Verhuisd



Let op: Neder-L is verhuisd naar www.neerlandistiek.nl

zondag 2 juni 2013

Geloven in God en in Chomsky

Hoe een ex-missionaris probeert de taalwetenschap op zijn kop te zetten

Door Marc van Oostendorp

Bijna vijfendertig jaar geleden trok de Amerikaanse taalkundige Daniel Everett het Amazone-gebied in. Hij zou de taal van het Pirahã-volk bestuderen en liet zich de eerste jaren leiden door het geloof in God en het geloof in de taaltheorie van zijn landgenoot Noam Chomsky. Geen van die twee overtuigingen zou de confrontatie met de Pirahã overleven.

Twee jaar geleden publiceerde Everett Don't sleep, there are snakes (''Niet slapen, er zijn slangen'), een goed geschreven avonturenboek waarin hij zijn leven bij de Pirahã uit de doeken deed en uitlegde hoe dit zijn geloof deed wankelen. Dit jaar verscheen Everetts nieuwe popuair-wetenschappelijke boek, Language. The cultural tool ('Taal. Het culturele instrument'), waarin hij zijn bezwaren tegen Chomsky uitlegt, een alternatieve kijk op het wezen van menselijke taal uiteenzet en en passant nog meer avonturen uit zijn leven als veldwerker vertelt.



Dronken gevoerd

Everett was decennialang verbonden aan het Summer Institute of Linguistics, dat de bijbel in zoveel mogelijk talen wil vertalen en daarom taalkundigen over de hele wereld uitzendt om de duizenden nog onbeschreven talen te documenteren. Everett zou dat doen voor de Pirahã, een klein volk dat al twee honderd jaar in een gebied aan een zijrivier van het Amazonegebied bekeringspogingen had weerstaan en waarvan bovendien niemand Portugees of een andere bekende taal spreekt, zodat Everett bij zijn pogingen om de taal – die ook Pirahã genoemd wordt – te leren, helemaal van nul af moest beginnen.

Don't sleep, there are snakes is een spannend boek dat beschrijft hoe Everett, de bekeerde zoon van een alcoholische cowboy, probeert om met zijn vrouw en drie kinderen een plaatsje te veroveren in een onherbergzaam gebied met mensen die hij letterlijk en figuurlijk niet goed begrijpt. Dat leest lekker weg, in je eigen luie stoel.

Everetts vrouw en een van zijn dochters krijgen bijvoorbeeld last van een zware malaria-ontsteking zodat het hele gezin in een kano zo snel mogelijk naar het dichtstbijzijnde dorp met een ziekenhuispost moet komen – een tocht die Everett in geuren en kleuren beschrijft. (“Het gebied was tot aan de monding van de rivier Marmelos heuvelachtig, met steil oplopende oevers aan alle kanten (…) Verder weg, kon ik zelfs paranootbomen boven het regenwoud uit zien komen. Ik zag het allemaal alsof het nieuw was. Kun je natuur mooi vinden als je gezin dood aan het gaan is? ”) Zoals hij op een ander moment hoort dat de Pirahã – met goedkope rum dronken gevoerd en opgestookt door een Braziliaanse handelsreiziger – luidkeels plannen beramen om hem en zijn gezin te vermoorden. Everett weet dat te voorkomen door op de mannen af te stappen en ze hun wapens af te pakken. (“Ik liep gewoon naar binnen met een grote grijns en zei in mijn beste Pirahã: ‘Hé jongens! Hoe gaat het?’”)

Aangeboren eigenschap

Gaandeweg leert de jonge missionaris ook de taal en cultuur van zijn gastheren kennen – en te geloven dat deze een heel nieuw licht werpen op de menselijke natuur. Hij is als taalwetenschapper opgeleid in de school van Noam Chomsky (1928), die zeker in die tijd en zeker in de Verenigde Staten dominant was. Na zijn promotie, op de grammatica van het Pirahã, heeft Everett zelfs een jaar doorgebracht op de gang van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) waar ook Chomsky kantoor hield.

Een van Chomsky's belangrijkste ideeën is dat menselijke talen, ondanks de vele in het oog springende verschillen, in de kern toch allemaal hetzelfde zijn: een wetenschapper van Mars zou meer opvallen hoeveel de talen op elkaar lijken dan hoeveel ze van elkaar verschillen. Die kern noemt Chomsky de universele grammatica en zijn leven lang heeft Chomsky gezocht naar een goede definitie van wat er in die grammatica zit.

