Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

woensdag 25 september 2013

De tekst en ‘de’ lezer in de modern-letterkundige neerlandistiek. Een steekproef

Fabian R.W. Stolk, Universiteit Utrecht


Abstract The literary text still is in focus in recent Dutch literary scholarship. Most of the contributions to three (digital or digitalized) academic magazines scrutinize texts, and they do so not only for the (interpretation of) the text’s sake; the text often is the departing platform for investigations in literary theory, history, knowledge, criticism, reviewing and the like. Old school single minded close reading is out of date. Most of these investigations tend to rely on the interpretative activities of one single reader, who often appears to be akin to the scholar him- or herself but who nevertheless is presupposed to represent the entire interpretive community (of colleagues).
This text originated as a contribution to the international conference of modern Dutch literary studies  ‘Achter de verhalen 4’, Utrecht, 18-20 april 2012.

1 Inleiding


Rónán McDonald geeft met The Death of the Critic (2007) één lang en aanhoudend, bevestigend antwoord op de vraag of de balans van de wetenschappelijke aandacht voor de literaire tekst onder invloed van Cultural Studies doorgeslagen is naar de sociale en culturele en politieke context ten koste van die voor de literatuur zelf of voor het specifiek literaire en esthetische van literatuur. Let wel: doorgeslagen. Hij pleit niet voor een terugkeer naar een orthodox ergocentrisme met die ‘goede oude’ esthetische isolatie van de literaire tekst, maar voor het (her-)vinden van een - dialectisch of dynamisch - evenwicht van aandacht voor tekst en aandacht voor de context.

Voortekenen van de terugslag ziet McDonald in de bundel The New Aesthticism (2003), samengesteld en ingeleid door van John J. Joughin en Simon Malpas.
Ook zij pleiten niet voor een radicale terugkeer naar een oud paradigma, maar voor het opnieuw naar de voorgrond schuiven van een oud paradigma maar dan wel een dat is gemoderniseerd onder invloed van de hausse aan nieuwe theorievorming uit de jaren 80 en 90 van de twintigste eeuw. Joughin & Malpas schrijven in hun inleiding:

Theories of textuality, subjectivity, ideology, class, race and gender have shown such notions of universal human value to be without foundation, and even to act as repressive means of safeguarding the beliefs and values of an elitist culture from challenge or transformation. The upshot of this series of interventions has been the rapid expansion of the canon, as well as a profound questioning of the very idea of canonicity. (Joughin & Malpas 2003: 1)

Voorts:

Of course the unmasking of art’s relation to ideology, historical and political context, self-identification, gender and colonialism are immensely important for contemporary thought and politics. It is impossible now to argue that aesthetics is anything other than thoroughly imbricated with politics and culture. And this, without doubt, is an entirely good thing. None of those involved in this book set out to present any sort of rearguard defence of, or case for a return to, the notion of art as a universally and apolitically humanist activity presided over by a benign council of critical patriarchs. Rather it would be more accurate to say that the appearance of The New Aestheticism coincides with a conjuncture that is often termed ‘post-theoretical’ – both historically in the sense that in terms of historical sequence it comes after the initial impact of theory, but also conceptually in the sense that as ‘theory’ now enters a more reflective phase, there is an increased willingness among cultural theorists and philosophers alike to consider ‘the philosophical origins of literary theory’. (Joughin & Malpas 2003: 3)

Nu spreken Joughin & Malpas (2003) en McDonald (2007) over de Amerikaanse en Engelse situatie, niet over de modern-letterkundige neerlandistiek. Dat wil ik hier wel eens proberen.

1.1 Positie, kader

Mijn verkenning van de positie van de literaire tekst in de modern letterkundige neerlandistiek ontstond enigszins impulsief, en sproot voort uit een vaag, intuïtief, sluimerend ongenoegen, opgewekt door het vermoeden van een gebrek aan aandacht voor de literaire tekst in literairwetenschappelijke beschouwingen. Ik dacht dat de balans was doorgeslagen naar de kant van context, terwijl ik me ook realiseerde dat de modern-letterkundige neerlandistiek zich met goed fatsoen niet meer of weer uitsluitend kan richten op de hoge, canonieke, intellectualistische modernistische en postmodernistische literatuur en literariteit. Cultural Studies - meer nog dan de oudere Rezeptionsforschung - heeft de letterkundige onder meer geleerd altijd ook de vraag te stellen: ‘Wiens literatuur?’

Mede onder invloed van de voortschrijdende democratisering en massificatie van álle vormen van cultuur, mogelijk gemaakt door economische, onderwijskundige en (vooral informatie-)technologische ontwikkelingen, moet de modern-letterkundige neerlandistiek haar object mijns inziens (tevens) zoeken buiten het zichtveld dat de traditionele bellettristische, ivoren toren biedt. Wil wetenschap een specifiek deel van de werkelijkheid beschrijven, zoals de moderne Nederlandse literatuur, dan zou in principe geheel dat specifieke deel van de werkelijkheid onderzocht moeten worden, de ijsberg, niet alleen het topje. Dan kan de letterkundige neerlandistiek weer aansluiting vinden bij het (niet-academische) literatuurpubliek. Die (her)aansluiting is niet nodig omdat die er vroeger altijd was,[1] maar vooral omdat recente en dreigende bezuinigingen op overheidsuitgaven voor het onderhoud en ter stimulering en verbetering van cultuur, kunst, onderwijs en wetenschap de academie steeds meer dwingen eigen geldstromen te genereren in de publieke sector. In die publieke sector is er, ondanks alle geklaag over ontlezing, mijns inziens nog steeds een ruime, misschien zelfs wel sinds die goede oude tijd gegroeide publieke belangstelling voor de literaire tekst. En tekst is, zeker nu, geld. En zoals de gulden is veranderd in de euro, is misschien ook de literaire valuta inmiddels grondig gewijzigd. Ik bedoel niet dat de letterkundige neerlandistiek zich volledig op het niet-academische publiek zou moeten richten, maar een wat betere aansluiting lijkt me mogelijk (en uiteindelijk profijtelijk). Die aansluiting lijkt me zo aantrekkelijk omdat de modern-letterkundige neerlandici een domein van de werkelijkheid onderzoeken dat per se ook in de belangstelling staat van een groot lezerspubliek dat niet of minder geschoold is in de academische bestudering ervan.

Sinds de doorbraak van Cultural Studies zou de literaire tekst steeds meer zijn benaderd als ‘één onder veel verschijnselen in de cultuur, een verschijnsel waarvan de betekenis moet worden bepaald door het te situeren in zijn sociaal-politieke context’. (Buelens e.a. 2011) Ik kan me voorstellen dat de ‘gewone’ literatuurliefhebber denkt: ‘Altijd dat gedoe over post- en ander kolonialisme; steeds weer dat gepieker over ideologie, tekstualiteit, mediatisering, ras en gender, over autobiografie; dat getheoretiseer om de tekst heen, dat zo ver gaat dat er in theorie geen echte tekst meer te onderscheiden is; alsof er niet genoeg is te verhapstukken aan literatuur als literatuur.’

