoordsvormen, een lijst van hoofdtijden en een lijst van woorden met een moeilijke spelling. Ten aanzien van de spelling van de werkwoordsvormen zou ik kort willen zijn. De presentatie daarvan verschilt in menig opzicht van wat in het onderwijs (en dus in de schoolboeken) gebruikelijk is. De gebruikte termen worden nergens gedefinieerd: wat de persoonsvorm is en hoe we die vinden, wat de stam van het werkwoord is, wat het voltooid deelwoord is enz. komen we nergens te weten. Aan de definitie  ‘Het voltooid deelwoord is de vorm die je in een zin meestal vindt in een voltooid tegenwoordige of voltooid verleden tijd’ hebben de leerlingen niets, omdat de begrippen voltooid tegenwoordige tijd en voltooid verleden tijd nergens uitgelegd worden. De spelling van de werkwoordsvormen moet didactisch heel anders aangepakt worden dan hier gebeurt: door een systematische opbouw van kennis en inzicht, met behulp van gepaste didactische werkvormen, bv. in een onderwijsleergesprek met goed geformuleerde vragen, goed gekozen voorbeelden en definities, in een stappenplan, met gebruikmaking van spellingstrategieën en met didactisch verantwoorde oefeningen.  Ik ga daar verder niet op in, omdat ik hoe het volgens mij zou moeten, al uitvoerig uitgelegd heb in mijn artikel ‘Spellingonderwijs:tijd voor een andere aanpak?’. Het allegaartje dat in dit boekje wordt aangeboden, met regels als ‘Een voltooid deelwoord eindigt nooit op –dt’ (p. 55), is didactisch volstrekt onbruikbaar.

In dit verband wil ik er nog op wijzen dat dit boekje wel eens heel contraproductief zou kunnen zijn. Het gevaar is immers niet denkbeeldig dat de leerkracht zich nu ontslagen voelt van enig spellingonderwijs en de leerlingen op spellinggebied aan hun lot overlaat, omdat ‘ze al een boekje hebben waarin ze alles zelf kunnen opzoeken’.  We hebben voor ons spellingonderwijs in de eerste graad van het secundair onderwijs geen behoefte aan boekjes waarin de regels nog eens op een andere (vaak didactisch onverantwoorde) manier uitgelegd worden. Die regels zijn te vinden in het schoolboek of in de spellinggids waar de leerlingen nu al over beschikken. We hebben vooral behoefte aan didactische hulpmiddelen: aan werkvormen, aan instructiemethodes en aan oefeningen die rekening houden met de aanbevelingen van recent wetenschappelijk onderzoek. Wie daarover meer wil weten en de belangrijkste vuistregels voor verantwoord spellingonderwijs wil leren kennen, verwijs ik naar het al genoemde artikel en naar mijn spellinggids Nieuwe spelling zachte helling en de bijbehorende Spellingtrainer (uitgegeven door Plantyn).

Over de laatste twee rubrieken kan ik nog korter zijn. De lijst van hoofdtijden (die veel Engelse werkwoorden bevat) is ongetwijfeld nuttig, al mis ik daarin nog een groot aantal courante werkwoorden die heel vaak foutief vervoegd worden, zoals rekken, scheppen, opheffen, vouwen, zweren enz. De lijst van ‘vijftig woorden die moeilijk zijn om te schrijven’ staat haaks op alle principes van het woordenschatonderwijs, waarvan de belangrijkste vuistregel is, dat je woorden niet alleen met hun spellingbeeld moet aanbieden, maar tegelijk ook met hun betekenis, uitspraak en gebruikswaarde, met andere woorden: in een passende context. Aan lijstjes met contextloze moeilijke woorden (waarvan ze alleen de spelling uit het hoofd moeten leren) hebben leerlingen meestal niets. Dat lijstje met moeilijke woorden brengt me nog bij een andere bedenking. Nergens wordt er in dit boekje op gewezen, dat er voor de spelling ook elektronische hulpmiddelen zijn en dat de leerlingen ook die op school moeten leren gebruiken: het onlinewoordenboek, het elektronische Groene Boekje, de spellingchecker van Word enz. Leerlingen zullen overigens uit zichzelf niet geneigd zijn om voor de oplossing van een spelling- of taalprobleem in eerste instantie een of ander ‘opzoekboekje’ te raadplegen. En gelijk hebben ze: voor dit soort problemen bestaan er voortreffelijke onlinehulpmiddelen. Maar de school moet ze wel leren daar op een efficiënte manier mee om te gaan.

