Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

woensdag 12 februari 2014

De wedergeboorte van de indifferentialis

Sans amertume ni rancune: mijn laatste antwoord aan Neijt


Ten tijde van de Chomskyaanse hegemonie was het voor ‘andersdenkenden’ niet gemakkelijk een eigen persoonlijk geluid te laten doorklinken. Ook voor mij als structuralist. Bovendien was ik verbonden aan een Franstalige universiteit waar de middelen voor onderzoek van het Nederlands uiterst beperkt waren. Desondanks heb ik het door mij geïntroduceerde begrip indifferentialis verder kunnen onderzoeken en uitwerken. Ik heb voor mijn weinig orthodoxe visie inzake het (a)numerieke aspect van het substantief uiteindelijk niet alleen (zoals Neijt beweert) bijval gevonden bij Balk-Smit Duyzentkunst, maar o.a. ook bij Booij, Schermer-Vermeer, Hoekstra, (zie W.H.M. Mattens, “De jongste spellingswijzigingen”. Cahiers van het Meertens Instituut, 1998,  111.)



De Werkgroep ad hoc Spelling van de Nederlandse Taalunie

Ook voor de leden van de Werkgroep ad hoc Spelling van de Nederlandse Taalunie zijn mijn morfologische inzichten niet onopgemerkt gebleven: op grond van mijn publicaties verzocht deze Werkgroep mij in 1988 een notitie te schrijven over de problematiek van de zgn. tussenklanken. Deze notitie is gebaseerd op een grondige, formele en semantische beschrijving van de morfologische taalsystematiek. De begrippen ‘noodzakelijk meervoud en noodzakelijk enkelvoud’ heb ik daarbij als ondeugdelijke criteria afgewezen. De begrippen indifferentialis en collectief gebruikt substantief pluralis daarentegen spelen een essentiële rol in deze beschrijving.

De Werkgroep ad hoc Spelling onderschrijft mijn uitgangspunten: “Zij heeft zich gebaseerd op de morfologische systematiek en gestreefd naar de vermijding van het gebruik van het onderscheid ‘noodzakelijk enkelvoud/meervoud’ als criterium”, Spellingrapport, Nederlandse Taalunie, Den Haag 1994, 24.  De thans geldende spellingvoorschriften zijn - op één geval na - volledig in overeenstemming met de voorstellen uit mijn notitie, zie mijn bijdrage in Neder-L van 24 december 2013.

In tegenstelling tot wat Neijt beweert, zagen o.a. de taalgeleerden van de Werkgroep ad hoc Spelling - gezien de aan mij verstrekte opdracht - mijn linguïstische inzichten, waaronder de indifferentialis, dus wel degelijk zitten. Neijt, samen met Zuidema, eindredacteur van het Spellingrapport zag het blijkbaar niet zitten om in het rapport naar de door mij geschreven notitie te verwijzen. En in de Bibliografie, p. 125, staan vier publicaties van mijn hand over de indifferentialis, maar de belangrijkste, nl. die waarop de huidige spellingvoorschriften zijn gebaseerd, W.H.M. Mattens, “De spelling van de tussenklanken”, De nieuwe taalgids  1990, 540-552, is door Neijt toevallig(?) niet opgenomen.

Neijt weerlegt Neijt

Sinds mijn emeritaat in 2005 heb ik mijn aandachtsterrein verlegd van het wetenschappelijk onderzoek naar het juridisch en taalkundig bijstaan van mede-Nederbelgen in hun procedures tegen de Belgische Staat, i.c. de Belastingadministratie, inzake de belastbaarheid in België van de Nederlandse AOW-uitkering. De ontwikkeling op morfologisch gebied volg ik sindsdien slechts passief.

