Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

vrijdag 7 maart 2014

Liegen en lasteren in de middeleeuwen

Door Marc van Oostendorp

Het was een populaire wijsheid in de middeleeuwen: je kon meestal maar beter je mond houden. "Spreken es dicke zere berouwen ender ter grooter scaden comen," zegt het vroeg veertiende-eeuwse wijsgerige Boec van Sidrac, "ende swigen es selden berouwen." Van spreken kwam weinig goeds, en volgens sommigen vormden de 'zonden van de tong' — onder andere vleien, kwaadspreken, liegen, schelden, vloeken en uit je nek kletsen — een apart hoofdstuk in het boek der zonden.

De onlangs in Utrecht gepromoveerde Martine Veldhuizen heeft het originele idee gehad om de middeleeuwse opvattingen over slechte taal voor haar proefschrift De ongetemde tong te bestuderen aan de hand van twintigste-eeuwse taalfilosofen als John Searle, J.L. Austin en Paul Grice en taalkundigen als Dell Hymes. Zij beschreven taalgebruik als handelen, als een manier om iets te veranderen in de wereld; samen noem ik ze hieronder voor het gemak pragmatici (dat komt van het Griekse woord voor 'handelen').

Wanneer ik jullie bijvoorbeeld met de dood bedreig, is de wereld nooit meer wat hij is geweest; maar datzelfde geldt als ik jullie mededeel dat de aarde plat is.
Vanaf dat moment beschikken ineens honderden mensen over informatie die ze eerder niet hadden: dat ik geloof dat de aarde plat is.

Woorden morsen

Die visie op taalgebruik pas natuurlijk goed op het beeld dat het Boec van Sidrac schetst. Zoals ook het beeld van bijvoorbeeld Grice een goed begrippenapparaat blijkt te bieden om sommige middeleeuwse taalopvattingen te beschrijven. Volgens Grice gaan sprekers en luisteraars er in een gesprek van uit dat hun gesprekspartner zijn best doet om een zinnige bijdrage te bieden. Dat hij geen onwaarheid spreekt, bijvoorbeeld, en niet onnodig met woorden morst.

Veldhuizen bespreekt drie verschillende contexten waarin middeleeuwers nadachten over verkeerd taalgebruik: godsdienst, niet-godsdienstige ethiek, en het recht. Uit alle drie de domeinen haalt ze een aantal voorbeelden aan en laat ze zien hoe ze in het taalkundig-filosofisch begrippenpaar passen. Interessant zijn natuurlijk vooral de verschillen, de plaatsen waar het niet lukt. Ik zie er daarvan in totaal ook al drie.

Morele orde

Het eerste is dat al die pragmatici niet bezig waren met moraal, en ook niet met recht. Grice bedoelde bijvoorbeeld niet zozeer dat het verderfelijk is om te liegen, maar dat mensen er normaal gesproken vanuit gaan dat de ander niet liegt. Veldhuizen bespreekt een korte passage waarin Grice zegt dat het slechter is om te liegen dan om te uitvoerig te zijn. Maar ook dat bedoelde hij geloof ik vooral als een beschrijving van hoe mensen in elkaar zitten.

Door het wél in die context te plaatsen, krijgen de beschrijvingen een andere lading. Anderzijds is het mogelijk veelzeggend dat er pas sinds enkele decennia mensen zijn die zulke zaken als onwaarheid spreken kunnen beschouwen zonder er normen bij te betrekken. Ervoor is het nodig dat je de mens op zichzelf, en buiten de morele orde, kunt bekijken. Dat konden (of wilden) mensen in de middeleeuwen kennelijk niet.

Vuige praatjes

Het tweede verschil is een aanvulling die Veldhuizen maakt op het werk van de pragmatici. Zij gaan er meestal vanuit dat er twee personen bij een gesprek betrokken zijn: de spreker en de hoorder. Veldhuizen wijst erop dat in ieder geval voor de middeleeuwer ook anderen geschaad kunnen worden: de besprokene (bijvoorbeeld in het geval van laster) en het publiek (die zich laten meeslepen door vuige praatjes; ik vermoed overigens dat voor veel pragmatici die toehoorders alleen een bijzonder soort luisteraars zijn.)

Voor een deel heeft ook dit verschil te maken met de morele context waarin Veldhuizens discussie zich begeeft. Voor het begrip van hoe alledaags taalgebruik in elkaar zit is het vermoedelijk om het even of er over blokken hout voor de en haard of over mensen gesproken wordt. Juridisch ligt dat anders. Voor de middeleeuwers was er bovendien één heel speciale Toehoorder. Door Hem te schaden met je achteloze tong kon je de orde der dingen geheel en al verstoren.

Op zijn kop door een vloek

Dat is nog eens een taalhandeling! Hij past inderdaad in de schema's van Austin en Searle, waarin geen plaats is voor metafysische consequenties van het gezegde: bij de door hen geanalyseerde werkwoorden gaan die consequenties niet verder dan de spreker en de hoorder, en hun onderlinge relatie. Zij beoogden hiermee natuurlijk (en misschien terecht) om alleen objectief vaststelbare veranderingen weer te geven, maar het voorbeeld van godslastering laat zien dat hun werk daarmee toch minstens voor een deel cultureel bepaald was.

(Je zou het kunnen proberen te repareren door te zeggen dat er iets aan spreker of hoorder verandert door de godslastering, namelijk dat ze geloven dat ze nu verdoemd zijn. Maar een echte gelovige leeft in een wereld die geheel op zijn kop gezet wordt door een vloek. Dat is misschien subjectief, maar dan is menen dat je getrouwd bent omdat een ambtenaar gezegd heeft 'ik verklaar u man en vrouw' óók subjectief.)

Ongetemde tong

Het derde verschil tussen middeleeuwers en pragmatici houdt óók verband met een groot verschil in wereldbeeld. Voor middeleeuwers was het verschil tussen lichaam en geest veel groter dan voor ons. Ja, het was absoluut. Dat betekende dat een lichaamsdeel als de tong bijna een eigen leven kon leiden. Het was zaak om die tong in bedwang te houden. 'Die sine tonghe dwingt vander haest / dat hi Gode es alder naest' zegt de Dietsche doctrinale. Met de enorme stroom boeken van sociaalpsychologen over het onderbewuste (zoals Daniel Kahn) lijkt me de losse tong weer helemaal terug, trouwens.

Voor pragmatici die Veldhuizen gebruikt lijkt het me noodzakelijk dat de spreker wil zeggen wat hij zegt. Wanneer iemand dingen zegt omdat zijn tong machtiger was dan hijzelf, kunnen Austin, Searle en Grice wel inpakken.

Helaas heeft Veldhuizen uiteindelijk vooral een medioneerlandistische blik. Ze heeft niet veel meer gelezen dan de klassiekers op het gebied van de pragmatiek, en ook haar aanbevelingen voor verder onderzoek gaan allemaal over de mediëvistiek. Dat kun je haar natuurlijk niet kwalijk nemen, want De ongetemde tong moet een enorme kloof dichten. Ik hoop dat er veel over dit boek gesproken zal worden en weinig gezwegen,

Martine Veldhuizen. De ongetemde tong. Opvattingen over zondige, onvertogen en misdadige woorden in het Middelnederlands 1300-1550. Hilversum: Verloren, 2014. Bestelinformatie bij de uitgever.