Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

vrijdag 11 oktober 2013

Vondel en psycholinguïstiek deel 4: onderzoeksmethode

Door Viorica Van der Roest

Voorwoord           Deel 1         Deel 3
Inleiding                Deel 2

Op de middelbare school zag ik het nut van wiskunde niet in (gelukkig kon ik met mijn talenpakket de laatste twee jaar op school wiskundevrij doorbrengen). Maar later heb ik mijn mening toch een beetje moeten bijstellen. Bij het schrijven van mijn scriptie over Vondels Inwydinge kwam ik erachter dat statistiek een goede aanvulling kan zijn op taalkundig onderzoek. Dus oké, wiskunde heeft toch goede kanten, zo lang het in dienst staat van écht nuttige zaken zoals taalkunde.

Om te onderzoeken wat de relatie is tussen de lengte van de perceptieve continua en het gebruik van enjambement in Vondels Inwydinge van ’t Stadthuis t’ Amsterdam enerzijds en de inhoud van de tekst anderzijds, heb ik de statistisch-stilistische onderzoeksmethode gebruikt die Van Leuvensteijn en Wattel in hun eerder besproken studie van 2002 hebben gepresenteerd. Zoals zij daarin aangeven, kan statistiek ons laten zien wat ‘normale’ verschijnselen zijn en wat als uitzonderlijk kan worden beschouwd (p. 4). Hierbij is het wel belangrijk het voorbehoud dat zij bij de methode maken goed in het achterhoofd te houden: de dichter was niet verplicht tot het (consequent) gebruik van stijlmiddelen. Dit soort onderzoek kan daarom niet meer dan tendensen laten zien.


De lengte van de perceptieve continua heb ik gemeten in klankgrepen. Dit is een overkoepelende term voor de heffingen en dalingen waaruit een jambe is opgebouwd. De Inwydinge is geschreven in alexandrijnen (zesvoetige jamben). Een perceptief continuüm staat gelijk aan:

  • Een hoofdzin.
  • Een bijzin.
  • Een beknopte bijzin: (om) te + infinitiefgroep, predicatieve toevoeging, deelwoordgroep of bijstelling.
  • Een uitroep.
  • Een aanspreking.
  • Het woord ja of het woord nee.
  • Een geïntercaleerde zin.
  • Een zelfcorrectie. 


Samengetrokken zinnen zijn gescheiden. Nevenschikkende voegwoorden zoals maar of en worden bij het perceptief continuüm gevoegd waar ze vóór staan. Wanneer een uitroep en een aanspreking achter elkaar voorkomen, gelden ze samen als één perceptief continuüm.

Enjambement heb ik, zoals al eerder besproken, opgevat als het binnen een perceptief continuüm vallen van een verseinde. Omdat uit eerder onderzoek van Van Leuvensteijn en Noldus (1991) al is gebleken dat de invloed van cesuuroverschrijding op de betekenis van een tekst niet kan worden aangetoond, heb ik de cesuur in mijn onderzoek buiten beschouwing gelaten.

Eerst heb ik in de tekst de perceptieve continua afgegrensd en de enjambementen aangegeven. Daarna heb ik de verzen in 25-tallen gegroepeerd en geteld hoeveel perceptieve continua en enjambementen er per 25-tal verzen voorkomen. Hoe korter de perceptieve continua zijn, des te meer komen er in een 25-tal voor. Omdat de Inwydinge een doorlopende tekst is met maar één ‘personage’ (de verteller) kon ik werken met een door mij begrensde eenheid van 25 verzen. De aantallen klankgrepen en versgrenzen zijn daarom niet variabel en hoefden niet in het onderzoek betrokken te worden. Dit is anders dan in de studie van Van Leuvensteijn en Wattel, die de (toneeltechnische) claus (een aaneengesloten tekst van één personage) als eenheid kozen, waardoor er juist veel variatie was in aantallen klankgrepen en versgrenzen.

Vervolgens heb ik me gericht op de passages met extreem veel of extreem weinig enjambementen en de passages met extreem lange of extreem korte perceptieve continua. Over wat extreem is, wordt uitsluitsel verkregen door te kijken naar de standaarddeviatie: de normale, te verwaarlozen afwijking van het gemiddelde. Bij het berekenen van de standaarddeviatie kreeg ik hulp van wiskundige Evert Wattel. In onderstaande grafiek is te zien hoe deze afwijking van de standaarddeviatie eruit ziet (gescand uit mijn scriptie die niet mooi stil wilde blijven liggen op de printer, dus excuses voor de twijfelachtige beeldkwaliteit).



De rode curve geeft de enjambementen weer; de blauwe de lengte van de perceptieve continua. Op de horizontale as staan de 25-tallen. Het ziet er ingewikkeld uit, maar het belangrijkste is dat de punten die ver buiten het gekleurde vlak vallen, het onderzoeken waard zijn. Ten slotte nog in een tabel een overzicht van de passages met extreem veel/weinig enjambementen en passages met extreem lange/korte perceptieve continua.




Volgende week in Vondel en psycholinguïstiek: eindelijk komen de onderzoeksresultaten aan bod! Om te beginnen een bespreking van de passages met extreem lange perceptieve continua. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.