Als je ’t pas verschenen rapport Jongeren, de Nederlandse taal & participatie mag geloven, spreken jongeren in Nederland, Vlaanderen
(België), Aruba en Suriname ’t meest Algemeen Nederlands. Opmerkelijk nieuws
voor wie wel eens jongeren heeft horen praten en ook helemaal in strijd met wat
je er over leest. Het onderzoek waar dat rapport een verslag van is, is uitgevoerd
in opdracht van de Taalunie.
Uit de Inleiding: “De Nederlandse Taalunie besloot eind 2010 om een
Taalunie Jongerenraad op te richten. De bedoeling is jongeren uit Aruba,
Curaçao, Nederland, Sint-Maarten, Suriname en Vlaanderen te laten meepraten
over kwesties die de Nederlandse taal betreffen.
Het onderhavige kwalitatieve onderzoek naar de mening van de jongeren over de Nederlandse taal is een opmaat voor de vorming van zo’n raad. De toetsing van een participatieconcept dat als model kan dienen, maakt deel uit van dit onderzoek.” (blz. 13).
Het onderhavige kwalitatieve onderzoek naar de mening van de jongeren over de Nederlandse taal is een opmaat voor de vorming van zo’n raad. De toetsing van een participatieconcept dat als model kan dienen, maakt deel uit van dit onderzoek.” (blz. 13).
Dit onderzoek deugt niet omdat de gevolgde
methode onder de maat is, ’t verslag zichzelf voortdurend tegenspreekt en omdat
de conclusies door andere onderzoeken weersproken worden. Om over ’t modieuze
doel ‘jongeren te laten meepraten over kwesties die de Nederlandse taal
betreffen’ nog maar te zwijgen.
‘t Begint al met vaagheden over de
samenstelling van de groep respondenten. ’t Enige concrete getal dat we
vernemen is dat van ’t totale aantal deelnemers: 100. Hoe die verdeeld zijn
over Nederland, Vlaanderen (België), Aruba en Suriname blijft in ’t ongewisse.
Er is voor spreiding gezorgd naar geslacht, leeftijd, culturele achtergrond,
regio en opleidingsniveau, staat er. Maar cijfers zien we niet. Er deden
scholieren mee en studenten en tenslotte waren ook culturele diversiteit en
tweetaligheid evenredig vertegenwoordigd. Ook hier worden geen aantallen
gegeven. Toch zou ik bijvoorbeeld graag willen weten wat evenredige
vertegenwoordiging van tweetaligheid inhoudt. Wat wel nauwkeurig gemeld wordt, is dat de respondenten 15
euro vergoeding kregen per focusgesprek. Dat had ik nou niet hoeven te weten.
“De data zijn verzameld door middel van focusgroepsgesprekken en de reflectie van de onderzoekers. Kwalitatief onderzoek is niet volledig representatief, maar de uitkomsten zijn wel richtinggevend en indicatief voor de gehele groep.” (blz. 51).
Data verzamelen door middel van de reflectie van de onderzoekers, wat
dat is weet ik niet, maar dat je heel goed moet reflecteren over de vragen die
tijdens die focusgroepsgesprekken gesteld zijn, is me wél heel duidelijk:
“Wat is de Nederlandse taal volgens jou? Leg eens uit?”
“ Wat voor sfeer gaat gepaard met de Nederlandse taal? Hoe zou je die omschrijven?”“Wat zijn de positieve eigenschappen van de Nederlandse taal? Waarom?”“Zijn er ook minder positieve eigenschappen? Hoe komt dat?” (blz. 53).
Verbazingwekkend trouwens dat zo’n divers samengestelde groep
respondenten toch uniforme conclusies oplevert:
“Veel jongeren vinden het Nederlands een moeilijke taal om te leren en Nederlandse jongeren hechten weinig belang aan een correcte beheersing van de taal. Spelling, grammatica en de uitspraak vormen het grootste probleem. Veel Nederlandse jongeren vinden het overigens niet erg dat ze veel taalfouten maken. Zij hechten hier weinig waarde aan. Vlaamse jongeren hebben naar eigen zeggen minder problemen met de taal en hechten meer waarde aan mooi taalgebruik.” (blz. 6)
Met ‘veel jongeren’ moeten wel niet-geboren
sprekers van ’t Nederlands bedoeld zijn, want die kennen nog geen Nederlands. Dat
Nederlandse jongeren weinig belang hechten aan een correcte beheersing van een
taal (overigens ‘beheersen’ impliceert correctheid), geloof ik niet, want ze
beheersen ’t Nederlands. Maar waarschijnlijk wordt met ‘taal’ alleen spelling
bedoeld. Net zoals met ‘taalfouten’ in de volgende zin. “Zij hechten hier
weinig waarde aan” . Dat betekent: ze vinden ’t niet erg om spelfouten te
maken. Maar even verderop blijkt: “Jongeren
letten bij het gebruik van sociale media extra op correct gebruik van het
Nederlands.” Dus toch. En dat ‘uitspraak’
een probleem vormt kan weer alleen voor allochtonen gelden.