Naïeve voorstelling. Maar soms is naïviteit vruchtbaar, zeker waar het vermoeden bestaat dat ze uit zicht verdwenen is, achter wolken van theoretisering (of: abstracte bespiegeling). Helemaal naïef en subjectief is mijn voorstelling niet, want in ‘Te veel werkelijkheid is dodelijk voor de kunst’ wijst ook Rosemarie Buikema erop dat politieke gedrevenheid tout court  het risico kent ‘dat wat kunst tot kunst en met name literatuur tot literatuur maakt bij voorbaat over het hoofd wordt gezien als een pragmatische lezing niet ogenblikkelijk leidt tot het door de lezer gewenste politieke effect.’ (Buikema 2010: 208) En zij verwijst op haar beurt naar Jonathan Culler die anno 2000 reeds ‘constateerde […] dat hij als literatuurwetenschapper zo druk in de weer is geweest met de conceptualisering van gender, race, identiteit en subjectiviteit dat in toonaangevende literatuurtheoretische introducties van zijn hand geen woord gewijd is geweest aan literariteit’. (Buikema 2010: 208)

De literatuur en het gewone publiek van literatuur, wordt soms wel betrokken bij en geraakt door de wetenschap, maar niet altijd even fijngevoelig of vriendelijk. Ik hoef wat dat laatste betreft de receptiegeschiedenis van Thomas VaessensDe revanche van de roman (2009) niet te schetsen om een hint te geven van de mogelijkheid van miscommunicatie. Die miscommunicatie, en evenzogoed een mogelijk gebrek aan communicatie, is wellicht (deels) te wijten aan de academische isolatie ten opzichte van de gewone werkelijkheid, de afstand tussen de reflectie op literatuur en de literatuur van de gewone lezer. De gewone lezer behoort tot een groep die de afgelopen decennia veel groter is geworden en die, als we durven en mogen afgaan op de schets die Alessandro Baricco geeft in De barbaren (2010), aandacht heeft voor andere vormen van literatuur, beter nog: een andere vorm van aandacht heeft voor literatuur en communicatie over literatuur dan de lezer uit vroeger tijden. De literatuur die pas goed verstaan kan worden in connectie met andere literatuur, zoals veel modernistische en postmodernistische teksten, is op de tocht komen te staan. Daarvoor in de plaats, nee: daarnaast zijn de boeken gekomen die passen in een ‘productoverstijgende sequentie’ (Baricco 2010: 78), die verfilmd zijn, of die geschreven zijn door een tv-persoonlijkheid. De ‘barbaren’, die het dorp van de literatuur hebben overvallen, ‘neigen er alleen maar toe boeken te lezen waarvan de gebruiksaanwijzing wordt gegeven op plekken die níét boeken zijn.’ (Baricco 2010: 79) Boeken die de lezer bereiken als bijlage van de krant, bijvoorbeeld de literaire debutenreeks van de Volkskrant anno 2011-2012. Dergelijke ‘literatuur’ ziet Baricco als ‘[e]en soort neurotransmitter die betekenis doorgeeft aan aangrenzende zones en zo meewerkt aan de constructie van transversale sequenties van ervaringen.’ (Baricco 2010: 81)

Via de neurologische metafoor die Baricco hier gebruikt, is zijn essay te relateren aan de studie The Shallows van Nicholas Carr (2010). Zich baserend op neurologische onderzoeken beoordeelt Carr de menselijke neiging naar het horizontale vlak van de sequenties negatiever dan Baricco; de oorzaak van die neiging ziet hij in het toenemend gebruik van internet, dat onze hersenen omvormt. De kennelijk provocerend bedoelde titel van Baricco’s boek, De barbaren, behelst opmerkelijk genoeg geen waardeoordeel; ze is louter een metafoor, ontleend aan de visie van de oude culturele elite op de nieuwe massa die zich toegang verwerft tot de cultuur. Baricco doet weinig meer dan uitleggen dat de barbaren nu eenmaal zijn gekomen, en dat ze niet slecht zijn, maar anders; ze zijn andere deelnemers aan de cultuur dan ‘je’ gewend was. Carr daarentegen draagt met de titel van zijn boek ook zijn positie uit: hij is een voorstander van durende aandacht, trage studie en diep, vorsend lezen:

The ability to skim text is every bit as important as the ability to read deeply. What is different, and troubling, is that skimming is becoming our dominant mode of reading. [...] What we’re experiencing is, in a metaphorical sense, a reversal of the early trajectory of civilization: we are evolving from being cultivators of personal knowledge to being hunters and gatherers in the electronic data forest. (Carr 2010: 138).

Mijn aandacht voor de mogelijke belangen van de lezer in de straat werd onder andere gewekt door enkele producten van zeer specialistische neerlandici. Die leken mede voor leken bestemd, maar waren dat mijns inziens in wezen niet. Ik doel op twee zeer goede, wetenschappelijk verantwoorde edities van Nederlandstalige literatuur, die - in mijn optiek althans - het belang van de gewone lezer uit het oog verloren hadden (zie Stolk 2011). In de herziene, tweede uitgave van Favereys Gedichten 1962-1990 (2010) heeft Marita Mathijsen gedichten uit een nimmer gepubliceerde bundel opgenomen, maar zo, dat de identiteit van die ooit ter publicatie aangeboden debuutbundel van Faverey niet te reconstrueren is, laat staan dat die bundel op slag voor de geïnteresseerde liefhebber zichtbaar is. Dat verbaasde me omdat me niets zo interessant lijkt voor een in poëzie geïnteresseerde lezer als de ontdekking van een onbekende tekst van een auteur die al een forse reputatie heeft, om niet te zeggen: beroemdheid geniet.

Iets anders ging er mis, als ik dat oordeel eraan mag koppelen, met de editie van Anton van Wildenrodes debuutbundel De moerbeitoppen ruischten, bezorgd door Edward Vanhoutte (2010). Daarin is de leeseditie van dat kleine boekje volkomen aan het gewone liefhebbersoog onttrokken doordat de tekst omgeven is door tien keer zoveel pagina’s commentaar dan het oorspronkelijke bundeltje zelf dik was. Dat mag verbazing wekken omdat het Vanhouttes - mijns inziens nobele - doelstelling onder meer is: ‘de bundel [...] teruggeven aan de lezer.’ (Vanhoutte 2010: 18)

Ik bedoel met deze voorbeelden van hoogstaande academische neerlandistiek dat er zeer zeker fundamentele argumenten zijn voor het opstellen van dergelijke grondige edities, maar dat het nog beter zou zijn als er daarnaast ook een enigszins omvangrijk publiek voor te vinden zou zijn, en dat kan haast niet anders dan door al die specialistische rimram te reserveren voor de specialisten, en alleen het netto editieresultaat in druk of als e-book te koop aan te bieden aan de gewone lezer. Er is niets mis met grondige academische overpeinzingen, maar soms werpen ze stofwolken op die het zicht op de gewone werkelijkheid belemmeren. Ik heb althans ‘geen groot publiek massaal en verontwaardigd zien struikelen over spellingsinconsequenties in de Kruidvat-“editie” van enkele van Louis Couperus’ romans; die boeken vlogen destijds in veel groteren getale de drogisterij uit dan de hecht doorkauwde, muisgrijze Couperus-editie die door echte kommavorsers naast de markt werd gezet, maar waarin heel netjes werd verantwoord dat “zachtjes” in regel 9 van pagina 12 was veranderd in “zachtjens”.’ (Stolk 2011) Die Kruidvat-uitgave mag dan die in editiewetenschappelijk opzicht uiterst aanvechtbaar zijn, ze is ook een typisch geval van literatuur in een non-literaire sequentie: zoute drop, aspirine, maandverband en Couperus. Een evenwicht tussen Kruidvat en KNAW, daar gaat het om.

Het verbinden van editietechnische en amateuristische aandacht voor literatuur is in de academische praktijk waarschijnlijk een wensdroom, omdat het een koppeling vereist van enerzijds het wetenschappelijke en anderzijds het commerciële segment van het literaire veld. Tussen die twee zou een evenwicht gevonden moeten kunnen worden. Dat zulks niet eenvoudig is, heb ik aan den lijve mogen ondervinden met bijvoorbeeld de wetenschappelijk verantwoorde, op de historisch-kritische editie gebaseerde, kritische leeseditie Alle gedichten van Gerrit Achterberg (2005) die ik met Peter de Bruijn en Edwin Lucas heb doen uitgeven toen literair Nederland herdacht dat de dichter honderd jaar geleden geboren was. Binnen vijf jaar was deze degelijk verantwoorde cassette met twee banden in de ramsj verdwenen. Intussen gaat de verkoop van de - door deze editie in feite achterhaalde - dertiende druk van Verzamelde gedichten (2003) wel door.