Volgens Neijt zou de indifferentialis geheel in de vergetelheid zijn geraakt als Felix van de Laar De knoedel van de taal niet had geschreven, hetgeen voor mij de aanleiding zou zijn geweest de pen te pakken. Zij vergeet dan blijkbaar dat o.a. zijzelf nog in 2010 uitvoerig aandacht heeft besteed aan de indifferentialis. Ik citeer: “In Mattens’ visie zijn er abstractere noties in het geding. Het gaat volgens hem om het onderscheid tussen de indifferentialis (een vorm die geen getal uitdrukt) en de pluralis (een vorm die het meervoud uitdrukt). De singularis is volgens hem niet in de taalvoorraad beschikbaar (die maakt geen deel uit van de morfologie, of het mentale lexicon zouden we nu zeggen). De singularis wordt gemaakt in het taalgebruik door het vormen van een woordgroep met een lidwoord (lees: singularisator, W.M. ) (…) Binnen de taalvoorraad, de woordenschat, komen dus meervoudsvormen voor, denk aan huizen, en anumerieke vormen zoals huis. In het taalgebruik kan daarnaast een enkelvoud worden gevormd, namelijk door de toevoeging van een lidwoord (lees: singularisator, W.M.) (een huis, het huis). Omdat binnen de taalvoorraad geen singularis beschikbaar is, moet het eerste lid van een samenstelling zoals huiseigenaar volgens Mattens beschouwd worden als een indifferentialis, een vorm die noch pluralis, noch singularis is. De vorm huizen in huizenbezitter is echter een pluralis”, adus Neijt in: Anneke Neijt e.a., “Van boekenbonnen en feëverhale. De tussenklank e(n) in Nederlandse en Afrikaanse samenstellingen: vorm of betekenis?” Nederlandse Taalkunde, 2010, 132.

Beter dan Neijt kan ik niet uitleggen “wat de indifferentialis precies is”.

Blijkbaar ziet ook de taalgeleerde Neijt zelf de indifferentialis dus wel enigszins zitten, want anders begrijp ik niet waarom ze mij in bedoelde publicatie zo uitvoerig citeert. Ze is het verder o.a. ook met mij eens dat de zgn. tussenklank “een intrinsiek deel van het eerste nomen [is]”, p. 126. “Mattens (…) [geeft] daar argumenten voor die we onderschrijven”, p. 126.

Mijn reactie op Van de Laar

Mijn wetenschappelijke passiviteit heb ik tijdelijk (inmiddels al veel te lang!) onderbroken om te reageren op de bijdrage van Van de Laar. De reden daarvoor was tweeërlei: enerzijds de mening van Van de Laar weerleggen dat de spellingcommissie mijn morfologische inzichten en dan met name de indifferentialis volledig genegeerd zou hebben en anderszijds mijn verontwaardiging uitspreken over  het feit dat Banga in haar proefschrift onder leiding van Neijt een geheel verkeerde voorstelling van mijn linguïstische inzichten geeft: “Mattens (1970) claims that linking elements are suffixes that do not express plurality but merely the generic meaning of nouns”, p. 28 en p. 55.  Je mag bij het beoordelenn van een proefschrift van een promotor toch een kritisch-wetenschappelijke houding verwachten. Misschien van Neijt niet, want correct citeren vindt zij ook zelf blijkbaar niet zo belangrijk: in bovengenoemde publicatie uit 2010 legt zij mij de volgende woorden in de mond: “Zoals terecht opgemerkt door Mattens (1970)  (…) hebben tussenklanken in samenstellingen een anumerieke functie: de enkelvoudsvorm kan gebruikt worden, terwijl een meervoud bedoeld is, en omgekeerd”, p. 142. Iedere concrete paginaverwijzing ontbreekt, begrijpelijk, want deze uitspraak is volledig in strijd met mijn linguïstische inzichten.

De kern van de discussie

Neijt en ik zullen waarschijnlijk van mening blijven verschillen. Onze uitgangspunten liggen blijkbaar te ver uiteen. Toch verbaast het me dat Neijt blijft spreken van een zgn. tussenklank -en, terwijl niet alleen ik, maar ook Banga en Hanssen overtuigend hebben aangetoond dat deze zgn. tussenklank niets anders is dan het meervoudsmorfeem. Men hoeft m.i. het meervoudsmorfeem niet te degraderen tot een louter fonetisch element om aan een meervoudig eerste lid van een samenstelling eventueel een grotere ritmische functie toe te kennen  dan aan een niet-meervoudig  eerste lid. 

