grassère
dwars door mistroostige mist
blijft hij van herfst naar lente ons vervoerendeze lachende alchemist
met zijn picturale partituren
Het laatste gedicht in Van
de maltentige losbol, de bundel die een paar maanden na Luceberts dood
verscheen in een fraaie, tweedelige cassette. Eén deel bevatte de eigenlijke
bundel: in een groot formaat, 24 x 30 cm., dat recht deed aan de gouaches en
tekeningen die de zestig gedichten vergezelden. De gouaches waren door Lucebert
zelf uitgezocht, de tekeningen door de uitgever en de erven. Het tweede deel
was een fotoboek: Op bezoek bij Lucebert.
De bezoekers waren een Duitse kunsthistoricus, Jens Christian Jensen, die
verantwoordelijk was voor de samenstelling van het boek en een korte begeleidende
tekst, en de Duitse fotografe Karin Székessy. Een stuk of dertig foto’s van
Lucebert in zijn Bergense atelier en zijn directe leefomgeving met daarnaast ook
nu weer perfect afgedrukte tekeningen, aquarellen en collages. Dat de twee
bezoekers werkelijk grenzen waren gepasseerd, maken de eerste en de laatste
foto’s duidelijk: de Waddenzee en de Afsluitdijk vanuit een autoraam. Toeristische
truttigheid die voor een vreemd contrast zorgt met de karikaturale kobolden in
Luceberts eigen wereld.
Een echt laatste gedicht dus, in de laatste door Lucebert
zelf samengestelde bundel. Drie keer ‘mist’ in een kort gedicht van niet meer
dan zesendertig lettergrepen. Gérard Grassère was een jaar tevoren overleden. Hij
was negen jaar ouder geweest dan Lucebert; verder schilder, Limburger, figuratief-expressionistisch-abstract-poëtisch,
aan de rand van Cobra maar – vermoed
ik – iets te oud om vol overtuiging mee te doen, een bevlogen docent op
kunstacademies, een liefhebber van de poëzie van Elizabeth Eybers. Hij was ook Luceberts
buurman in Jávea. Een expansionistische, extraverte Lebemann, stel ik me zo voor. De gelukkige kunstenaar.
Alles wat Lucebert niet per se was. Dat het gedicht een
amulet kon zijn, dat er een kleine ritselende revolutie kon worden afgedraaid –
in de poëzie en ook in het leven: het was een overtuiging die Lucebert aan
het eind van de jaren vijftig had verloren. In 1963 verscheen Mooi uitzicht en andere kurioziteiten –
een veelzeggende titel. Vervolgens verscheen er gedurende achttien jaar geen bundel. De dichter Lucebert liet
alleen van zich horen met gelegenheidswerk: teksten voor een volkstellingsaffiche
of voor een theatervoorstelling. Wel verschenen in 1974 de Verzamelde gedichten, een meticuleus geannoteerd praalgraf dat voor
de geannoteerde soms een heftige
confrontatie had betekend met eerder gepubliceerd werk. Het leidde tot negen nieuwe gedichten, negen
herschrijvingen: wat momenten van extase waren geweest werden momenten van
woede en ontgoocheling.
Toen in 1981 Oogsten
in de dwaaltuin uitkwam, bleek die bundel een samenraapsel van concrete
aanleidingen – vaak het leven en werk van bevriende kunstenaars als Breytenbach
en Schierbeek. Pas de volgende bundel, De
moerasruiter uit het paradijs uit 1982, laat weer een autonome
verbeeldingswereld zien. Het is een wereld van moerasruiters, pekelzalvers en
kleine herders. In iets meer dan een decennium verschijnen vervolgens drie
behoorlijk lijvige bundels: Troost de
hysterische robot in 1989, Van de
roerloze woelgeest in 1993 en ten slotte Van de maltentige losbol in 1994. Een dichter heeft iets hervonden –
zichzelf, zijn stem? Waar blijft het ‘ik’ in de passage van jeugdige overmoed
naar Spätstil? Al die bundels ademden
zo ongeveer dezelfde sfeer; al die bundels kenden hun laatste gedichten.
Wordt vervolgd
Gert, je bent een zeurderige schoolmeester aan het worden. Dat geeft niet, maar pas op voor het Paasrapport!
BeantwoordenVerwijderenSchoolmeester boven schoolmeester, dat blijkt maar weer.
Verwijderen