2 Belichting: object en invalshoek

Om na te gaan of de literaire tekst inderdaad zo zeer uit zicht is geraakt als ik aan mijn water meende te kunnen voelen, heb ik de moderne Nederlandse literatuurstudie in haar tijdschriften opgezocht. Nee, niet alle; het lukte me tussen call for papers en deadline slechts drie tijdschriften door te nemen; en dan heb ik alleen tijdschriften onderzocht die - zoals het inmiddels hoort - digitaal volkomen toegankelijk zijn voor de universitaire gemeenschap. Journal of Dutch Literature, Nederlandse letterkunde en Spiegel der Letteren. Daarvan heb ik jaargang 2010 geheel doorgenomen; dit was bij aanvang van mijn verkenning de laatste volledige digitale/gedigitaliseerde jaargang. Daaruit heb ik de stukken geselecteerd die handelen over moderne Nederlandse letterkunde, grofweg over Nederlandse literatuur vanaf 1800. Boekbesprekingen, ook die vermomd zijn als artikelen, heb ik buiten beschouwing gelaten. In totaal omvat het corpus negentien artikelen, samen goed voor 439 pagina’s tekst van zeventien verschillende auteurs (waaronder één auteursduo).[2]

Dat corpus heb ik nader bestudeerd, zoekend naar de literaire tekst als onderwerp van onderzoek. Het resultaat is uitermate geruststellend voor de tekstliefhebber. Maar al lezend raakte ik op een tweede spoor: dat van ‘de lezer’ die steeds weer ter sprake wordt gebracht in de artikelen. Het gaat dan doorgaans niet over de reële lezer, noch over diens reële interpretaties, noch over openbare discussies over dergelijke interpretaties. Het gaat dan over één lezer die verondersteld wordt een algemene lezer te zijn of de representant van alle lezers. De modern-letterkundige neerlandicus ‘theoretiseert’ via de ene lezer over iets wat pas tijdens het onderzoek ontstaat: de eigen interpretatie van een tekst. Het fundament waarop de generalisaties met betrekking tot een voorgestelde interpretatie rusten, lijkt me vaak labiel.

In het navolgende inventariseer ik de negentien relevante bijdragen en bezie ik enkele artikelen van naderbij en probeer aan te geven wat me eraan bevalt of niet, en waarom. Niet de vraag of de literaire tekst centraal staat (spoor 1), maar hoe dat gebeurt (spoor 2) heeft daarbij de aandacht. Ik kijk niet neutraal, maar heb willens en wetens een amateuristisch brilletje heb opgezet, aangemoedigd door de lectuur van Gerald Graff, Clueless in Academe (2003). Graff pleit ervoor om als onderdeel van het academisch proces - niet als alfa en/of omega - bij tijd en wijle de vraag te stellen: ‘Who cares?’ of: ‘So what?’ Hij bedoelt ermee dat iedere academicus met enige regelmaat in eenvoudige woorden, en inderdaad met een ver gaande reductie van academische fijnslijperij, zijn bezigheden zou moeten proberen te formuleren ten overstaan van nieuwe studenten, beginnende vakgenoten en leken.[3] Met mijn aandacht voor de gewone lezer (die ook in mijn geval maar een veronderstelde lezer is) wil ik niet pleiten voor een omslag naar empirische literatuurwetenschap, maar voor wat meer gewicht in de schaal tegenover de abstractie en tegenover de subjectieve vooronderstellingen van de literatuurbeschouwer.


3 Bevinding: fundamenteel tekstueel...

De inventarisatie is betrekkelijk eenvoudig en de conclusie is, gelet op mijn vooronderstelling, onthutsend en geruststellend. Maar liefst vijftien van de negentien artikelen (bijna 78,9 %) behandelen één literaire tekst, of een weloverwogen geselecteerd corpus van teksten. Niet in ieder geval staat (de analyse of de interpretatie van) die tekst of teksten centraal. Dat is slechts driemaal het geval (15,7 %), en in twee artikelen (10,5 %) lijkt de onderzoeker zelfs echt niet verder te willen kijken dan die tekst. Hard core ergocentrisme is, afgaand op mijn steekproef, niet van deze tijd.


3.1 ... één tekst uit de canon centraal...

(1) Bernaerts (2010) onderzoekt de ‘spelen’ in Ivo Michiels’ Exit in het licht van de speltheorie, dat door anderen is aangestoken; men zou kunnen zeggen dat hij die theorie toetst door middel van de interpretatie van één roman. Bovendien plaatst hij zijn interpretatie in het kader van de taal- en literatuuropvatting van Michiels. Opmerkelijk, tegen de achtergrond van de lakmoesproef van Graff, is dat Bernaerts Exit aanduidt als ‘een tekst die ten onrechte nog maar weinig wetenschappelijke aandacht kreeg.’ (Bernaerts 2010: 242) Waar precies dat onrecht in schuilt, vermeldt hij er niet bij. Het loutere feit dat de roman geschreven is door een erkend-literaire auteur plus de gedachte dat er interpretatief wel wat aan te verhapstukken is, rechtvaardigen het onderzoek: ‘Voor de interpretatie van Exit [...] zijn de spelstructuren een goudmijn.’ (Bernaerts 2010: 242)

(2) Uitgaande van twee, theoretisch gefundeerde typen van betekenis, referentieel en intertekstueel, past De Strycker (2010) als onderzoeker zelf twee wijzen van lezen toe op één gedicht van Jan Lauwereyns. De referentiële lezing noemt hij een ‘naïeve lezing’; ze schiet zijns inziens tekort omdat ze niet leidt tot ‘adequaat begrijpen’. (De Strycker 2010: 189) Bij de tweede lezing blijkt het gedicht poëticale implicaties te hebben; het gedicht krijgt zo bezien een ‘belangrijke plaats’ in de evolutie van Lauwereyns’ denken over literatuur. Zo kan De Strycker Lauwereyns’ positie bepalen in ‘de discussie over de referentialiteit van literatuur.’ (De Strycker 2010: 189) Hoe dan ook geldt ook hier geldt de soundbite van Anbeek met betrekking tot de bijzondere academische belangstelling voor ingewikkelde teksten: hoe gelaagder, hoe geslaagder. (Anbeek 1992: 264) Gewaagd, maar weinig zinrijk, lijkt me het experiment van een geverseerd academisch onderzoeker om zelf willens en wetens een inadequate lezing uit te voeren.

Er zijn, als ik zo vrij mag zijn nu al te generaliseren, nog steeds modern letterkundigen gefascineerd door het ontdekken, aanwijzen, zien of aanbrengen van zo veel en abstract mogelijke betekenislagen in een literaire tekst. De Strycker is hier heel eerlijk in: ‘Ik wil het gedicht lezen als een tekst die [...] het probleem van betekenisgeving en het niveau waarop die tot stand komt - mimetisch of autonoom - tot onderwerp heeft.’ (De Strycker 2010: 189) Maar hij beperkt zich hier niet toe. Zo werkt dat: één gedicht op een bepaalde manier interpreteren en de interpretatie verbinden met gedachten over de positie van de dichter (vergelijk Bernaerts 2010) in een discussie. De deelnemers aan die discussie noemt De Strycker overigens niet. Hij haakt aan bij een algemeen bekend verondersteld discours, dat van modern-letterkundigen onderling. Zo’n discours lijkt per se relevant te zijn. Aldus is alleen impliciet de lakmoesproef van Graff gedaan, want in deze casus gaat De Strycker met zijn twee lezingen alleen in discussie met zichzelf. Er is geen openbaar, al dan niet academisch, debat over de interpretatie van de behandelde tekst dat hij probeert te analyseren, evalueren of beslechten, anders dan bijvoorbeeld het geval was met de heisa rond Kellendonks Mystiek lichaam of, recenter en minder academisch, Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje.

