alleen bij het ernstig en
radeloos
rondwaren in dit lege land zonder
redding
kust men plots – doodgoed – zijn
eigen kwade hond
en zo – uit zelfrespekt – houdt
men zijn mond
De laatste strofe van een
goed woord vindt steeds een goede plaats, het laatste gedicht in De moerasruiter uit het paradijs. Zelden
zullen vijf strofen een titel zo hebben tegengesproken. ‘Zwarte ironie’ is geen
gangbare combinatie, geloof ik, maar ze lijkt me hier nogal bruikbaar.
De moerasruiter uit
het paradijs was de bundel waarmee Lucebert in 1982 zijn writer’s block achter zich liet. Zeven jaar later verscheen Troost de hysterische robot en daarin is
de toonzetting niet veel anders. De bundel kent geen titelgedicht, maar een
titeloratorium van zo’n vijfentwintig bladzijden. Het vult het tweede gedeelte
van de bundel. Liederen van personages en koorzangen wisselen elkaar af. Zo is
daar tegen het slot het lied van de
eenzame man:
klaarlichte dag
tussen ingehouden bloeddorst
en trage stoelgang verstard
mijmert de zanger
De zanger krijgt gezelschap van ‘thanatos judas eros/ teder
betreden zij allen/ het onbevlekte land.’
Er lijkt zich een idylle te ontvouwen: ‘in het onbezonnen licht/ met
iets van stemverheffing / en vol levenskracht.’ Waar dat toe leidt, blijkt even
later:
elke systeem baart zijn ruïne
met dierlijke of illustere
geluiden
storten regeringen in
als zonnen onder de vette zoden
onder de vette zoden die
verzanden
In het koor dat de bundel afsluit, krijgen planeetbewoners die
zich illusies maken er nogmaals van langs:
stap voor stap van trap naar trap
gaan wij gare naast halvegare
luchthart naast treurniet
altegader
even onnozel als gezond
In 1992 verscheen wat Luceberts voorlaatste bundel zou blijken te zijn: Van de roerloze woelgeest. Het slotgedicht heeft als titel de nederlaag en er is waarschijnlijk geen gedicht in Luceberts oeuvre waarin de hopeloosheid van ’s mensen leven en streven onverbloemder onder woorden wordt gebracht. Als er al zoiets als hoop zou bestaan – de hoop van hoopvolle filosofen bijvoorbeeld – wordt die in stukken geslagen door doodseskaders waaraan ook de ‘ik’ niet kan ontsnappen:
de marmersnijder en de
schedelmeter ontwaarde ik
in de eeuwigheid zou ik uittreden
en deel zijn
van doodseskaders die de
bedevaart van bedelaars
en hoopvolle filosofen verstoren
en uiteenrijten
zodat een ieder dwaalt in eeuwig
onbehagen
zonder dageraad zonder lenteboden
zonder liefde
zonder morgenrood zonder
jaargetijden zonder taal
Zonder taal, zonder wat dan ook blijft iedereen achter. Taalscepsis
– die kennen we van Lucebert: ik tracht
op poëtische wijze is het beroemdste voorbeeld. Maar hier gaat het verder
en tot in de titel laat dat vroegere gedicht het verschil zien. Bedelaars op
bedevaart en filosofen vol hoop - na zijn bundelloze periode van achttien jaar
heeft Lucebert afstand gedaan van wat een dichter metafysisch en
maatschappijkritisch allemaal zou
kunnen trachten. Een toestand van taalloosheid kon bij de vroege Lucebert óók een
manifestatie zijn van een extase – een intense extase die in de richting gaat van
het mystieke. Een nastrevenswaardige dood in het leven die juist in, met of
door de poëzie kon worden bereikt. Bij de late Lucebert beleven taallozen het omgekeerde: ze zijn dolende
schimmen in een onderwereld. Een dichter die op dat moment bijna 800 pagina’s
poëzie op zijn naam heeft staan, kiest een slotakkoord. Wat heeft hij – ‘ik
draai een kleine revolutie af’ – tot stand gebracht of wat zou hij tot stand
kunnen brengen? Geen dageraad, geen liefde, geen morgenrood, geen taal. Het is niet anders: poëzie
brengt niets te weeg. Meer dan aan dat gedicht van Auden
doet de late Lucebert mij denken aan de late Beckett. In verbeten frasen wordt
vastgesteld hoe het is.
Wordt vervolgd
Geen opmerkingen:
Een reactie plaatsen