Volledigheidshalve moet ik nog vermelden dat het boekje ook een aantal ‘weetjes over het Nederlands’ en een aantal taalspelletjes bevat. Tot die ‘weetjes’ behoort bv. de vraag ‘Hoe oud is het Nederlands?’ In het antwoord op die vraag wordt gesproken over het West-Germaans en worden Oudnederlandse teksten geciteerd. Ik weet niet of twaalfjarigen dat zo interessant vinden, maar dit behoort zeker niet tot de eindtermen voor taalbeschouwing van de eerste graad. Voor veel van die ‘weetjes’ geldt overigens dat ze meer thuishoren in een quizprogramma dan op school. Op school proberen de leerkrachten toch in de eerste plaats gestructureerde kennis bij te brengen en geen losse, onsamenhangende ‘weetjes’.

Mijn eindoordeel over dit boekje kan de lezer al uit het bovenstaande afleiden. Hoe speels en aantrekkelijk dit boekje er ook uitziet, ik twijfel er heel sterk aan of het ergens kan helpen om bij de leerlingen de door de eindtermen gewenste kennis, inzichten en attitudes bij te brengen. Naar mijn mening is dit een volstrekt nutteloze publicatie, waarmee de Taalunie een hoop geld heeft weggegooid dat veel zinvoller besteed had kunnen worden. Ik ben er overigens van overtuigd dat je de leerlingen niet alleen geen taalbewustzijn, maar ook bv. geen burgerzin, milieubesef of verdraagzaamheid kunt bijbrengen door gratis boekjes uit te delen. Dat kan alleen maar gebeuren door die onderwerpen op een didactisch verantwoorde wijze in de klas aan te pakken en door ze te integreren in de hele schoolcultuur. En dat laatste brengt mij bij een alternatief voorstel. Waar had de Taalunie, als die zich terecht zorgen maakt over de spelling- en taalbeheersing van de leerlingen, dit geld dan beter aan kunnen besteden? Heel eenvoudig: aan een publicatie voor alle leerkrachten (niet alleen leerkrachten Nederlands) van het secundair onderwijs, waarin duidelijkheid verschaft wordt over een aantal voor de school relevante spellingkwesties en het gebruik van een aantal courante schooltermen. Wat is het nu eigenlijk: kopies of kopieën, klassenleraar of klastitularis, nota’s of notities, beraadslagen of delibereren, bordveger of bordenwisser, quoteren of beoordelen, onderlijnen of onderstrepen, schoolagenda of klasagenda, uurrooster of lesrooster enz.? Wat is het verschil tussen corrigeren en verbeteren, doorgaan en plaatsvinden, verlof en vakantie, alinea en paragraaf, handschrift en geschrift, synthese en samenvatting, examen en proefwerk, organiseren en inrichten enz.? Dàt zijn de vragen waarop de school van de Taalunie een antwoord zou willen krijgen. Mocht de Taalunie eens een boekje willen samenstellen waarin dat allemaal op een eenvoudige manier aan alle leerkrachten wordt uitgelegd, dan zou ze het onderwijs een grote dienst bewijzen. Dat boekje, dat natuurlijk gebaseerd zou moeten zijn op www.taaladvies.net, zou ook als neveneffect kunnen hebben dat deze voortreffelijke website van de Taalunie eindelijk eens algemeen bekend zou raken. Als dat boekje ooit mocht verschijnen, zullen we zeker een toost uitbrengen op dit initiatief, dat van àlle leerkrachten secundair onderwijs in Vlaanderen (en dat zijn er maar 60.000!) echte ‘taalhelden’ zou kunnen maken.


(Ludo Permentier, Nederlands voor Taalhelden. Nederlandse Taalunie, Van Dale Uitgevers, Uitgeverij Pelckmans, 2014, 72 p.)



