Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

dinsdag 4 februari 2014

Column 95: Google en de Gulden legende

Door Willem Kuiper

Tegen de tijd dat u dit leest, is de voltooiing van deel I van de Gulden legende-editie weer een paar weken dichterbij gekomen. De editie zelf is al af, nu alleen de inleiding nog. En de registers ... In de inleiding nemen wij, de drie editeurs, een legende op die ontbreekt in het handschrift KB Brussel 15140, dat aan de basis van de editie ligt. Dit is het oudste, compleet bewaard gebleven handschrift, nog net veertiende-eeuws en geschreven in een taal die niet ver af staat van de taal van de Brabantse vertaler, Petrus Naghel van Aelst († 1395). Deze Pelagius-legende ontbreekt ook in het ‘Amsterdamse’ handschrift UBA UvA VI B 15, waarmee het voor mij allemaal begon, met als gevolg dat ik mij tot voor kort niet bewust was van het bestaan van deze legende. Curieus genoeg staat hij wel in het onvolledig bewaard gebleven ‘Brugse’ handschrift. Dit is een nogal excentrisch handschrift – zie hier een afbeelding van fol. 75recto – het oudste ‘letterkundige’ handschrift dat op papier geschreven werd, en dat dateert van 12 oktober 1357 (of is dat de datum van de voltooiing van de Gulden legende?).

Deze Pelagius-legende, die helemaal achterin het boek staat, is geen legende als de andere, maar een bloemlezing uit een aantal kronieken, te beginnen met de Geschiedenis van de Langobarden van Paulus Diaconus († 799). Door het anekdotische karakter van deze legende is het voor de vertaler geen pretje om hier een goed verhaal van te maken. Wat te denken van:
Int jaer ons Heeren DCCCC ende XXVIIJ soe regneerde d’erste Otto. Ende doe dese Otte te Paschen sinen princhen hof hilt, eer si gheseten waren, soe nam eens princen kijnt, als kindere pleghen, de spise vander tafelen, ende de spisedraghere slouchene met eenen stocke. Doe dat des kints camerlinc sach, soe slouch hi den spisedraghere daer doet. Ende doene de keiser verdoemen wilde sonder audiencie, soe warp hi den keiser ter erden ende wildene versmachten. Ende doe hi hem cume uten handen ghenomen was, soe dedene de keiser houden ende seide dat hi mesdadech was, dat hi in der festen niet en verdrouch, ende daeromme liet hine vri wech gaen. (fol. 75rb)
Voor de fijnproever, de brontekst in de editie van Maggioni:
270 Denique primus Otto imperauit, scilicet anno domini DCCCCXXXVIII.
271 Dum autem in paschali sollempnitate dictus Otto principibus conuiuium preparasset, antequam sederent cuiusdam principis filius more puerili ferculum de mensa accepit, quem dapifer fuste prostrauit.
272 Quod cernens pedagogus pueri ipsum dapiferum mox peremit.
273 Quem cum sine audientia cesar condempnare uellet, ille cesarem ad terram deiecit et suffocare cepit.
274 Qui cum de eius manibus uix erutus fuisset, ipsum reseruari iussit se culpabilem clamans quod festo non detulit, unde ipsum libere abire permisit.
Voor de miereneuker:

– De datum klopt niet. Maggioni vermeldt geen variante jaartallen, wat de kans minimaal maakt dat de vertaler een codex volgde, waarin het jaar 938 genoteerd stond.
– De zin “Ende doe dese Otte te Paschen sinen princhen hof hilt” lijkt een voorzetsel te missen. Beter lijkt mij: *Ende doe dese Otte te Paschen met sinen princhen hof hilt.
– “spisedraghere” is geen goede vertaling van dapifer, wat ‘seneschalk’ betekent, dat is het hoofd van de huishouding. Die man – in de romans van koning Artur is het de gehate Keye – draagt ten teken van zijn waardigheid een staf, die zonodig gebruikt kan worden om een corrigerende tik uit te delen. Dat behoorde niet alleen tot zijn bevoegdheden, maar ook tot zijn taken. Naast religie was zinvol geweld een hoeksteen van de middeleeuwse samenleving: Wie zijn zoon de stok onthoudt, haat hem, wie hem liefheeft, tuchtigt hem. (De nieuwe Bijbelvertaling, Spreuken 13, 24).
– “camerlinc” is geen goede vertaling van “pedagogus”, waarmee de leermeester van de jongen bedoeld is. Een camerlinc is een lijfwacht. Dat die pedagogus zo’n klap in zijn handen heeft, hoort bij het beroep van opvoeder. Men sloeg het er destijds graag in.

