Iets oproepen, ‘aanwezig stellen’, wat er niet is. Een
gebergte bijvoorbeeld, of iets anders waarover niet te spreken valt. Het is,
sinds Mallarmé, meer dan een topos in de moderne poëzie. Voor nogal wat lezers en dichters is het de
bestaansreden voor de moderne poëzie zelf. We hebben het afgeleerd om te
spreken over door God of de Natuur gegeven essenties, maar de moderne poëzie
heeft er een – een dubbele zelfs: haar essentie is het om te bewegen, te
cirkelen rond een essentie die onkenbaar is. Ghyssaert (zie hier
of hieronder) brengt ons niet voor niets in religieuze contreien: het is het
Heilige der Heiligen dat gevuld is met Jahweh en dat de gelovigen niet mogen
aanschouwen; de leegte wordt opgevuld met brandoffers en riten. Het lichaam van
Christus wordt aanwezig gesteld in drank, toverspreuken en etenswaren; we
mummelen mee en happen toe. Vissen op het droge.
De moderne poëzie, wil ik maar zeggen, wortelt in een
traditie. Ze krijgt er soms een ritualistische inslag door die me niet bevalt.
Daar zou ik over kunnen uitweiden, maar ik heb het over Inleiding tot het gebergte van Peter Ghyssaert. Een geslaagd
gedicht?
Ik weet het niet. Ik vond, eerlijk gezegd, dat ik wel heel veel
woorden nodig had om de ontwikkeling te volgen in de vier volzinnen waaruit
het gedicht is opgebouwd. Hard werken, alsof ik een gedicht van Kouwenaar las. Kouwenaar
dwingt regel voor regel, woord voor woord tot geconcentreerd lezen en dat doet
Ghyssaert niet. Kenmerkend voor Kouwenaar zijn de nevengeschikte, korte
hoofdzinnetjes die van elkaar gescheiden worden door komma’s. Ghyssaerts eerste
zin is een lange, vloeiende volzin die pas aan het eind - ‘elke richting, elke
passaat / in hen verzadigd’ – uitmondt in een beknopte bijzin en daardoor
compact wordt.
De complexiteit bij Ghyssaert vloeit eerder voort uit onbepaaldheid. Die beknopte bijzin - waar verwijst hij precies naar? Hetzelfde geldt voor het slot van de tweede volzin: ‘om hun dorst/ en om de beeldhouwer die vóór hen was.’ Refereert het naar een vloeken van ‘jij’, van de godenbeelden of hoeven we geen keuze te maken? Onbepaald lijkt ook het eerste ‘je’ in ‘en die je achteloos je naam vraagt’. Door de parallellie in de syntactische structuur maakt de lezer in eerste instantie van ‘je’ een ‘jij’. Mijn blik bleef haken en toen moest om semantische redenen ‘je’ wel ‘jou’ zijn. Een subtiel gebruik van ambiguïteit?
De complexiteit bij Ghyssaert vloeit eerder voort uit onbepaaldheid. Die beknopte bijzin - waar verwijst hij precies naar? Hetzelfde geldt voor het slot van de tweede volzin: ‘om hun dorst/ en om de beeldhouwer die vóór hen was.’ Refereert het naar een vloeken van ‘jij’, van de godenbeelden of hoeven we geen keuze te maken? Onbepaald lijkt ook het eerste ‘je’ in ‘en die je achteloos je naam vraagt’. Door de parallellie in de syntactische structuur maakt de lezer in eerste instantie van ‘je’ een ‘jij’. Mijn blik bleef haken en toen moest om semantische redenen ‘je’ wel ‘jou’ zijn. Een subtiel gebruik van ambiguïteit?
Enkele grote woorden ook die moeizaam betekenis krijgen.