Het rapport excelleert in vage terminologie. Wat betekent bijvoorbeeld:
De Taalunie is een “organisatie die de Nederlandse taal waarborgt en koestert”.
Of onhandige terminologie: behalve dat ’t amateuristisch is om steeds
te spreken van de Nederlandse taal,
lijkt me dat tegenover Vlamingen en Surinamers ook niet erg elegant. Die noemen
die taal om begrijpelijke redenen liever bij zijn naam: Nederlands.
Wat wordt in de volgende
zin met gewoon schrijftaal bedoeld:
“Online gebruiken jongeren veelal gewoon schrijftaal, soms in combinatie met
afkortingen.” (blz. 6). En wat is mooi taalgebruik, waar Vlaamse jongeren zo op gesteld zeggen te
zijn?
Ook de volgende alinea laat de lezer met veel vragen achter, afgezien
dan nog van zijn ergernis over de
stilistische gebreken:
“Het Algemeen Nederlands (AN), informeel en formeel taalgebruik worden het meest gesproken. Het AN verdient volgens veel respondenten de voorkeur. Op school en tijdens werk gebruiken ze de taal formeler dan thuis of in situaties met vrienden. Jongeren spreken formeler op school, op het werk en met ouderen. Dialect wordt door sommige jongeren nog thuis gesproken met familie of vrienden. Sommige jongeren beheersen ook jongerentaal en straattaal. Zij spreken dit met vrienden.” (blz. 23).
Let wel, het gaat hier over jongeren van
allerlei herkomst: uit Nederland, Vlaanderen, Suriname en Aruba en zelfs uit
Afghanistan. Wat wordt er bedoeld met AN? In het persbericht over dit rapport dat
op de website Taalschrift van de
Taalunie te lezen is, wordt die favoriete taal zelfs A.B.N. genoemd, Nederlands
dus waar je niet aan kunt horen waar iemand vandaan komt! Met andere woorden: de
meeste jongeren spreken ABN! Zou ’t?
Dus ook Vlaamse jongeren: “Vlaamse jongeren
gebruiken dagelijks dialect, Algemeen Nederlands (AN) en soms jongerentaal… Met
familie spreken ze veelal dialect. Ze geven echter de voorkeur aan het AN.” (blz.
43). Dat gelooft toch langzamerhand geen mens meer! De werkelijke situatie in
Vlaanderen is dat 95% van de
jongeren er Verkavelingsvlaams spreekt en wil spreken. Zie ’t boek De manke usurpator (2012). Idioot trouwens dat begrip en term Verkavelingsvlaams
in ’t hele rapport niet voorkomen; ook de benaming tussentaal niet.
Nog zo’n miraculeuze constatering (blz. 42): “De uitspraak van Nederlanders vinden ze [= Vlaamse jongeren]
mooier dan die van de Vlamingen omdat die beter zouden articuleren.” Verrassend want doorgaans lees je juist
dat Vlamingen een afschuw hebben van dat lelijke Hollands. Maar misschien is er
inderdaad een kentering gekomen en ’t is tenslotte ook maar een mening!
“De Nederlandse Taalunie wil jongeren (15-24
jaar) interesseren voor de Nederlandse taal en laten participeren bij de
Nederlandse Taalunie. Binnen het zeer brede onderwerp Nederlandse taal is het
van belang een duidelijke focus aan te brengen en de participatievorm hierop
aan te passen.” (blz. 13).
Om jongeren te betrekken bij ’t beleid van de
Taalunie worden er 5 concepten gepresenteerd, ’t ene al naïever dan ’t andere. Je
mond valt trouwens open als je daar in ’t winnende participatieconcept opeens
de benaming Taalstormtroepers
tegenkomt: “Sluit je aan bij het
Taalstormtroepers Jongerenpanel en wordt expert op het gebied van de
Nederlandse taal.” (blz. 10). Dat riekt naar Groot-Diets en herinnert aan
kwalijke propaganda. “De Taalstormtroepers
zijn hun tijd ver vooruit want zij wonen twee keer per jaar een bijeenkomst van
de Nederlandse Taalunie bij.” (blz. 61). Ik stel me voor dat ze daar dan in
uniform en onder gezang naartoe marcheren.
We zullen ‘t maar weer op naïviteit houden, een eigenschap waar het hele
rapport van doortrokken is. De Taalunie zoekt emplooi, dat is de conclusie die
zich aan me opdringt, en nu probeert men jongeren voor zijn karretje te
spannen. Van ’t belang om jongeren bij ’t beleid te betrekken weet dit rapport
de lezer niet te overtuigen. Dat komt voor een belangrijk deel ook door de erbarmelijke stijl. Dit Taalunie-rapport wekt door
zijn onbeholpen formuleringen de indruk ’t eerste werkstuk te zijn van een
eerstejaars student aan de School voor Journalistiek.
Geen opmerkingen:
Een reactie plaatsen