2 opmerkingen:

  1. Ik heb enkele bedenkingen bij deze bespreking. Ik heb de indruk dat de auteur leerkrachten vrij laag inschat, en ik vind dat helemaal onterecht. De auteur stelt op een gegeven moment "Het gevaar is immers niet denkbeeldig dat de leerkracht zich nu ontslagen voelt van enig spellingonderwijs en de leerlingen op spellinggebied aan hun lot overlaat, omdat ‘ze al een boekje hebben waarin ze alles zelf kunnen opzoeken’." Wel, ik ken behoorlijk wat leerkrachten Nederlands. Geen enkele van hen zal 'zich ontslagen voelen van enig spellingonderwijs' omdat er nu een boekje is verschenen waarin onder meer een aantal spellingregels wordt uitgelegd. De leerkracht die dit een goed en nuttig boekje vindt, zal het net integreren in zijn lessen, en de leerkracht die dit didactisch even onverantwoord vindt als de auteur, zal het aan de kant laten liggen. Dat hoort namelijk bij het voorbereiden van lessen: materiaal zoeken en dat in een les verwerken. Een leerkracht is over het algemeen professioneel genoeg om zelf in te schatten of dat materiaal didactisch in orde is en bruikbaar is in de lessen. Ervan uitgaan dat leerkrachten een deel van hun opdracht opzij zouden schuiven vanwege zo'n boekje, dat getuigt van heel weinig vertrouwen in de beroepseer en de motivatie van deze mensen. En ja, er zullen er zeker zijn die er de kantjes aflopen, maar ook daar heeft zo'n boekje geen invloed op. Die doen dat zonder ook. Mijn tweede opmerking heeft te maken met de laatste alinea. De auteur lijkt ervan uit te gaan dat veel leerkrachten helemaal niet weten wat 'goed' taalgebruik is en ook niet weten waar ze terecht kunnen voor informatie hierover. Wel, ik kan hem geruststellen. Drie weken Taaltelefoon hebben mij geleerd dat de website taaladvies.net heel goed bekend is, en dat als leerkrachten het antwoord op hun taalvraag niet vinden op deze site ons ook contacteren. Op de dag dat deze bespreking verscheen, zat er een mail van een wiskundeleerkracht in onze mailbox. Ze informeerde naar de juiste spelling van een aantal wiskundige termen. Het ging niet om losse woorden die je gemakkelijk in de Woordenlijst kunt vinden, maar om bijvoorbeeld een samentrekking. Ik heb haar aan de telefoon gehad, en uit ons gesprek bleek heel duidelijk dat ze zelf al gezocht had en alle mogelijke regels had proberen toe te passen. Zij is geen uitzondering. Leerkrachten zijn zich doorgaans heel sterk bewust van hun taalgebruik, en van de voorbeeldfunctie die zij ten opzichte van hun leerlingen hebben. Als zij vragen hebben, vinden ze hun weg naar de taaladviesdiensten ook wel. Daar hebben zij geen boekje voor nodig.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Bedankt voor deze reactie. Bij elk van de twee bedenkingen zou ik een opmerking willen maken. In de eerste plaats heb ik niet gezegd dat àlle leerkrachten zich nu ontslagen zullen voelen van enig spellingonderwijs, wel 'dat het gevaar niet denkbeeldig is' dat dat gebeurt en dan zijn de leerlingen daar de dupe van, want aan dit 'opzoekboekje' hebben ze niet veel. Leerkrachten Nederlands die met spelling bezig zijn, hebben overigens over het algemeen ruimschoots voldoende aan wat het schoolboek hen daaromtrent aanbiedt. Daarom vind ik dit vooral een nutteloze publicatie. In de tweede plaats: dat zoveel leerkrachten de Taaltelefoon raadplegen, bewijst juist dat er behoefte is aan een publicatie over schooltermen en andere onderwijsrelevante taalproblemen. Ook al kennen ze taaladvies.net, dan vinden ze daar (nog) niet altijd wat ze zoeken of moeten ze constateren dat de uitleg die ze daar vinden niet altijd duidelijk genoeg is. Juist daarom pleit ik voor een publicatie voor leerkrachten naast de hulp die taaladvies.net nu al te bieden heeft.

      Verwijderen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.