Vooral ‘dorst’ krijgt veel te verduren, maar we hebben ook ‘goden’ en
‘godenbeelden’, ‘stilte’, ‘de vreemdeling’ en ‘vlammend’. In de twee laatste
regels komt alles bij elkaar: ‘met jou, een middag vlammend / als het heersen
van je dorst.’ Die ‘jou’ wandelt verder met de vreemdeling; in mijn lange
parafrase lukte het me niet om zonder meer een concrete betekenis toe te
kennen. Is dat een kwaliteit van het gedicht? Vooral het woord ‘vlammend’, net
als ‘dorst’ eerder uit het vocabulaire van Neruda of Lucebert afkomstig, draagt
een hoop betekenissen en connotaties met zich mee. Vlammend als een dorst die
heerst.
Ben ik een hopeloze traditionalist die zoekt naar organische
heelheid, een authentieke stem en inhoudelijke coherentie? Die lezer krijgt
zijn kenmerken en zijn diagnose in Postmoderne poëzie in
Nederland en Vlaanderen van Joosten en Vaessens. Wie last heeft van het
ziektebeeld kan met postmoderne poëzie niet veel beginnen. Is Ezelskaakbeen een postmoderne bundel, Inleiding tot het gebergte een
postmodern gedicht en ben ik wel heel weinig postmodern?
Misschien. Misschien ook niet. Als er iets is dat volgens
Joosten en Vaessens geen close reading
verdraagt, dan is het postmoderne poëzie. Ik kwam een heel eind met Inleiding tot het gebergte. Waar de dichter
Ghyssaert ook op uit is: de conventie van de coherentie heeft hij zeker niet achter
zich gelaten. Ook de bundel waar het gedicht uit komt, kent een weldoordachte, traditionele
opbouw waarover het
nodige valt te beweren. En zich verhouden tot metafysische pretenties – dat
is niet het eerste waar je aan denkt bij een postmodern dichter. Dichters als
Duinker en Oosterhoff zijn ver verwijderd van de traditie van Mallarmé. In het
boek van Joosten en Vaessens komt zijn naam in het register zelfs niet voor –
het register telt meer dan vier pagina’s. Het zou ondenkbaar zijn voor wie
schrijft over Kouwenaar of Faverey.
Wat bij mij zal blijven hangen, is wel erg postmodern: regels,
niet het organische geheel. De fraaiste regels - ik schreef het al: ‘hun
blinde, grote hoofd / dat altijd groter dan hun lichaam is.’ De beelden op
Paaseiland en in Angkor – wanneer ik er een afbeelding van zie, zullen deze
regels tot in lengte van dagen blijven opduiken. Ook los daarvan zijn ze suggestief. Mooi, al kan ik dat moeilijk uitleggen, vind ik ook de koppeling
van het goddelijk gelaat aan een abstracte notie als aardrijkskunde die in dit
gedicht dan ook weer concreet wordt. Inleiding
tot het gebergte leidt niet in tot een gebergte, maar tot een gedicht dat
net niet helemaal werd geschreven.
Inleiding tot het
gebergte
Kon je, voor één keer maar, de ogen hebben
van de oude godenbeeldenen de dorst voelen die achter hun gelaat ligt
als een veld zonder beweging,
elke richting, elke passaat
in hen verzadigd.
Kon je hen toch zijn, hun blinde, grote hoofd
dat altijd groter dan hun lichaam is;
kon je het vloeken zijn dat in hun mondhoeken
van hout of steen ligt vastgevroren,
om hun dorst
en om de beeldhouwer die vóór hen was.
Het veld ligt in de droge, witte middag
waaruit geen terugkeer mogelijk is;
naar dode takken in een willekeurig midden
rijst de stilte, laait de stilte op.
Kon je de goden kennen en de aardrijkskunde
van hun spieren en hun zoute lach;
kon je de vreemdeling ontmoeten die zich daar beweegt
en die je achteloos je naam vraagt, je bedoeling
aan de zijne koppelt en weer verder loopt
met jou, een middag vlammend
als het heersen van je dorst.
Peter Ghyssaert, Ezelskaakbeen,
Amsterdam/Antwerpen 2011.
Geen opmerkingen:
Een reactie plaatsen