Een belangrijk argument voor het aannemen van zo'n universele grammatica is dat kinderen moeiteloos de taal van hun omgeving oppikken, zonder dat ze daar veel instructie in krijgen – de meeste taalverwerving gebeurt in de eerste levensjaren, voordat het kind naar school gaat; bovendien blijken correcties die ouders aanbrengen vaak geen enkel effect te hebben. Het kind moet het zelf leren. De gedachte is dat een kind veel dingen ook niet hoeft te leren, omdat het de universele grammatica al als aangeboren eigenschap meekrijgt.

Instinctief

De laatste jaren gebruikt Chomsky het volgende drietal zinnen vaak om zijn idee te illustreren:

- Adelaars die kunnen vliegen, zwemmen.
- Adelaars die vliegen, kunnen zwemmen.
- Kunnen adelaars die vliegen, zwemmen?

De derde zin is een vraagzin. Vraagzinnen worden in het Nederlands (en in het Engels) gemaakt door de persoonsvorm vooraan in de zin te plaatsen. Belangrijk voor Chomsky is dat iedereen begrijpt dat de derde zin de vraagvorm is van de tweede zin en niet van de eerste. Waarom is dat zo? Kunnen is in allebei de zinnen een persoonsvorm en niemand heeft ons ooit verteld dat je niet de eerste persoonsvorm die je tegenkomt voorop mag plaatsen. De reden, zegt Chomsky, is dat mensen instinctief weten dat je bij zo'n vooropplaatsing nooit een woord uit een ingebedde zin kiest (die kunnen zwemmen) maar altijd een woord uit een hoofdzin. Dat is dus een behoorlijk ingewikkelde regel die iedereen zonder veel instructie leert – een aanwijzing voor het bestaan van een universele grammatica.

Weerlegd

Die inbedding van de ene zin in de andere (die eindeloos door kan gaan, omdat je kunt zeggen Ik zie een adelaar die een muis opeet die net de kamer uit kwam lopen die gisteren door mijn vader is schoongemaakt die...) is in de loop van Chomsky's carriere steeds belangrijker geworden. In 2002 publiceerde hij samen met de bioloog Marc Hauser en de psycholoog Tecumseh Fitch een artikel in het tijdschrift Science waarin hij betoogde dat dit soort inbedding dé kenmerkende eigenschap is van menselijke taal. Terwijl sommige chimpansees wel enkele honderden woorden kunnen leren en deze min of meer tot begrijpelijke zinnen aan elkaar kunnen rijgen (jopie banaan wil sinaasappel wil) komen ze volgens Chomsky, Hauser en Fitch nooit toe aan het inbedden van de ene zin in de andere. Omgekeerd zou menselijke taal juist universeel door dit soort inbedding gekarakteriseerd worden.

Dan Everett maakte bezwaar tegen deze laatste bewering. Volgens hem kun je in het Pirahã nooit een zin in de andere inbedden. Je kunt wel complexe gedachten uitdrukken, maar alleen door zinnen naast elkaar te plaatsen. (In het Pirahã kun je zeggen Adelaars kunnen vliegen. Zij zwemmen.) Omdat het Pirahã zonder twijfel een menselijke taal is, zou de bewering van Chomsky en zijn coauteurs hiermee weerlegd zijn.

Bananen!

Het Pirahã heeft volgens Everett nog meer eigenschappen die het anders maken dan andere talen. Zo kun je de taal behalve spreken ook fluiten, brommen of zingen. Ook heeft de taal geen namen voor kleuren of voor getallen en geen woorden zoals alles, sommige en iedereen.

Al die eigenschappen worden volgens Everett veroorzaakt door de cultuur van het Pirahã-volk dat erg teruggetrokken leeft (behalve een paar woorden Portugees voor handel met buitenstaanders spreekt niemand enige andere taal) en wat belangrijker is: dat alleen praat over het hier en nu, over dingen die men met eigen ogen heeft gezien. De Pirahã zijn dan ook, volgens Everett, het enige bekende volk dat geen noemenswaardige kunstvoorwerpen produceert en nauwelijks belangstelling aan de dag legt voor moderne techniek. Ook kent het geen scheppingsmythen. Everett doet verslag van een gesprekje dat een Braziliaanse antropologiestudent had met een Pirahã (een moeizaam gesprek omdat de onderzoeker en onderzochte elkaars talen nauwelijks spraken):

Student: “Hoe is de wereld geschapen?”
Man: “Wereld geschapen…”
Student: “Wat kwam er het eerste?”
Lange stilte.
Stem uit de achtergrond, herhaald door man bij de microfoon: “Bananen!”
Student: “En wat kwam er daarna?”
Stem: “Papaya!”
Man: “Papaya!” Dan luider, en in het Pirahã: “Hé Dan! Kun je me horen? Ik heb lucifers nodig! En een zeil. Mijn kind is ziek. Hij heeft medicijnen nodig.”