 (3) Minnaard (2010) analyseert de representatie van exotisch anders-zijn in Lodewijk van Deyssels Blank en geel in ‘a careful analysis of the novel’s mode of narration’. (Minnaard 2010: 74)  De roman getuigt van de fascinatie door, en ook van de angst voor de exotische ander, en geeft de ambivalente geesteshouding van de lezer in het fin de siècle weer en heeft die (eertijds) ook gevoed. Het gaat hier weer over de lezer in de tekst, de lezer voor zover de onderzoeker die erin ziet. De roman geldt dus, zonder al te veel feitelijke onderbouwing, als representant van een ruimer fenomeen, als basis voor een extrapolatie. Het artikel is vooral een interpretatie van de roman, die vervolgens wordt gezien als representatie van een interraciale liefdesrelatie. Het blijft, jammer genoeg overigens, impliciet dat discussies over anders-zijn in de hedendaagse literaire en buitenliteraire werkelijkheid volop gevoerd en gevoed worden.

3.2 ... maar niet (louter) ergocentrisch

(4) Pieterse (2010) belicht op een bijna laat-Fokkema’se wijze (zie Fokkema 1989) één roman uit de canon, Max Havelaar, met een structuuranalyse die ze in een postkolonialisme-kader past. Zij extrapoleert op basis van deze ene casus, anders dan Minnaard (2010), wel naar ‘the limits and possibilities of literature as a means of intervention in the political debate.’ (Pieterse 2010: 56) Maar blijkens de conclusie staat de literairwetenschappelijke theorie centraal en is de literaire analyse een middel: ‘the novel touches on one of the most important insights of postcolonial studies.’ (Pieterse 2010: 66-67) Me dunkt een zinnige combinatie van filologie en algemenere literatuurtheorie, waarbij eventueel ook de gewone lezer baat kan hebben, omdat Pieterse het probleem aansnijdt dat Multatuli voor zijn buitenliteraire doelstelling een literair medium gebruikt dat hij tegelijkertijd (zelfreflexief) kritiseert.

(5) Ook Bundschuh-van Duikeren (2010) stelt de theorie centraal. Ze betoogt dat de toepassing van ‘al te postmoderne theorieën’ (meer in het bijzonder Kristeva’s intertekstualiteitsbegrip) op postmoderne literatuur zijn beperkingen heeft. Aan de hand van een interpretatievoorstel voor Peter Verhelsts Memoires van een luipaard biedt ze een alternatieve lees- of interpretatiemethode. Hoewel het artikel over leesvoorstellen gaat, komt de echte, gewone, reële lezer nergens om de hoek kijken. De leeswijze staat voorop. Maar de leeswijze van wie? Uiteindelijk: die van de onderzoeker zelf.

Dat is mijns inziens een probleem dat zich ook in andere artikelen voordoet: de modern-letterkundige neerlandicus theoretiseert over iets wat pas in het onderzoek ontstaat: de eigen interpretatie van een tekst.
(6) Het artikel van Steyaert & Weijermans (2010) staat, blijkens de rubricering ‘In margine’, niet op gelijke wetenschappelijke hoogte met de andere bijdragen die ik hier belicht. Basis ervan is één (toen recent ontdekte) brief van Kinker, die de kapstok is voor een boekhandeltechnisch en -historisch verhaal over het auteursrecht tussen 1817 en 1839. De brief is nieuw, de materie die aan de hand daarvan belicht wordt niet. Bestaande literair-historische kennis wordt aangevuld en aangescherpt.

(7) Van de Schoor (2010) onderzoekt of Petrus van Limburg Brouwers vertaling van Benvenuto Cellini’s autobiografie ‘aanwijzingen bevat voor het standpunt dat hij innam ten aanzien van “tegennatuurlijke sexualiteit” (en sexualiteit tout court). Een deconstructie van een hedendaagse lezing van Het leven van Benvenuto Cellini uit 1843 stelt ons in staat om, met behulp van inzichten uit de Queer studies, een mogelijke negentiende-eeuwse leeswijze in het vizier te krijgen.’ (Van de Schoor 2010: 128) De vraag waarom dat interessant zou zijn (oftewel: ‘So what?’), wordt hier niet gesteld; het resultaat van het onderzoek lijkt niet verder te reiken dan ‘een mogelijke negentiende-eeuwse leeswijze’, die, anders dan bij Minnaard (2010; item 3 hiervoor), niet opgevoerd wordt als basis voor generalisatie en/of als basis voor beter begrip van de literaire constellatie van een historische periode.[4]

(8) Een van de weinige artikelen die lijken te gaan over de echte lezer, is dat van Schrover (2010). Ook hij heeft slechts één tekst als materiaal, een verhaal van L.H. Wiener. Een reële lezer, die zich meende te herkennen in het verhaal, en die daarmee niet verguld was, heeft er via de rechter voor gezorgd dat de uitgave van Wieners debuutbundel werd gestaakt. Dit artikel gaat dus in op een reëel (lezers)probleem. In een ragfijn, schier analytisch-filosofisch betoog laat Schrover zien dat de rechtbank bij haar meningsvorming is uitgegaan van een weinig literair gesocialiseerde lezer die wel bekend is met de (gefictionaliseerde) omgeving waarin het verhaal speelt. Als was uitgegaan van een sterker literair gesocialiseerde lezer, zou het vonnis minder valide zijn geweest, betoogt Schrover. Daarom kan hij concluderen dat het bepalen van de lezersgroep van cruciaal belang is in een zaak als deze.

Interessant, maar ook problematisch, is deze passage:

Het Hof van Amsterdam gaat uit van hypothetische lezers. De rechtbank heeft geen reële lezers ondervraagd, maar neemt het veronderstelde leesgedrag van lezers uit Zandvoort als uitgangspunt. Door gebruik te maken van veralgemeniseerbare resultaten die verkregen zijn uit empirisch onderzoek probeer ik dit gebrek aan gegevens over lezersgedrag van reële lezers met betrekking tot deze specifieke casus te compenseren. (Schrover 2010: 58)

Schrover doet niet wat mijns inziens in de rede ligt, namelijk reële lezers ondervragen. In plaats daarvan construeert hij zijn contra-expertise met behulp van veralgemeniseringen op basis van één empirisch onderzoek met betrekking tot lezersgedrag en de relatie fictie-werkelijkheid. Het ‘verschil in leesgedrag tussen lezers met een laag en lezers met een hoog niveau van literaire socialisatie’ kan zijns inziens beschouwd worden ‘als een hypothese die door middel van empirisch onderzoek getoetst kan worden.’ (Schrover 2010: 62) Vervolgens heeft hij een theoretische of filosofische omweg langs Benjamin Harshaw nodig om ‘het idee van gedeeltelijke fictionaliteit [te] conceptualiseren zonder het idee van ontologische homogeniteit van fictieve werelden geweld aan te doen.’ (Schrover 2010: 66) Ik citeer dit niet om de problematiek rond het verhaal van Wiener duidelijk te maken, maar omdat het aangeeft hoe ver Schrover wegraakt van de zo node in de rechtszaak gemiste reële lezer. In plaats daarvan ontwikkelt hij - in een zeer nauwkeurig betoog – een ‘theoretisch’ kader waarbinnen de tekst van Wiener (anders) gelezen zou kunnen worden.

