Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

donderdag 3 juli 2014

Addenda EWN: degel

degel zn. m. 'ijzeren plaat van een drukpers'.

Door Michiel de Vaan

Oudste attestatie in de betekenis ‘plaat van een drukpers’ is deghel (1567). Het homoniem deghel ‘aarden pot, smeltkroes’ noemt Kiliaan “sax. sicam.”, dus ongeveer Oost-Nederlands en Gelders. Dat stemt overeen met de vindplaats deegel in het Kleefse woordenboek Teuthonista (1477). Daarna komt aerden deghel ‘aarden pot’ voor in de Biestkensbijbel uit 1560 (Psalm 12:7 De redene des Heeren is louter, ghelijck door louter vier inden aerden deghel gheproeft seuenwerf) en de Deux-Aes Bijbel uit 1562. In Limburg kwam het in de jaren 1930 nog sporadisch voor als ‘kookpan met lange steel’ (Roukens 1937: 165). Het Middelnederduits heeft degel, deygel ‘ketel’. Met dezelfde betekenis komt het woord in het Hoogduits met t- voor: OHD tegel (11e eeuw), MHD tegel, tigel, MoHD Tiegel ‘pot, smeltkroes’. De toepassing van Duits tegel, Tiegel op een onderdeel van de drukpers is ingegeven door de vorm van de degel (zie het plaatje van een 16e-eeuwse drukpers hieronder), en de betekenisoverdracht werd misschien bevorderd doordat degel al een industriële toepassing kende bij het smelten van metaal. De vraag is vervolgens hoe het Nederlands in de late 16e eeuw aan degel ‘drukplaat’ is gekomen, terwijl degel ‘pan, smeltkroes’ een oostelijk woord was. Het lijkt erop dat de bijbelvertalingen uit 1560 en 1562 hierbij een rol gespeeld hebben. In de psalmen wordt Luther’s tigel daar met Ned. deghel vertaald, terwijl in de Liesveltbijbel uit 1542 nog in aerdenen teylen stond, met het inheemse woord teil ‘pan, bak’. De bijbelvertaler van 1560 verraadt met deghel dus misschien zijn regionale (oostelijke) herkomst.


Het Ned. kent ook de variant diggelen (mv.) ‘grof aardewerk’, StNed. diggel ‘scherf’ (sinds 1600 geattesteerd, zie EWN). De variatie tussen degel en diggel is veroorzaakt door de verschillende Oudnederlandse naamvalsvormen met open en gesloten lettergreep, waarbij degel uit *digel of *degel ontstond en diggel uit meerlettergrepige vormen *digl-. Eenzelfde variatie bestaat bijv. bij zekel naast sikkel, tegel naast tichel, en stegel, stichel en stiggel ‘doorgang, steeg’. De gg is dus niet door expressiviteit ontstaan, zoals het EWN s.v. diggel zegt (wel correct: EWN s.v. sikkel).

De etymologische discussies draaien vooral om de vraag of degel (en de daarmee verwante d-woorden in het Germaans) van de Germaanse wortel *deig- ‘kneden’ is afgeleid, of een Latijns leenwoord voortzet. Een volledig bevredigend antwoord is niet te geven maar ik acht de tweede mogelijkheid waarschijnlijker. De betekenis ‘ketel’, ‘smeltkroes’ is goed te verklaren uit Latijn tegula ‘dakpan, tegel’, waaruit ook teil ‘bak’ is ontstaan. Voor de Hoogduitse vormen wordt daarom terecht ontlening aan het Romaans aangenomen, waarbij de t- laat zien dat het een recentere ontlening betreft dan die van OHD ziagal, MoHD Ziegel ‘tegel’. Seebolds Etym.Wb. der dt. Sprache verklaart de Laagduitse en Ned. d- uit “Umsetzung hochdeutscher Formen in niederdeutsche”, maar Teuthonista’s deegel is daarvoor te vroeg. Bovendien moet de variatie degel - diggel ´aardewerk´ ten laatste in het Vroegmiddelnederlands ontstaan zijn. Men heeft voorgesteld dat de d- werd overgenomen van een woord met een vergelijkbare betekenis, zoals MNl. doppe ‘pot’ (zie dop). Dat is natuurlijk denkbaar, maar er bestaat nog een andere oplossing, namelijk dat het Romaanse tegula een variant met *d- had. Dergelijke stemhebbende varianten van initiële t- (en p- en k-) komen in diverse Romaanse woorden voor (zie Figge 1966), en kunnen ook bij het Romaans-Germaanse taalcontact zijn ontstaan, zoals bij Doornik uit Romaans Turnacum. Aangezien de betekenis van degel, diggel op alle vlakken zo dicht bij die van tegula en Ned. teil ligt, geef ik aan Romaanse oorsprong de voorkeur.


2 juli 2014