Metafysica

De student dacht dat hij een – voor hem onverstaanbare – scheppingsmythe had opgenomen, maar de Pirahã associeerden alle elektronische apparatuur met manieren om met Dan Everett over hun dagelijkse behoeften te praten.

Die bijzondere cultuur – die op zijn beurt mogelijk te maken heeft met de leefomgeving, het Amazone-gebied, zonder jaargetijden en met een altijd voortdurende overvloed aan voedsel uit de rivier en het woud – zorgt ervoor dat men dus geen abstracte woorden heeft, maar ook geen inbedding. Een ingebedde zin drukt immers niet iets direct waarneembaars uit. In de zin van Chomsky bijvoorbeeld verwijst die kunnen vliegen niet naar een waarneembare categorie maar naar een abstracte generalisatie.

In een dergelijke taal kun je de bijbel, met zijn verhalen over allerlei personen die geen levend mens ooit gezien heeft, niet vertalen. Dat deed Everetts geloof aan de universele geldigheid van het christendom uiteindelijk wankelen – ook al omdat hij zag hoe gelukkig de Pirahã waren in hun leven in het hier en nu, in hun afkeer van abstracte metafysica. Maar de uitzonderlijkheid van hun taal deed hem ook het vertrouwen verliezen dat er zoiets als een universele grammatica zou kunnen bestaan.

FoxP2

In zijn nieuwe boek, Language. The cultural tool, gaat Everett een stapje verder. Niet alleen het Pirahã, maar álle menselijke talen worden gevormd door de cultuur waarin ze ontstaan. Het taalvermogen is geen aangeboren biologische eigenschap van de mens, zoals Chomsky en de zijnen beweren, maar een uitvinding die de mens telkens weer doet: een instrument van zijn cultuur.

Voor specialisten zijn de meeste van Everetts argumenten tegen het aangeboren karakter van taal bekend, maar hij zet ze in zijn boek op een begrijpelijke manier op een rijtje. Eén argument is dat je bij een zo ingewikkeld aangeboren vermogen van de mens als dat voor taal ook zou verwachten dat er inmiddels wel een of meerdere 'taalgenen' gevonden zouden zijn. Dit nu is niet het geval. Eén gen komt dicht in de buurt, het zogenoemde FOXP2-gen. Een aanwijzing voor de betrokkenheid van dit gen bij taal is dat mensen die en beschadigd FOXP2-gen hebben, vaak ook kampen met bepaalde specifieke taalproblemen. Tegelijkertijd is dit gen aanwezig bij allerlei andere zoogdierenen en bovendien verantwoordelijk voor andere eigenschappen, op het gebied van sociale vaardigheden en van motoriek.

Een ander bezwaar tegen de hypothese dat taal aangeboren is, is dat er een alternatieve verklaring is voor veel overeenkomsten tussen talen: dat ze van dezelfde oorsprong stammen en de eigenschappen van die eerste taal hebben overgenomen. De afgelopen jaren zijn er in Science en Nature enkele artikelen verschenen die hebben laten zien dat een gemeenschappelijke oorsprong de overeenkomsten tussen talen beter voorspelt dan andere mogelijke factoren. Wanneer we aannemen dat homo sapiens één gemeenschappelijke oorsprong heeft in Afrika, en dat de mens al taal had voor hij uit Afrika vertrok, komen we een heel eind in het begrijpen van de gemeenschappelijke oorsprong.


Wiskundig

Dit zijn allebei interessante argumenten, al zijn ze niet helemaal nieuw en al valt er ook tegen allebei wel wat in te brengen. Aannemen dat iets aangeboren is betekent natuurlijk niet per se dat er één specifiek gen kan worden aangewezen dat verantwoordelijk is voor die eigenschap. Bovendien moet iedereen aannemen dat er iets biologisch is aan de mens dat juist hem zo geschikt maakt om taal te leren: de hond die jarenlang op de mat naar zijn baasje ligt te luisteren zal nooit de ene zin in de andere leren inbedden. En een gemeenschappelijke oorsprong van talen kan veel verklaren, maar niet dat soms bepaalde eigenschappen samenhangen: als een taal eigenschap A heeft, heeft hij ook eigenschap B.