Neijt gaat verder uit van de volgende twee mogelijkheden: een bipolaire tegenstelling singularis:pluralis zoals bv. in celstructuur:cellenstructuur , maar het verschil kan ook gradueel zijn zoals bv. in bloemkorf:bloemenkorf. Volgens Neijt verwijzen bloemkorf en bloemenkorf naar hetzelfde concept, behalve wat betreft het aantal bloemen. De aanwezigheid van –en blijkt de meervoudigheid van het eerste lid te verhogen, men voelt dat het om meer bloemen gaat, aldus Neijt.

Ik heb principiële bedenkingen bij deze beschrijvingen. Ik vraag me allereerst af of we nog wel met hetzelfde concept te maken hebben als het aantal bloemen verschilt: is een korf met weinig bloemen hetzelfde concept als een korf met meer bloemen? Bovendien bestaat het verschil in meervoudigheid alleen voor iemand die beide vormen kent én gebruikt. Hoe bepaal je verder of de hoorder, c.q. lezer aan het eerste lid dezelfde graad van meervoudigheid toekent als de spreker, c.q schrijver bedoeld zou kunnen hebben? Of is dit helemaal niet relevant? Maar als dat niet relevant is, wat is dan de zin van een graduele meervoudigheid?

Van mijn eigen promotor, wijlen Prof.dr. A.A. Weijnen, heb ik geleerd, dat je in eerste instantie de taalfeiten zelf moet laten spreken. Theoretische uitgangspunten kunnen onjuist zijn, taalfeiten zijn dat nooit.

Hoe ziet volgens Neijt de beschrijving van de volgende paren eruit:
  • boekverkoper:boekenverkoper: een bipolaire tegenstelling singularis:pluralis? Of verkoopt een boekenverkoper meer boeken dan een boekverkoper?
  • bloemkoolveld:bloemkolenveld: staan er op een bloemkoolveld minder bloemkolen dan op een bloemkolenveld? 
  • steenkoolmijn:steenkolenmijn: zitten er in een steenkolenmijn meer kolen dan in een steenkoolmijn? 
  • fietshok:fietsenhok: is een fietshok voor één fiets en een fietsenhok voor meer fietsen of kunnen er in een fietsenhok meer fietsen dan in een fietshok? 
  • koemelk:koeienmelk: is koemelk van één koe en koeienmelk van meer koeien.

Naar mijn oordeel tonen de taalfeiten hier onweerlegbaar de onjuistheid van de premissen van Neijt aan.

In mijn visie hebben we in bovengenoemde samenstellingen te maken met:
ofwel een indifferentialis, waarbij de zaak uit de buitentalige werkelijkheid in de taal zonder enige numerieke specificatie wordt voorgesteld, vb. boekverkoper.
ofwel een collectief gebruikt substantief pluralis, waarbij de genoemde exemplaren representant zijn van alle mogelijke exemplaren, vb. boekenverkoper.

Met behulp van de begrippen indifferentialis en collectief gebruikt substantief pluralis kan m.i. een veel adequatere beschrijving van nominale samenstellingen worden gegeven dan met het begrippenapparaat van Neijt.

Slotconclusie

Mijn indifferentialis hoopt binnenkort zijn vijftigste verjaardag te vieren. Ik vraag me af of de door Neijt geïntroduceerde begrippen superenkelvoud, supermeervoud en graduele meervoudigheid ooit deze respectabele leeftijd zullen bereiken.

Dit was mijn laatste bijdrage aan deze discussie. Vanaf nu geniet ik hier aan de zonnige Spaanse costa calida weer vooral van mijn emeritaat en van de heerlijke appeltaartjes van mijn echtgenote.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.