door Suzanne Aalberse
Deze week kwam meertaligheid vaak langs. D66
bepleit tweetalig onderwijs voor de basisschool en ook op het VMBO en het MBO
in plaats van alleen voor havo/vwo scholen, Emile Roemer wordt tijdens het
eerste debat aangevallen om zijn gebrekkige talenkennis, talen zouden juist
weer geen probleem zijn geweest voor de piloten uit het
Airbus-passagiersvliegtuig uit het Spaanse Malaga. Die beheersen hun talen
uitstekend werd gemeld op het journaal. Bovendien wordt er druk getweet over
het drongo-festival, het festival over meertaligeheid genoemd naar de
meertalige vogel, de drongo.
Is meertalig zijn leuk?
Er zijn veel redenen
die vraag met ja te beantwoorden. Hoe meer talen je spreekt, hoe meer mensen je
gesprekspartner kunnen zijn. Je kunt je anders voelen als je een andere taal
spreekt, wat ook weer een gevoel van rijkdom kan geven. Met een andere taal heb
je soms ook een andere blik op de wereld. Meertaligen zouden bovendien minder snel
dement worden, beter kunnen multitasken en beter abstract kunnen denken. En
meertaligheid levert geld op. De handel gaat beter als je de taal van de ander
spreekt.
Niet iedereen denkt bij de aanblik van een
klas vol leerlingen met verschillende taalachtergronden echter meteen: wat fijn
zo’n groep goed multitaskende, abstract denkende kinderen. Soms komt dat door
vooroordelen. Ik hoorde bijvoorbeeld laatst van een docent die bij de
bespreking van twijfelgevallen een leerling naar de HAVO wilde terugzetten,
omdat er thuis toch geen Nederlands gesproken werd. Het meisje bleek bijna een
8 te hebben voor Nederlands. Maar soms is er meer aan de hand dan vooroordelen.
Twee onderzoekers die mij een breder beeld
gaven zijn Annick de Houwer en Paul Leseman. Annick de Houwer interviewt
meertaligen en vraagt naar hun ervaringen. Hoe was het om meertalig op te
groeien, hoe vind je het nu om meertalig te zijn? Antwoorden op die vragen zijn
heel gevarieerd. De Houwer probeert te kijken wat de oorzaak is van de positieve
hetzij negatieve ervaringen. Paul Leseman doet onderzoek naar de relatie
tussen thuistaal en rekenvaardigheid. Op de site ‘praten over rekenen’ staat:
Niet in alle talen kan met evenveel succes over rekenen worden gepraat. Het Berber is een taal met weinig “academische taal” omdat het alleen gesproken wordt. Er wordt geen onderwijs in gegeven en er bestaan geen boeken in het Berber. Berber kent weinig reken/wiskunde-woorden. Bijvoorbeeld het woord “vierkant” kent de taal niet. Dat betekent dat het moeilijk is om in die taal te leren rekenen. Het Turks daarentegen kent een rijke wiskunde-taal. Turkse ouders doen ook meer aan taalbehoud, er zijn Turkse televisieprogramma’s, ze zingen Turkse liedjes, enzovoort. Marokkaanse ouders – die vaak het Berber als moedertaal hebben - kunnen daarom beter met hun kinderen in het Nederlands over rekenen praten, en Turkse ouders in het Turks.
Het Nederlands heeft ook nog niet zo heel lang
een eigen woord voor vierkant, dus de introductie van een Berbers woord voor
vierkant lijkt ook een optie naast overgaan op het Nederlands, maar wat ik
aardig vond aan het onderzoek was dat niet elke vorm van meertaligheid
hetzelfde effect hoeft te hebben. Dat maakt de discussie wat lastiger, maar ook
interessanter.
ik ben wel heel benieuwd over die genoemde meertaligheid van de drongo, in welke zin zou deze vogel precies meertalig zijn?
BeantwoordenVerwijderen