De belangrijkste reden waarom Everett uiteindelijk vermoedelijk niet al zijn taalkundige lezers overtuigd, is omdat hij geen uitgewerkt alternatief biedt. Hij stelt dat taal een cultureel instrument is dat de mens overal gebruikt – zoiets als het vuur of de kruisboog. Maar hoe een taalkundige dat idee precies moet toepassen in de analyse van een andere taal: het Hongaars, of een inheemse Australische taal of dialect van Franeker. Het succes van Chomsky onder taalkundigen heeft naar mijn indruk altijd minder gelegen aan zijn ideeen over het al dan niet aangeboren zijn van het taalvermogen. Hij deed iets anders: hij bedacht een bijna wiskundig formalisme waarmee je zinnen in detail kunt analyseren.

Kiezen

Aanhangers van Chomsky hebben de neiging om fel en bitter te reageren op werk zoals dat van Everett. Omgekeerd voelen tegenstanders van Chomsky ook vaak grote woede over de uitvinder van de Universele Grammatica. Hoe dat komt is lastig te verklaren. Het heeft er misschien mee te maken dat taal de meest karakteristieke menselijke eigenschap is. Wie het wezen van taal verklaart, verklaart dus eigenlijk de mens.

Het verschil tussen Chomsky en Everett is deels dan ook een verschil in persoonlijkheid. Chomsky is een studeerkamergeleerde, die meent dat we kennis kunnen verwerven door goed en diep na te denken en dan wiskundige modellen op te stellen. Everett is een soort taalkundige Indiana Jones, een man die het avontuur zoekt en die denkt dat kennis kan worden verworven door direct met je zintuigen informatie op te zuigen. Net als de Pirahã meent hij bovendien dat de ware kennis alleen kennis is die je uit de eerste hand opdoet. Hij gelooft niet in abstracte theorieën, die hij te ver weg vindt staan van de alledaagse ervaring.


Wie heeft er gelijk? Dat valt nauwelijks objectief te bepalen: het hangt er maar vanaf wat voor persoonlijkheid je zelf hebt. Maar het is daarbij misschien vooral van belang dat een mens helemaal niet hoeft te kiezen tussen Chomsky en Everett, wat beide partijen ons ook willen doen geloven. 

Dit artikel zou verschijnen in de Academische Boekengids; maar de redacteur ervan heeft me gemeld dat de Academische Boekengids helaas ophoudt te bestaan.

9 opmerkingen:

  1. In discussies van dit type lopen er altijd twee dingen door elkaar heen: hoe zit het instument in elkaar en hoe wordt het instrument gebruikt. Het kan best zo zijn dat het kenmerkende eigenschap van taal inbedding is (Chomsky), maar dat er gebruikers(groepen) zijn die die mogelijkheid niet gebruiken (Everett).

    Dit is het aloude verschil tussen competence (het vermogen om taal te gebruiken) en performance (het feitelijk gebruik van taal). In die zin is de vraag "Of Chomsky of Everett" m.i. een onzinnige.

    En gelukkig maar, want het zou er voor de taalwetenschap erg bedroevend uitzin als het WEL een zinvolle vraag was en als inderdaad zou blijken dat het antwoord op die vraag "nauwelijks objectief te bepalen [valt]" maar afhangt van "wat voor persoonlijkheid je zelf hebt".

    Ik ben het dus met je eens dat je niet hoeft te kiezen tussen Chomsky en Evererr, maar ik heb de indruk dat ik dat om een andere reden vind dan jij.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Sorry voor de tikfouten.

      Verwijderen
    2. Die kwestie over of recursie nu een eigenschap is van menselijke talen of het menselijk taalvermogen is inderdaad een andere. Ik ben het met je eens dat de stelling eigenlijk over het laatste moet gaan: we hebben niet per se een tegenvoorbeeld als we een taal vinden zonder recursie, maar wel als we een mens vinden met een normale intelligentie die geen recursieve taal blijkt te kunnen leren. (Al zal zich in dat geval de vraag voordoen hoe we bepalen dat deze persoon inderdaad een normale intelligentie heeft, gegeven dat zo iemand waarschijnlijk door dat gebrek niet normaal kan opgroeien.)

      Mij ging het nu over een andere kwestie, namelijk of taal een natuurlijk fenomeen is, dan wel een cultuurproduct. Het fenomeen van de tikfout hoort in ieder geval tot het laatste, lijkt mij.