Over dat laatste gaat het in de modern letterkundige neerlandistiek wel vaker: hoe iets gelezen zou kunnen worden, en hoe nog weer anders. Maar altijd - hoewel dat uit de gebruikte woorden en termen lang niet duidelijk blijkt - gebeurt dat op basis van vooronderstellingen en veronderstellingen die gefundeerd zijn op de eigen, geschoolde, maar individuele en subjectieve leeservaring. Positiever geformuleerd: het interpreteren van literaire teksten is de bestendige kern van het vak, en ook de kern van wat ‘theorie’ genoemd wordt.

3.3 ...meerdere teksten, als toegang tot historische concepten en praktijken

(9) Honings (2010a) bestudeert de teksten van een destijds toonaangevend literair gezelschap om een beter begrip te krijgen van de destijds dominerende literaire ideeën. De teksten zijn het materiaal voor historisch-poëticaal onderzoek. Omdat in de betreffende periode dergelijke gezelschappen belangrijke ‘toongeefsters’ waren, een rol die de tijdschriften later overnamen, raakt het onderzoek ook aan dat van de literaire instituties (vergelijk hierna Laan (2010), item 16).

(10) Ook Honings (2010b) is een historisch-sociologische en –institutioneel letterkundige inventarisatie, in dit geval van de interactie tussen politieke perikelen en de productie van literaire teksten en de ontwikkeling van poëticale ideeën. ‘Door [de] activiteiten [van literaire instituties, zoals genootschappen en boekverkopers] te reconstrueren en teksten te bestuderen, kan een tipje van de sluier worden opgelicht betreffende de in dit tijdvak [ongeveer 1830-1839] vigerende poëticale opvattingen.’ (Honings 2010b: 310) Enumeratie en descriptie (op 23 bladzijden 66 maal het woord ‘ook’).

(11), (12) Wat materiaalsoort betreft vergelijkbaar met Honings (2010a en b) zijn de twee artikelen van Bemong. Gebruik makend van een afgebakend corpus Zuid-Nederlandse historische romans en verhalen onderzoekt zij hoe historische romanciers zich presenteren aan ‘the reading public’ (Bemong 2010a: 29) en hun positionering voor zo ver een en ander af te leiden is uit titel- en opdrachtpagina’s. Via een motiefanalyse schetst Bemong (2010b) de democratisering van het leespubliek in de zuidelijke Nederlanden aan het begin van de negentiende eeuw. Ook bij deze onderzoeken komt niet (via bijvoorbeeld receptiedocumenten) de reële lezer in zicht, maar alleen de door de teksten geïntendeerde, en dus door de onderzoeker geïnterpreteerde, lezer (vergelijk de items 2 en 5).

(13) Buelens (2010) heeft in een comparatistisch onderzoek drie gedichten van drie verschillende dichters op basis van thematische verwantschap bijeengebracht: de gedichten gaan alle drie over het kijken naar een stomme propagandafilm uit de Eerste Wereldoorlog. Het betreft de meervoudige (re)mediatisering van een historische geopolitieke gebeurtenis; de literatuur is hier bijna meer middel dan object van onderzoek.

(14) Het artikel van De Geest (2010) is een theoretisch ingekaderd voorstel voor een functionalistische, discoursanalytische wijze van literatuurgeschiedkundig onderzoek naar literaire tijdschriften, waarbij De tafelronde als voorbeeld- of demonstratie-materiaal dient.[5] Het ligt misschien aan het grondleggende karakter van dit artikel of het is louter een kwestie van retoriek dat vooronderstellingen nogal apodictisch worden gepresenteerd. Een voorbeeld: ‘Het strategische discursieve belang ervan [namelijk van ‘formaat, papiersoort, druktechniek, aantal bladzijden, de bladzijdennummering, het lettertype…’] mag evenwel niet worden onderschat; vaak bepalen ze de allereerste indruk die een tijdschrift op (potentiële) lezers maakt.’ (De Geest 2010: 225)

Opnieuw wordt, zij het impliciet, de lezer op het toneel gezet, niet de empirische lezer maar louter dat concept waarover modern letterkundigen het zo vaak en kennelijk zo graag hebben en waarover van alles gezegd, dat heet: verondersteld kan worden.

(15) De enige onderzoeker die echte lezers gebruikt, is Bakker (2010). Zijn onderzoek staat in de context van de actuele maatschappelijke ontwikkeling, namelijk de voortschrijdende invloed van de digitalisering, ook op cultuur en literatuur. Bakker is geïnteresseerd in de vraag of gefixeerde, gedrukte gedichten zich makkelijker laten lezen en interpreteren dan bewegende, digitale gedichten. Hij deed daarom een steekproef met achttien letterenstudenten en twee gedichten van Tonnus Oosterhoff (elk in twee versies gepubliceerd). De uitkomst is dat zeker bij het meest experimentele bewegende gedicht de lezers het maar wat moeilijk vonden om te interpreteren, laat staan daarmee tot een samenhangend geheel te komen.

Opmerkelijk is dat de lezers de gedichten moesten interpreteren en dus als (gewone) poëzie moesten benaderen. Daarbij is Bakker uitgegaan van ‘de’ premissen van ‘de’ poëzielezer zoals die zijn opgesteld door Vaessens & Joosten (2003). Die premissen zijn evenwel niet geformuleerd op basis van empirisch lezersonderzoek maar op basis van conventies die Vaessens en Joosten via interpretatie van schoolpoëtica’s construeerden. Een daarvan luidt: ‘De tekst vertoont, ook als hij zich op het eerste gezicht als chaotisch aan de lezer voordoet, op een hoger niveau een innerlijke coherentie.’ (Vaessens & Joosten 2003: 19) Dat schoolpoëtica’s niets zeggen ‘over de strategieën van “de gewone lezer”’, is voor hen ‘geen bezwaar.’ (Vaessens & Joosten 2003: 17) Ik ben geneigd dat toch wat anders te zien.

Interessant is verder een reeks overwegingen in de discussie aan het slot van Bakkers artikel:

Zijn jongere en minder ‘geletterde’ mensen minder geneigd om meteen te gaan lezen? Nemen zij wel zonder problemen een kijkhouding aan? Hebben zij minder moeite met zinnen die tegelijkertijd verschijnen en afwisselend veranderen? Laten zij zich sowieso niet afschrikken door een taal die in beweging is? (Bakker 2010: 441)

Hij houdt daarmee nadrukkelijk de deur open voor andere vooronderstellingen met betrekking tot ‘lezers’ van digitale poëzie. Terecht, lijkt me, omdat er verschillende vormen van digitale poëzie zijn (wat Bakker ook onderkent), waarvan er sommige misschien beter gecategoriseerd zouden kunnen worden als beeldende kunst dan als bellettrie.[6]


3.4 Niet bij tekst alleen: andere of gemengde vormen van onderzoeksmateriaal

Deze laatste categorie zou ik buiten beschouwing kunnen laten want van aandacht voor de unieke literariteit van de literaire tekst is minder of geen sprake. Maar het is evident dat ook deze artikelen bij uitstek gericht zijn op aspecten van het literaire veld: literaire kritiek, literaire uitgeverijen, literaire beroemdheden, en schrijvershuizen.