Voor de goede verstaander:

Het bovenstaande is typisch middeleeuws in die zin dat enkel en alleen handelingen beschreven worden. Wat de personages hierbij dachten, wordt zelden meegedeeld. Was blijkbaar niet nodig, want hun gedrag sprak boekdelen. Aan ons de opdracht om de logica van de opeenvolgende gebeurtenissen bloot te leggen, want ga er gerust vanuit dat die er is.

Maar nu, waar gaat het over? Keizer Otto heeft de hoogsten van zijn rijk uitnodigd c.q. ontboden om samen met hem een hofdag te houden. De tafel is gedekt, het eten staat klaar, maar de heren zijn nog niet aangezeten. De of een zoon van een van de voorname / voornaamste gasten kan zich niet beheersen en pakt (een dienblad met) eten van de tafel. De seneschalk, die (als ceremoniemeester) toezicht houdt, slaat met zijn staf de jongen tegen de grond. Zijn leermeester ziet dat en slaat de seneschalk dood. De keizer is niet gecharmeerd van dit lik-op-stuk beleid en veroordeelt de impulsieve leermeester ter dood. Aan uitleg zijnerzijds, waarom hij handelde zoals hij deed, is geen behoefte (sine audientia). Wat er nu gebeurt, komt nog altijd op Nederlandse voetbalvelden voor. De leermeester is het oneens met de beslissing, gooit de keizer op de grond, grijpt hem bij de keel en wil hem wurgen. Met de nodige moeite wordt de pedagoog van de keizer afgetrokken. En nu komt het: in plaats van dat de keizer de cholerische schoolmeester ter plekke laat onthoofden, beveelt hij de man met rust te laten en zegt dat hijzelf schuldig is aan het verstoren van de feestvreugde. En hij laat de man vrij weglopen.

Zelfs voor een middeleeuwse lezer, denk ik, zal dit verhaal onbegrijpelijk zijn. Van een keizer hoort een voorbeeldfunctie uit te gaan, en dit is niet het goede voorbeeld. Het is waar, het Evangelie leert ons dat wij de andere wang moeten toekeren, maar die vorm van nederigheid past men niet toe op een hofdag, waarop de vorst juist zijn gezag moet laten gelden. In de loop van mijn leven heb ik een hoop Karel-romans en chansons de gestes gelezen, waarin maaltijden tijdens hofdagen ontaardden in totale oorlog, maar nimmer zag ik een keizer zich zo gedragen.

Als ik in een Middelnederlandse tekst een woord tegenkom dat mij onbekend voorkomt of waarvan ik onvoldoende zeker ben wat het betekent / kan betekenen, dan is daar altijd de CD-ROM Middelnederlands. Voor Latijnse teksten gebruik ik ... Google. Google gedraagt zich als een paar ingelopen schoenen. Het volgt je voetsporen en gaat na verloop van tijd steeds lekkerder zitten. Niets is zo vervelend als iets willen opzoeken op een vreemde PC. Je zoekt je rot, terwijl het gewenste resultaat thuis in een mum van tijd bovenaan in de lijst van resultaten staat.
     Uit onvrede over de afloop in bovenstaande passage ging ik op zoek naar de bron. Hoe zinvol en dankbaar zulk onderzoek kan zijn ervoer ik nog enkele alinea’s eerder, toen ik dit las:
Te dien tijde soe quamen overtallec spelthanen in Gallien die VI voete ende VI vloghele hadden ende IJ tande die harder waren dan steene, ende si vlogen als scaren van volke, een spacie van godleken weeghe IIIJ ofte VI milen verre hem spreidende, ende si woesten alle groiende dinghen in crude ende in boemen, ende zij voeren toter zee van Bortaendien, ende ten lesten worden sij verdronken metten waiende wende in de zee. Maer de zee warpse op de oever, ende van haren stanke besmetten sij al de luucht, ende hier af quam al te grote steerfte ende hongher, alsoe groet dat wel na dat derdendel vanden volke starf.
Voor de entomologen:
Frankrijk wordt overvallen door een zwerm sprinkhanen die 6 poten en 6 vleugels hebben en 2 tanden die harder zijn dan steen. Elke dag [godleken (divini) is een verlezing van diurni] verplaatste die zwerm zich 4 tot 6 mijl en verwoestte alles op zijn weg. Uiteindelijk komt die zwerm bij de Atlantische kust en wordt daar door de wind de zee ingeblazen. Vervolgens worden de verzopen sprinkhanen weer teruggeworpen op de kust en de stank die daarvan afkomt, verziekt de lucht, met grote sterfte en hongersnood tot gevolg: eenderde van de bevolking stierf.
De editie-Maggioni leest hier:
267 Per idem tempus locuste innumerabiles in Galliis apparuerunt, senas habentes alas, sex pedes, duos dentes lapidibus duriores, ut castrorum acies turmatim uolantes, spatium diurni itineris quatuor aut quinque milibus extendentes, omnia uiridia in herbis et arboribus uastantes;
268 que usque ad mare Britannicum peruenientes tandem flatu uentorum in profundum maris demerse sunt, sed estu Oceani ad litus reiecte ex putredine sua aerem corruperunt.
Ik wilde onder andere weten wat nu precies “ut castrorum acies turmatim uolantes” betekende en zag dankzij Google dat deze uitdrukking rechtstreeks ontleend is (lijkt) aan de Vulgaat: Canticum Canticorum 6, 4 en 6, 10.

