Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

dinsdag 19 augustus 2014

Multiculturele verrijking götün

Door Marc van Oostendorp

In Brussel werkt een leraar op een Nederlandstalige school die soms met een zwaar Frans accent tegen zijn leerlingen roept Ik krijg de pijn aan mijn hoofd hé!

Het werkt. Zelfs met de lastigste klas van die school, 3 Kantoor, kan die leraar lezen en schrijven.

De Vlaamse taalkundige Jürgen Jaspers verbleef vijf maanden op de school en publiceerde een artikel over deze leraar (die hij meneer S. noemt) in het tijdschrift Language in society. Hoe werkt een 'Nederlandstalige' school in het huidige Brussel, waar het Frans de lingua franca is en de meeste leerlingen thuis Nederlands noch Frans spreken? Hoe kan iemand als meneer S. op zo'n school Frans geven, populair worden bij de leerlingen en tegelijkertijd gerespecteerd? Jaspers beschrijft in detail een van de middelen die meneer S. daarvoor gebruikt: een dagelijks, onvermoeibaar spel met taal.

Dat zinnetje over die pijn aan zijn hoofd, bijvoorbeeld, riep meneer S. niet zomaar. Hij riep het toen hij hoorde dat leerlingen buiten zijn les teveel Frans aan het praten waren. Hij imiteerde het Franse accent van die leerlingen om hen enigszins belachelijk te maken, en tegelijkertijd de angel uit zijn berisping te halen.

Hij gebruikt bovendien niet alleen Nederlands en Frans, maar zingt als zijn leerlingen binnenkomen vaak Willkommen, Bienvenue, Wellcome! uit de musical Cabaret. Bovendien maakt hij zich als het uitkomt ook belangrijke termen eigen uit de taal van zijn leerlingen. Wanneer hij net heeft geklaagd over de ommezijde van de multiculturele sfeer op school (diefstal), zegt hij tegen Jaspers 'verrijking mijn hol', om meteen aan een leerling te vragen 'Hoe zegt ge mijn hol in het Turks?' Het antwoord is overigens götün, als julle het weten willen.

Dat leraren op school allerlei talen door elkaar mengen is, schrijft Jaspers, nauwelijks beschreven. De meeste onderzoekers doen alsof leraren de onvermoeibare hoeders zijn van de officiële talen, en alsof iedere vorm van taalspel is voorbehouden aan de leerlingen – de rebellerende pubers die zich ook met hun afwijkende taal willen afzetten. Jaspers laat zien dat het – inmiddels – wel wat ingewikkelder ligt. Ook jonge leraren als de dertiger S. beginnen langzaam met al die verschillende talen te spelen. Ze doen dat weliswaar nog vooral op momenten buiten de les, en voor de grap. Maar het werkt kennelijk, zodat je kunt verwachten dat meer leraren het gaan doen.

Bovendien speelt op de achtergrond mee hoe lang zo'n school nog officieel zijn politieke eentaligheid kan handhaven, wanneer een groot deel van de leerlingen naast de taal van de ouders vooral een ver van de standaard staand Frans spreekt, en nauwelijks Nederlands. Wie is er dan precies gebaat bij een strenge taalpolitiek? Ook meneer S., die een van de strengere handhavers is van het Nederlands op de school, merkt dat. Wanneer hij godsdienstles geeft, in het Nederlands, merkt hij dat de leerlingen hem soms niet kunnen volgen. "Stop, meneer", roepen ze dan. "Stop!" Hij doet hun Franse accent na als hij ze imiteert.