(16) Laan (2010) nuanceert en detailleert het grove standaardbeeld dat eerder literair-sociologisch onderzoek biedt van de literaire uitgeverij als poortwachter door rekening te houden met de historische context en het genre van het uitgegeven materiaal. Zijn onderzoek nuanceert en verandert de voorhanden kennis (vergelijk De Geest (2010), item 14) Hoewel Laan er niet aan refereert, lijkt mij zijn onderzoek ook relevant voor wie het tegenwoordige literaire veld wil schetsen, want de positie van de (traditionele) uitgeverij lijkt door de opkomst van nieuwe mediatechnieken enigszins onder druk te staan (zie ook het navolgende item).[7]

(17) Joosten (2010) onderzoekt de internetlezer en de internetliteratuurkritiek en de inbedding van vooral die laatste in het literaire veld. Helaas maakt hij niet goed duidelijk welk materiaal hij precies gebruikt. Verder lijkt hij uit het oog te verliezen dat zijn visie vertekend is door zijn eigen papieren literaire socialisatie. Zo neemt hij boekbesprekingen op commerciële websites niet serieus en daardoor gaat hij eraan voorbij dat die commerciële sites er zijn, dat daarop boekbesprekingen verschijnen en dat lezers/kopers die teksten wel eens zouden kunnen lezen en zelfs een rol zouden kunnen laten spelen in hun literaire oordeelsvorming.
Voor Joosten is iets anders van belang: ‘Dit soort [commerciële] internetkritiek [...] heeft noch de intentie noch de pretentie zich een plaats te willen bevechten binnen het traditionele hoogstaande culturele literaire veld.’ (Joosten 2010: 95) Hoe juist die constatering of bewering ook moge zijn, Joosten lijkt daarmee voorbij te gaan aan de mogelijkheid dat er naast of bij of zelfs in het bekende, traditionele, hoogstaande culturele literaire veld een nieuw, een ander, mogelijk semi-autonoom literair veld is ontstaan, het veld van de ‘barbaren’.

Moeilijkheid hierbij is dat Baricco’s benoeming van dat nieuwe literaire veld niet stoelt op enig empirisch onderzoek, doch vooral een essayistische constructie is. Helaas is dergelijke essayistiek niet voor de essayisten gereserveerd; ook een wetenschapper als Joosten maakt er gebruik van. Zie bijvoorbeeld deze opmerking: ‘Veilig kan gesteld worden dat er geen namen van recensenten van internetsites zullen vallen wanneer een hedendaags geschoolde lezer gevraagd wordt om een rijtje critici te noemen [...].’ (Joosten 2010: 96) De formulering laat geen misverstand mogelijk: dit is niet meer dan een vooronderstelling, en daarmee een weinig krachtige bewering in een academisch stuk. Het citaat gaat overigens verder: ‘- als hij of zij er anno 2009 al kent!’ (Joosten 2010: 96) Ook dit is niets dan een vooronderstelling, maar het is er wel een die de eerste veronderstelling geheel overbodig maakt. Als immers de ‘hedendaags geschoolde lezer’ toch al geen critici meer kent, waarom zou hij of zij dan wel internetrecensenten kennen? Kan het niet zo zijn dat de hedendaags geschoolde lezer niet meer geïnteresseerd is in de autoriteit van enkele, individuele, gerenommeerde critici, maar zijn eigen oordeel veel eclectischer samenstelt? Hyperlinks staan hem of haar in overvloed ter beschikking. Empirisch onderzoek op dit terrein is moeilijk, maar alleen al een poging ertoe kan conceptueel verhelderend werken.

Maar zie: nu bestrijd ik een vooronderstelling met een vooronderstelling. Beter was het als ik geprobeerd had eindelijk eens die hypothese van Joosten te toetsen. Dan kunnen we verder denken over de rol van internet- en anders gemediatiseerde critici in het huidige, misschien wel polymorfe literaire veld. Met andere woorden: houdt Joosten niet te angstvallig, en wetenschappelijk ongefundeerd, vast aan het bestaan van de algemeen erkende poortwachter in een literaire wereld die inmiddels niet slechts één, maar wellicht talloze tempels kent (vergelijk Laan (2010), item 16)? Joosten ziet, tot zijn eigen geruststelling lijkt het, een aanzienlijke ‘kloof tussen de virtuele en de “echte” literaire wereld’. (Joosten 2010: 102) ‘Echte’ plaatst hij tussen aanhalingstekens, maar ik meen niet dat daar enige ironie in schuilt.

‘Kritiekenwebsites’, stelt Joosten, ‘spelen, in vergelijking met papieren media, geen gelijkwaardige rol in het literaire debat.’ (Joosten 2010: 102) En dat onderbouwt hij met een betoog over referenties aan die sites in kranten. Daarbij gaat hij ervan uit dat papieren media nog steeds de dienst uitmaken in de literaire kerk. Of dat zo is, stelt hij niet ter discussie. Zijn ouderwetse benadering blijkt ook in de conclusie:

De literaire internetkritiek bevindt zich qua lezers in het beperkte circuit van een selecte groep die kwantitatief hooguit te vergelijken is met de literaire tijdschriften. Nu zeggen lezersaantallen niet alles: 10.000 lezers van de Groene Amsterdammer vertegenwoordigen meer symbolisch kapitaal dan honderdduizenden Libelle-lezers. De tientallen welgekozen personen uit het literaire veld aan wie Simon Vinkenoog begin jaren vijftig zijn eenmansblad blurb verzond legden uiteraard meer symbolisch gewicht in de schaal dan contemporaine massabladen.’ (Joosten 2010: 104-105)

‘Uiteraard’? Maar hoe begroten we als letterkundigen dat symbolisch kapitaal? Hoe kunnen we zo’n bourdieuze metafoor eindelijk eens concretiseren en op een zinnige en intersubjectieve wijze vergelijken met empirische gegevens? Die empirie levert alleen al de nodige problemen, zoals Joosten ook helder weet aan te geven. Hoe immers is lezers- of gebruikersgedrag te distilleren uit webstatistieken? Hits zijn niet hetzelfde als pageviews, en die zijn weer iets anders dan unieke bezoekers. Niets nieuws onder de zon evenwel: een druk is iets anders dan een oplage, en bij drukgeschiedenissen wordt vergeten te bezien hoeveel er in de ramsj is geraakt en hoeveel er tweedehands wordt doorgekocht en hoeveel er privé of bibliothecair wordt uitgeleend, laat staan dat er iets bekend is over de oplage van de e-book-versies, terwijl dat allemaal de visie op de populariteit dan wel het belang van een boek beïnvloedt. Maar zie: nu ben ik al weer zelf aan het speculeren, in plaats van aan het tellen en turven, dat me zo nodig lijkt om aan al die interessante maar vliesdunne vooronderstellingen enig (contra)gewicht te geven.

(18) Franssen (2010) behandelt op basis van een verkenning van twee auteurs de paradox van de ‘literaire beroemdheid’ en plaatst dat geheel in de context van het discours over auteurschap. De spanning tussen de beperkte omvang van het onderzochte materiaal (twee auteurs) en de beoogde reikwijdte van de conclusies of extrapolatie (het auteurschap) is erg groot. De beide besproken auteurs presenteert hij als vertegenwoordigers van twee uiteenlopende soorten auteurschap. Overigens geeft Franssen niet vooraf expliciet aan op basis van welk materiaal hij die twee auteursbeelden componeert. Het lijkt me evenwel niet onjuist om zijn onderzoek te rekenen tot het (werk-intern en -extern) poëticaonderzoek.

Franssen refereert in zijn artikel over deze socio-esthetische configuraties binnen veertien pagina’s hoofdtekst 28 maal aan ‘the (general) discourse’, waarmee hij een discours van literatuurwetenschappers lijkt te bedoelen (vergelijk Laan (2010), item 16). Referenties aan ‘our “cultural competence”’ (Franssen 2010: 90),[8] ‘hebben waarschijnlijk alleen betrekking op die beroepsgroep, en niet op de (gewone) lezers voor wie auteurs werkelijk ‘gespreks’-partners zijn in het literaire discours en die, net als de auteurs, object van onderzoek zouden moeten zijn. Daarmee lijkt Franssen niet kritisch om te gaan met door hem gehanteerde, overgeleverde concepten (vergelijk Joosten (2010), item 17).