      Verwijderen
    3. Ik ben het met je eens dat taal en een natuurlijk fenomeen en een cultuurproduct is en dat dus ook dat daar een of ... of vraag niet op zijn plaats is. Gelukkig zitten we weer op een lijn!

      Die tikfouten zijn weer een andere zaak, ... net als het per ongeluk verwijzen naar de verkeerde voorbeelden (zie opmerking van Irina). Dat noch "nature" noch "nurture", maar gewoon slordig!

      Verwijderen
    4. En dat geldt ook voor het weglaten van woorden!

      Verwijderen
  2. - Adelaars die kunnen vliegen, zwemmen.
    - Adelaars die vliegen, kunnen zwemmen.
    - Kunnen adelaars die vliegen, zwemmen?
    ...
    Belangrijk voor Chomsky is dat iedereen begrijpt dat de derde zin de vraagvorm is van de eerste zin en niet van de tweede.


    Ho! Dat is toch juist andersom? Zin 2 en 3 gaan allebei over adelaars die vliegen en misschien kunnen zwemmen. Misschien heeft iemand bij het vertalen van het voorbeeld een steekje laten vallen.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Taal is ongetwijfeld deels het gevolg van cultuur. Van woordenschat nemen we dat alleen makkelijker aan dan van grammatica. Maar zelfs dan aarzelt de wetenschapper, en niet ten onrechte.

    Het Pools maakt geen onderscheid tussen bepaald of onbepaald (een vs. het/de), het Nederlands wel, is dat een cultureel verschil? Er is weinig reden om aan te nemen dat dat zo is. Hongaren maken geen onderscheid tussen "hij" en "zij", zijn zij daarom meer of minder geëmancipeerd? Het voelt haast ongemakkelijk om aan zoiets conclusies te verbinden. Vlamingen en Nederlanders spreken grofweg dezelfde taal, hebben ze daardoor ook grofweg dezelfde cultuur?

    Taal is aardig meetbaar, cultuur niet. Dat maakt cultuur een moeilijk argument, misschien wel echt ongeschikt. En dan nog. Kunnen we uitsluiten dat de beperkte opvattingen van de Piraha andere dan culturele oorzaken hebben? Zonder grof te willen zijn: door eeuwenlange afzondering in een oerwoud selecteer je niet automatisch de beste genen.

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Toen ik hoorde dat de Pirahã geen verhalen vertellen, dacht ik in eerste instantie: "Die antropoloog is beetgenomen" en in tweede instantie: "Er zit een genetisch defect bij dat volk". Maar ik ben daar van terug gekomen na lezing van Everett's 'Cultural Constraints on Grammar and Cognition in Pirahã. Another Look at the Design Features of Human Language', in: Current Anthropology 46 (2005) 4, pp. 621-646. Het kan niet zo zijn dat hij bijna 30 jaar voor de gek is gehouden - zoiets overkomt vooral de groentjes. Everett legt ook uit dat het niet voortdurend inteelt troef was. Er waren ook sexuele relaties met Braziliaanse kooplui (vooral als de rest van de familie op alcohol werd getracteerd), en de baby's die uit deze relaties geboren werden, bleven bij de stam. Er kwam dus wel steeds vers genetisch materiaal de stam binnen. Het is verder niet zo dat Pirahã geen verhaalstructuren aankunnen: verhalen van wat ze hebben meegemaakt worden wel verteld. Verhalen over wat een direkte ooggetuige heeft meegemaakt, worden ook verteld. Maar er zijn geen scheppingsverhalen, en er is geen gebiedende god. Het geloofssysteem biedt geen ruimte aan mythen. Maar met name fictie is not done. Fictie = abstract want denkbeeldig, en daarop berust dus een 'cultural constraint'. Het is geen concrete afspraak die de Pirahã hebben gemaakt met elkaar, maar een ongeschreven culturele regel: fictie is onzin en daar doen we niet aan. Helaas voor Everett vielen de verhalen over Jezus ook onder de fictie :)

    BeantwoordenVerwijderen
  5. Het probleem dat ik heb met de beweringen van Everett is (vrij naar het strafrecht): 1 getuige is geen getuige. We moeten helemaal afgaan op wat 1 man ons over dat clubje Pirah's vertelt. Dat is geen goede basis voor een wetenschappelijke discussie.

    Berthold van Maris

    BeantwoordenVerwijderen

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.