De bloemlezing: veel
lezers komen ermee in aanraking omdat ze een overzicht van de beste,
belangrijkste of mooiste letterkunde kan bieden. In Op jacht naar de gezwinde grijsaard, de eenentwintigste Bert van
Selmlezing (een jaarlijks terugkerend initiatief van de opleiding Nederlands
van de Universiteit Leiden ter nagedachtenis aan boekwetenschapper Bert van
Selm) laat Riet Schenkeveld-van der Dussen zien dat bloemlezingen een interessant
onderwerp van onderzoek naar literaire canonvorming kunnen zijn.
Bloemlezingen zijn een essentieel onderdeel van het
literaire aanbod. Als overzicht of selectie van, met name, gedichten – uit
bepaalde periodes, van bepaalde auteurs of met een bepaald thema – vormen ze
voor velen een eerste kennismaking met poëzie; is het niet uit eigen
belangstelling, dan wel via de literatuurlessen op de middelbare school. Tegenwoordig
zijn in het Nederlandse taalgebied de bloemlezingen van Gerrit Komrij beroemd,
en ook bundels met titels als ‘De honderd beste …’ doen het goed bij het
lezerspubliek. Minder bekend is misschien dat er in Nederland al bloemlezingen
bestaan sinds het begin van de zeventiende eeuw, zij het niet altijd met
dezelfde functie.
Canonvorming
Als doorgevers van literair erfgoed, vaak samengesteld door geleerden
en deskundigen en veelal bestemd voor een breed publiek, zouden bloemlezingen
voor de Nederlandse literatuurgeschiedenis interessante vragen kunnen
beantwoorden. De ontwikkelingen in de totstandkoming van bloemlezingen, de
veranderingen maar zeker ook de constanten in de selectie van de gedichten in
de loop der tijd kunnen ons wellicht meer vertellen over het proces van
canonisering. Er is echter, op enkele studies naar specifieke soorten
bloemlezingen na, nog maar weinig onderzoek gedaan op dit gebied. Riet
Schenkeveld-van der Dussen, emeritus hoogleraar Nederlandse letterkunde
1550-1850 aan de Universiteit Utrecht, doet in Op jacht naar de gezwinde grijsaard een eerste verkenning naar het
belang van bloemlezingen voor de canonvorming.
Om haar onderzoek af te bakenen beperkt Schenkeveld-van der
Dussen zich hier tot de canon van gedichten uit de Gouden Eeuw. Ze gebruikt hierbij
twee recente bloemlezingen als uitgangspunt (Lyriek van de Lage Landen van Paul Claes uit 2008 en Alleen in mijn gedichten kan ik wonen
van Menno Wigman en Rob Schouten uit 2012); naar aanleiding van de keuze voor
schrijvers uit de Gouden Eeuw waarin beide bloemlezingen overeenkomen, komt ze
tot een groep gedichten die de basis vormt voor haar verkenning. Hiertoe behoren
Hoofts sonnet ‘Gezwinde grijsaard’ waar in de titel naar verwezen wordt, maar
ook gedichten van bijvoorbeeld Bredero, Revius, Vondel, Huygens en Luyken. Deze
gedichten volgt Schenkeveld bij wijze van voorbeeld in bloemlezingen door de
eeuwen heen, om zo te achterhalen hoe de canon zich in de loop der tijd
ontwikkeld heeft.
Meer dan een overzicht
De rode draad in Op
jacht naar de gezwinde grijsaard vormt de geschiedenis van de aard en
totstandkoming van bloemlezingen in de zeventiende, achttiende, negentiende en
twintigste eeuw. Hierbij kijkt Schenkeveld-van der Dussen niet alleen naar het
al dan niet aanwezig zijn van de genoemde gedichten, maar gaat ze ook in op
verschillen en overeenkomsten in bijvoorbeeld publiek en doelstellingen van de
diverse bloemlezingen. Zo waren in de zeventiende en achttiende eeuw
bloemlezingen vooral voor liefhebbers bedoeld, terwijl vanaf de negentiende
eeuw de Nederlandse letterkunde ook in het onderwijs een belangrijke rol gaat
spelen en er dus een nieuwe doelgroep van studenten en scholieren ontstaat.
Het interessantst zijn de gedeelten waarin Schenkeveld-van
der Dussen de balans opmaakt van haar bevindingen, verbanden legt en
verklaringen geeft voor de ontwikkelingen in opzet en inhoud van de verschillende
bloemlezingen. Hierdoor is Op jacht naar
de gezwinde grijsaard meer dan alleen een overzicht van anthologieën door
de eeuwen heen. Opmerkelijk is bijvoorbeeld dat Hoofts ‘Gezwinde grijsaard’ in
de late achttiende en negentiende eeuw nauwelijks is terug te vinden in
bloemlezingen, wat te maken heeft met de geringe waardering voor het sonnet in
die periode.
In deze beknopte verkenning (het, overigens zeer fraai
vormgegeven, boekje is zelfs al iets uitgebreider dan de uitgesproken versie
van de lezing) weet Schenkeveld-van der Dussen toch al overtuigend te laten
zien dat bloemlezingen een interessant studieobject vormen binnen de
Nederlandse letterkunde, en ze geeft hiermee een mooie aanzet voor verder
onderzoek.
Riet Schenkeveld-van der Dussen: Op jacht naar de gezwinde grijsaard. Een verkenning van Nederlandse
bloemlezingen en hun betekenis voor de canonvorming van de zeventiende eeuw tot
heden. Eenentwintigste Bert van Selm-lezing, [uitgesproken op 4 september
2012 te Leiden]. Leiden: Stichting Neerlandistiek Leiden, 2012. 79 pp. ISBN: 978-90-78531-12-8 Prijs: € 11,50.