Het staat overigens wat mij betreft buiten kijf dat het onderwerp ‘literaire beroemdheid’ binnen de hedendaagse literatuur (opnieuw) van eminent belang is. Het gehele literaire veld lijkt aan het kruien te zijn: zowel de rol en positie van de auteur is aan sterke verandering onderhevig, als die van de kritiek, en die van de uitgeverij, als ook die van de commercie (van Lira tot Plint), een steeds prominentere nieuwe speler.

(20) Hendrix (2010) hoort eigenlijk niet thuis in mijn verkenning: Hendrix is, ten eerste, geen Neerlandicus, hij onderzoekt, ten tweede, in dit artikel geen aspect van de moderne Nederlandse literatuur, en zijn object wordt, ten derde, niet gevormd door literaire teksten. Zijn onderzoek heeft toch sterke raakvlakken met in ieder geval dat van Franssen (2010), zozeer, dat ik ze graag met elkaar in contact zou brengen (in hun bibliografieën ontbreken hun namen wederkerig). Beiden onderzoeken immers het niet-literairtekstuele van de literatuur, dat wat buiten de strikte tekst (mede) betekenis geeft aan literatuur. Zij betreden als het ware het barbaarse veld van de literatuur, dat misschien in het heden en de toekomst steeds belangrijker wordt, net zoals trouwens de digitale vormen van literatuurkritiek die Joosten (2010) onderzoekt.

4 Conclusie

Spoor 1: De vraag was of de balans van de wetenschappelijke aandacht voor de literaire tekst onder invloed van Cultural Studies doorgeslagen is naar de sociale en culturele en politieke context ten koste van die voor de literatuur zelf of voor het specifiek literaire en esthetische van literatuur. Afgaande op jaargang 2010 van drie vakbladen kan het antwoord eenvoudig ‘nee’ zijn. Als gezegd: vijftien van de negentien artikelen (bijna 78,9 %) analyseren en interpreteren één tekst of een corpus van teksten. De (analyse of interpretatie van de) tekst of teksten vormt driemaal de kern van het onderzoek (15,7 %), en in twee artikelen (10,5 %) lijkt de onderzoeker inderdaad niet verder te willen kijken dan die tekst zelf. Hard core ergocentrisme is niet van deze tijd. Literatuur wordt vaak belicht in het kader van vraagstellingen die niet strikt literair, niet strikt tekstueel zijn, maar veeleer (historisch) cultureel en conceptueel. De basis van het vak lijkt evenwel nog steeds de tekstinterpretatie.

Misschien is het nodig dat de modern-letterkundige neerlandistiek opnieuw beziet hoe tegenwoordig het literaire object in zijn geheel is samengesteld, rekening houdend met onder andere de veranderingen in het leespubliek, de verklein- en verdwijning van de papieren boekenbijlagen en literaire tijdschriften en de stenen boekhandel, en anderzijds met de opkomst en de immer voortschrijdende presentie van digitale vormen van literaire (re)productie, distributie, kritiek en consumptie. Dat kan met zich meebrengen dat ze (meer) aandacht moet schenken aan literatuur die minder high brow is: de veelgelezen en -besproken, verfilmde en vertheaterde en vercommercialiseerde literatuur van de Kluuns en de Kochs, en ook de literatuur die de dagbladen, de week- en de vakbladen of de tv nauwelijks haalt, maar toch ergens leeft, literatuur van een snel expanderende canon (vergelijk Joughlin & Malpas 2003: 1). Literatuur waar misschien minder te interpreteren is.

Spoor 2: Belangrijker echter lijkt me het stootblok aan het einde van het tweede spoor, dat zich aandiende tijdens mijn verkenning. Dat stootblok, zo niet mijn steen des aanstoots, is de niet door reële interpretatieproblemen ingegeven zoektocht naar steeds verdergaande, verdiepende, dieper gravende interpretaties van teksten, in combinatie met speculaties over en generalisaties vanuit iets wat niet van te voren gegeven is, maar pas tijdens het onderzoek ontstaat: de individuele interpretatie van een tekst door de onderzoeker. Het interpreteren van literaire teksten, in het licht van uiteenlopende, literair-historische of algemeen-culturele, niet specifiek tot de tekst zelf beperkte vraagstellingen, lijkt de bestendige kern van het vak, en ook de kern van wat ‘theorie’ genoemd wordt. Terugkoppeling naar de straat, de empirie via een vraag als ‘So what?’ lijkt me af en toe wel goed voor de kwaliteit van de theorie. Daarmee bedoel ik niet dat empirisch lezersonderzoek het nec plus ultra zou zijn, maar wel dat het me nuttig lijkt om bij tijd en wijle terug te keren uit de studeerkamer naar het reële literaire ‘veld’: de teksten en de lezers en het gesprek van die lezers over teksten, en naar gewone vragen als: over welke teksten hebben we het, wie zijn of waren ook al weer die lezers, wat zeggen of zeiden ze erover, en wat kunnen wij daarover zeggen?

Literatuur

Achterberg 2005
Gerrit Achterberg, Alle gedichten. Ed. P.G. de Bruijn, E.P.A. Lucas en F.R.W. Stolk. Amsterdam 2005.

Anbeek 1992
Ton Anbeek, ‘Leon de Winter en de literaire kritiek; de (ver)wording van een reputatie’. In: Literatuur 9 (1992), p. 258-264. Geraadpleegd via DBNL.

Bakker 2010
Niels Bakker, ‘Taal op drift, chaos in het hoofd; een empirisch onderzoek naar het lees- en interpretatieproces van de digitale poëzie van Tonnus Oosterhoff’. In: Spiegel der letteren 52 (2010), 4: 423-443.

Baricco 2010
Alessandro Baricco, De barbaren. Vertaald door Manon Smits. Amsterdam 2010.

Bemong
- 2010a
Nele Bemong, ‘”Schryver van” of burgerman? Het afficheren van cultureel en sociaal
kapitaal in Vlaamse negentiende-eeuwse romans’. In: Nederlandse letterkunde 15 (2010), 1: 29-52.
- 2010b
Nele Bemong, ‘Intersystemische relaties tussen historische romans en orale verhaalcultuur; de rol van motiefchronotopen’. In: Spiegel der letteren 52 (2010), 1: 31-56.

Bernaerts 2010
Lars Bernaerts, ‘Game over. Speltheorie en het ludieke experiment in Ivo Michiels’ Exit’. In: Nederlandse letterkunde 15 (2010), 3: 241-261.

Buelens 2010
Geert Buelens, ‘The Silence of the Somme. Sound and Realism in British and Dutch Poems Mediating The Battle of the Somme’. In: Journal of Dutch Literature 1 (2010), 1: 5-27.

Buelens e.a. 2011
Geert Buelens e.a. ‘Call for papers: Achter de verhalen 4’. Op: UU blog / Nederlandse taal en cultuur, 06-10-2011. http://blog.hum.uu.nl/nederlands/2011/06/10/call-for-papers-achter-de-verhalen-4-2/

Buikema 2010
Rosemarie Buikema, ‘Te veel werkelijkheid is dodelijk voor de kunst’. In: TNTL 126 (2010), 2: 202-216.

Bundschuh-van Duikeren
2010
Johanna Bundschuh-van Duikeren, ‘Postmodernisme en intertekstualiteit; over beperkingen van de toepassing van al te postmoderne theorieën op postmoderne
literatuur’. In: Nederlandse letterkunde 15 (2010), 1: 53-66.
Carr 2010
Nicholas Carr, The Shallows. What the Internet Is Doing to Our Brains. New York-London 2010.