Voor de gevorderde student:

Bij ‘humor in de Middeleeuwen’ denkt men in eerste instantie aan fysieke humor: boeren, scheten laten, de schijterij krijgen, vies worden, mishandeling enzovoort, omdat deze vormen van humor doorgaans omlijst worden door woorden die ‘lachen’ betekenen. Doorgaans is het niet het slachtoffer dat moet lachen, maar zijn het de omstanders of het publiek. Veel moeilijker op te sporen en te begrijpen zijn vormen van humor, waarbij niet ‘woordelijk’ gelachen wordt. Citeren is zo’n vorm van typisch middeleeuwse humor, en dan buiten de oorspronkelijke context om. Vergelijk het met: ik sta voor een balie en mij wordt naar mijn nationaliteit gevraagd. Het correcte antwoord zou luiden: de Nederlandse. Middeleeuwse humor zou zijn: ik ben van Duitsen bloed. Geleerde clerken vonden het maar wat grappig om citaten uit de Bijbel of uit het werk van de grote Latijnse schoolauteurs in hun teksten te verwerken met geen enkele andere bedoeling dan een grijns of een glimlach op het gezicht van de lezer te schilderen.

De monumentale Maggioni-editie verwijst bij deze enigmatische passage over keizer Otto naar de Chronographia van Sigebert van Gembloux, en naar het Speculum historiale van broeder Vincent, waarin deze passage van Sigebert wordt geciteerd. Maar niet dit verhaal over de hofdag ... In Canada is men begonnen met het digitaliseren van de Monumenta Germaniae Historica, maar aan Sigebert is men nog niet toegekomen. Doorzoeken dus.
     Nadat ik een paar opeenvolgende woorden uitgekozen had die mij onderscheidend genoeg leken voor deze passage vond ik in het Bullettino dell’ istituto storico italiano, numero 29 uit 1908 over de Annales Veronenses antiqui op p. 21:
In Pascali festo, dum idem Otto convivium principibus preparasset, ante quam consederent, cuiusdam magni ducis fìlius more puerili ferculum de mensa accepit, quem dapifer fuste prostravit, pedagogus puerì dapiferum peremit, quem dum Cesar sine audientia vellet condempnare, ille Cesarem ad terram deiecit et suffocare cepit. quo vix eruto, pacienter audivit, se culpabilem reddens, non quod detulerat festo et abire permisit.
De naald in de hooiberg! Het zou mij niet verbazen als deze kroniek de bron van Jacopo da Varazze, beter bekend als Jacobus de Voragine, geweest is. Jacopo excerpeerde voor deze Pelagius-legende tal van kronieken, die hij niet met name noemt maar verantwoordt als: “ut in quadam chronica dicitur” (zoals in een (of andere) kroniek verteld wordt).
     Het enige substantiële verschil tussen de redactie in de Legenda aurea en deze kroniek is de zinsnede “pacienter audivit”: hij luisterde geduldig. Wat hij eerst niet deed (“sine audientia”) doet hij nu wel. Maar wat heeft die leermeester dan gezegd dat de keizer zo radicaal van mening doet veranderen?
     De Legenda aurea vertellen het ons niet. Maar de Oude kroniek van Verona vervolgt met:
Post hec dum imperator castrum obsideret, cum omni exercitu securus dormiret, hostes ipsum interfìcere conabatur. Tunc ille miles cui pepercerat, nudus de balneo prosiliens, acepto solum clipeo Cesarem viriliter defendit et sic plenam gratiam promeruit.
Dat is vertaald in hedendaags Nederlands:
Hierna, toen de keizer het kamp belegerde, terwijl hij met heel zijn leger rustig lag te slapen, trachtte de vijand hem te doden. Toen kwam die ridder die hij gespaard had, naakt uit het bad gesprongen, en nadat hij enkel een schild gepakt had, verdedigde hij manhaftig de keizer en verwierf zo volledige dankbaarheid.
Met andere woorden: hoe onbegrijpelijk ook het gedrag van de keizer voor de prinsen geweest moge zijn, achteraf bleek hij gelijk te hebben.

