Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

donderdag 22 augustus 2013

Het bewijs dat we woorden niet na elkaar denken

Voeg!  Korte cursus over de syntactische theorie van Chomsky voor Twitteraars verklaard

Door Marc van Oostendorp

Gisteren heb ik uitgelegd hoe zinnen in het minimalisme van Chomsky worden gevormd door precies twee woorden of woordgroepen (de en vrouw; mijn en oude vader) samen te voegen, in een groep te plaatsen. Dat schrijven we dan als volgt op:

- {de, vrouw}
-{mijn, {oude, vader}}

Belangrijk hierbij is dat de volgorde van de woorden er niet toe doet. De groep {de, vrouw} is precies hetzelfde als de groep {vrouw, de}, zoals de verzameling van een rode en een groene bal dezelfde is als die van een groene en een rode bal.

Het idee is dat in onze gedachten die volgorde er niet toe doet. Het gaat er niet om of het lidwoord voor of achter het zelfstandig naamwoord staat, het gaat er alleen om dat die twee woorden bij elkaar horen.
Pas als we gaan praten wordt de volgorde belangrijk, bijvoorbeeld omdat we met onze mond nu eenmaal niet twee woorden tegelijkertijd kunnen zeggen.

Maar die volgorde is dus een eigenschap van het praten, niet van de zinnen in ons hoofd. Een gedachtelezer ziet de vrouw en vrouw de op dezelfde manier.

Hier is een van Chomsky's favoriete voorbeelden (door mij naar het Nederlands vertaald) gaat over vragen. Je maakt in het Nederlands een vraag van een mededeling door het verbogen werkwoord voorop te plaatsen. Van Jan loopt op straat maak je Loopt Jan op straat, van We hebben lekker gegetenHebben we lekker gegeten. 

Hoe zit dat nu met de volgende vraag:

1. - Kunnen adelaars die zwemmen, vliegen?

Wélk verbogen werkwoord is hier voorop geplaatst in de zin over adelaars? De zin heeft een bijzin die een eigen verbogen werkwoord heeft. In totaal zijn er dus twee verbogen werkwoorden. Met andere woorden, met welk van de volgende twee stellende zinnen correspondeert de bovenstaande vraag?

2. - Adelaars die kunnen zwemmen, vliegen.
3. - Adelaars die zwemmen, kunnen vliegen.

Iedereen die Nederlands spreekt zal het erover eens zijn dat de vraag gaat over de tweede zin, niet bij de eerste. Zelfs kleine kinderen (nou ja niet de allerkleinste, want die kunnen nog geen bijzinnen maken) weten dat. En ook in andere talen die op deze manier vragen maken, correspondeert het equivalent van vraag 1 met het equivalent van zin 3, niet met dat van vraag 2.

De regel is dus kennelijk niet: ga van links naar rechts door de zin, neem het eerste verbogen werkwoord en plaats dat naar voren. Zo zou je van zin 3 de vraag in 1 maken. Dat zou een simpele grammaticaregel zijn, een computer kan hem zo leren. Toch is er geen enkele taal die zo werkt; menselijke taal werkt altijd zoals het Nederlands en kiest het verbogen werkwoord uit de hoofdzin.

De regel is dus niet kies het meest linkse werkwoord. De regel is: kies het werkwoord waar de minste haakjes omheen staan. Kijk maar:

{{ adelaars, { die, { kunnen, zwemmen }} }, { kunnen, vliegen }}

Je maakt het gezegde van de hoofdzin (kunnen zwemmen) en voegt dat samen met het onderwerp (adelaars die kunnen zwemmen) dat op zijn beurt weer is samengesteld uit het zelfstandig naamwoord adelaars en de bijzin 'die kunnen zwemmen' (die op zijn beurt ook weer is samengesteld).

Nu gaan we tellen: om het kunnen in de bijzin staan vier paar haakjes, om dat in de hoofdzin staan er twee. De regel is: kies altijd het verbogen werkwoord met de minste haakjes eromheen. Dat werkwoord wordt dus vooraan geplaatst:

{ Kunnen {{ adelaars { die { kunnen zwemmen }} } { (kunnen) vliegen }} }

Bij het bepalen welk werkwoord ertoe doet, beschouw je een zin dus niet simpelweg als een ongestructureerde rij woorden: je ontleedt de zin in groepjes van telkens twee en beziet van ieder woord hoeveel haakjes eromheen staan. Wanneer je kunt kiezen welk woord je vooraan plaatst, kies je altijd de woorden met de minste haakjes.

De alternatieve regel, die uitgaat van zin 2 maakt daarentegen gebruik van de begrippen links en rechts. Er is dus, volgens Chomsky, geen enkele menselijke taal die dat soort regels ooit gebruikt. De reden daarvoor is dat er geen links en rechts zijn op het moment dat we zinnen in ons hoofd maken. We hebben alleen Voeg!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.