Culler 2000
Jonathan Culler, ‘The Literary in Theory’. In: Judith Butler e.a. (eds), What’s Left of Theory. New Work on the Politics of Literary Theory. New York-London 2000.

Faverey 2010
Hans Faverey, Gedichten 1962-1990. Editie Marita Mathijsen. De Bezige Bij, Amsterdam 2010.

Fokkema 1989
Redbad Fokkema, ‘Een vergeten structuurmotief in De avonden’. In: W.F.G. Breekveldt e.a. (red.), De achtervolging voortgezet; opstellen over moderne letterkunde, aangeboden aan Margaretha H. Schenkeveld. Amsterdam 1989: 209-213.

Fygi 2011
Kari-Anne Fygi, ‘Toekomst van het boek: “Papieren of digitale boek, who cares?”’. Op: Mol-blog, 08-03-2011. http://www.molblog.nl/bericht/toekomst-van-het-boek-papieren-of-digitale-boek-who-cares.

Franssen 2010
Gaston Franssen, ‘Literary Celebrity and the Discourse on Authorship in Dutch Literature’. In: Journal of Dutch Literature 1 (2010), 1: 91-113.

Geest, De 2010
Dirk De Geest, ‘Avant-garde als strategie: het tijdschrift De tafelronde; het literaire tijdschrift als vertoog’. In: Nederlandse letterkunde 15 (2010), 3: 221-240.

Graff  2003
Gerald Graff, Clueless in Academe. How Schooling Obscures the Life of the Mind. New Haven-London 2003.

Hayles 2007
N. Katherine Hayles, ‘Electronic Literature: what is it?’. In: The Electronic Literature Organisation, 02-01-2007. http://eliterature.org/pad/elp.html.

Hendrix 2010
Harald Hendrix, ‘Het schrijvershuis als autobiografisch kunstwerk en als lieu de mémoire; op bezoek bij Goethe in Frankfurt, Rome en Weimar’. In: Spiegel der letteren 52 (2010), 4: 391-422.

Honings
- 2010a
Rick Honings, ‘‘‘Toongeefster van den goeden smaak”; de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen, 1813-1833’. In: Nederlandse letterkunde 15 (2010), 2: 103-125.
- 2010b
Rick Honings, ‘De verstoring van de muzen; de Belgische opstand en het Leidse literaire leven’. In: Spiegel der letteren 52 (2010), 3: 307-336.

Joosten 2010
Jos Joosten, ‘”Toch is het niet altijd even hoogstaand en prijzenswaardig”; Nederlandstalige literatuurkritiek op het internet’. In: Spiegel der letteren 52 (2010), 1: 85-108.

Joughin & Malpas 2003
John J. Joughin & Simon Malpas, ‘The new aestheticism: an introduction. In: John J. Joughin & Simon Malpas (eds.), The New Aestheticism.
Manchester – New York 2003: 1-19.

Laan 2010
Nico Laan, ‘De uitgeverij als poortwachter?’. In: Nederlandse letterkunde 15 (2010), 2: 146-191.

McDonald 2007
Rónán McDonald, The Death of the Critic. London etc. 2007.

Minnaard 2010
Liesbeth Minnaard, ‘The Spectacle of an Intercultural Love Affair. Exoticism in Van Deyssel’s Blank en geel’. In: Journal of Dutch Literature 1 (2010), 1: 74-90.

Pieterse 2010
Saskia Pieterse, ‘”I am not a Writer”: Self-Reflexivity and Politics in Multatuli’s Max Havelaar. In: Journal of Dutch Literature 1 (2010), 1: 55-73.

Schoor, Van de 2010
Rob van de Schoor, ‘Petrus van Limburg Brouwer als vertaler van de autobiografie van Benvenuto Cellini. Een “tegennatuurlijke lezing” van Het leven van Benvenuto Cellini (1843)’. In: Nederlandse letterkunde 15 (2010), 2: 126-145.

Schrover 2010
Wouter Schrover, ‘Het vonnis van de lezer; over het verhaal “Jansen” van L.H. Wiener’. In: Spiegel der letteren 52 (2010), 1:57-83.

Steyaert & Weijermans 2010
Kris Steyaert & Janneke Weijermans, ‘Kleine gedichten voor “kleine discipelen”; Johannes Kinker bemiddelt bij een geschil over kopijrechten (1824)’. In: Spiegel der letteren 52 (2010), 4:  445-455.

Stolk 2011
Fabian R.W. Stolk, ‘Voor het volk’. Op: Textualscholarship.nl, 18-02-2011. http://www.textualscholarship.nl/?p=5985.

Strycker, De 2010
Carl de Strycker, ‘Tübingen als poëticaal strijdperk; een dubbele lectuur van het Tübingen-gedicht van Jan Lauwereyns’. In: Spiegel der letteren 52 (2010), 2: 185-202.

Vaessens 2009
Thomas Vaessens, De revanche van de roman; literatuur, autoriteit en engagement.  Nijmegen 2009.

Vaessens & Joosten 2003
Thomas Veassens en Jos Joosten, Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen. Nijmegen 2003.

Wilderode, Van 2010
Anton Van Wilderoode, De moerbeitoppen ruischten. Documentaire varianteneditie met een kroniek van de genese door Edward Vanhoutte. Met essays van Hugo Brems, Maarten De Pourq en Carl De Strycker en een voorwoord van Heman Van Rompuy. Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Gent 2010. Literaire tekstedities en bibliografieën 18.


Noten



[1] Dat dit aspect van het literaire veld vroeger beter onderhouden werd, is een gedachte die voedsel geeft aan de huidige discussies over het gezag van de literatuurkritiek (op internet) en die tot het fundament behoort van Vaessens’ De revanche van de roman (2003).
[2] Het Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde ontbreekt hier omdat jaargang 2010 nog niet was gedigitaliseerd ten tijde van mijn verkenning. Neerlandistiek.nl heb ik in zekere zin wel bij de verkenning betrokken, maar daarin verscheen dat jaar geen relevante bijdrage. Ook over dat blad zwijg ik verder want het gaat me er niet om welk tijdschrift (noch welke auteur) het meeste doet op ons terrein, maar om wat er onderzocht wordt en hoe dat gebeurt.
[3] Ik ga er, voor de coherentie van mijn betoog, vanuit dat Graff er idealiter ook mee bedoelt dat men zijn academische activiteiten in principe moet kunnen uitleggen aan Baricco’s barbaren.
[4] Opmerkelijk aan dit artikel is dat, waar het gaat om de geïntendeerde lezer, wordt gerefereerd aan ‘ons’, de eerste persoon meervoud, waar alleen de academische neerlandici mee bedoeld kunnen zijn, aannemende dat er geen sprake is van een pluralis maiestatis.
[5] Een tijdschrift is een seriepublicatie, en daarom deel ik De Geests onderzoek in de bij categorie onderzoeken met betrekking tot meerdere teksten.
[6] ‘The varieties of electronic literature are richly diverse, spanning all the types associated with print literature and adding some genres unique to networked and programmable media.’ (Hayles 2007)
[7] Zie bijvoorbeeld Fygi 2011. De, volgens sommigen benarde, positie van de uitgeverij kwam ook ter sprake tijdens een discussieavond ‘Ramsj! Debat over de toekomst van het papieren boek’ op 13 februari 2012 in De rode hoed te Amsterdam.
[8] Voorts onder andere: ‘our understanding of what it means to be an author’ (Franssen 2010: 92), ‘our understanding of modern literature’ (93), ‘Our fascination’ en ‘Our relationship with stars’ (94), our understanding of what it means to be a literary author’ (97).

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.