Om dit beter te kunnen begrijpen moet u zich realiseren dat een keizer gezalfd wordt en daardoor in direct contact met God zelve staat. Een keizer kon ook wonderbaarlijke genezingen verrichten door middel van handoplegging. Zoals God een keizer in de hemel was, zo was de keizer op aarde ook (een beetje) God. Gehoorzaam zijn aan God impliceerde gehoorzaam zijn aan de keizer, die immers keizer is bij de gratie Gods.
     Het is typerend voor God om mensen voor (onaangename) verrassingen te plaatsen om zo hun onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en absolute kritiekloosheid te testen. Denk aan koning Karel in Karel ende Elegast, waarover een andere keer meer. Nu volstaat mee te delen dat God Karel geen onaangenamer opdracht kon geven dan hem uit stelen te sturen. Maar Gods wegen zijn duister en ondoorgrondelijk. Pas later komt Karel erachter dat hij dankzij deze absurde opdracht achter de voorgenomen staatsgreep gekomen is.

Zo ook moet mijns inziens deze anekdote over keizer Otto begrepen worden. In eerste instantie handelde Otto als een mens door de moordadige pedagoog ter dood te veroordelen. De pedagoog echter meende in zijn recht te staan – iemand dood slaan is gedurende de Middeleeuwen geen zonde noch een misdrijf, het gaat om de omstandigheden waaronder – en zoals hij eerst de seneschal aanviel, valt hij nu de keizer aan. Weer op adem luistert de keizer – zoals het recht voorschrijft! – naar de beweegredenen van de pedagoog. Otto beseft nu dat de seneschal de zoon van de prins nooit in aanwezigheid van allen en diens pedagoog had mogen slaan. Daarvoor was hij te hoog. De keizer neemt zijn verlies, geeft zichzelf de schuld en de pedagoog een vrijgeleide. En door dat te doen handelde hij als een man Gods, onbegrijpelijk voor de mensen om hem heen, maar ...
     Dankzij de Oude kroniek van Verona weten wij dat de goddelijk geïnspireerde keizer voor zijn voor mensen onbegrijpelijk gedrag in het gelijk gesteld wordt. Met dezelfde moed en doodsverachting waarmee de pedagoog zijn pupil verdedigde, verdedigde hij nu zijn keizer op een manier die alles weg heeft van een ingrijpen door God zelf.
     Moraal: al doet de keizer nog zo gek, hij is een man Gods. En daarom is men hem dezelfde onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en absolute kritiekloosheid verschuldigd als God zelf.

Voor de lezer:

Onlangs bereikte mij de klacht dat mijn columns veel te lang zijn. In elk geval veel te lang voor een ‘column’. De klager heeft volkomen gelijk!

2 opmerkingen:

  1. Hallo Willem, een column van jou kan mij niet lang genoeg zijn. Wat een mooie vondst toch weer na noeste vlijt en gedegen kennis. Het sluit mooi aan op het verhaal van Peter Raedts. Kijkend naar het Brugse handschrift, lijkt het toch wel verbazend veel op hs. Van Hulthem. Maar dat zal jullie ook wel opgevallen zijn.
    Groeten van Greet Jungman.

    BeantwoordenVerwijderen

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.