Dat de lezer van Inleiding
tot het gebergte (zie hier
of hieronder) geen gebergte tegen zal komen, ontdekt hij pas in de laatste
regel. In de tweeëntwintig regels die het gedicht daarvóór telt, leest hij
vanuit een wondermooie verwachting waarvan hij pas aan het eind merkt dat er
niet aan zal worden voldaan. De hoofletter van ‘Kon’ – dat is het eerste wat de
lezer ziet in het eigenlijke gedicht. Diezelfde hoofdletter treft hij nog twee
keer aan – steeds weer in ‘Kon’. Hoewel het gedicht geen strofeverdeling kent dankzij
witregels, kan het gedicht makkelijk tot strofen worden verknipt. A-A-B-A: de
elementaire structuur van een sonate of een popliedje.
Opvallend is dat die strofen er tegelijkertijd wel en niet
zijn. Geen witregels, maar wel hoofdletters en een onmiskenbaar parallellisme.
Dat parallellisme is niet eenduidig. ‘Kon je’ komt nog twee keer voor – volgens
een ondergeschikt parallellisme, zou je kunnen zeggen. Na twee regels, na een
puntkomma, zonder hoofdletter. En om het compleet te maken iets wat iedereen meteen
ziet: de laatste ‘strofe’ telt geen zes, maar zeven regels. Dit gedicht kent
grenzen, orde en regelmaat, maar de grenzen worden verdoezeld en de orde is
niet volledig – ze is er wel en ze is er niet.
Dat was het eerste woord. Nu de eerste strofe. Geen
gebergte, maar goden – nee, godenbeelden. Plus een veld en passaatwinden. Waar
zijn we? In ieder geval in de tropen of subtropen. Paaseiland, Angkor, Afrika, Midden-Amerika,
Zuid-Amerika. De toegesproken ‘je’ – à la Cruijff en Komrij een ‘ik’ die
zichzelf toespreekt en trekken krijgt van een ‘men’ – worden ogen van
godenbeelden toegewenst, maar wat zien die? Wat het ook is, tot een toestand
van goddelijke vervuldheid leidt het niet. De ogen zitten in een gelaat; achter
dat gelaat schuilt ‘dorst’. Een vreemd woord in dit verband en het komt in elke
‘Kon je’-strofe terug; in de tussenstrofe is de middag ‘droog’. Maar in deze
strofe – wat is dat voor dorst? Het is dorst die voortkomt uit verzadiging –
zie het laatste woord van de eerste strofe. Daar valt eet- en drinktechnisch
wel iets bij voor te stellen, maar het is de vraag of dat de bedoeling is. Wat
hier verzadigd is, is een veld. Het bevindt zich in een toestand van absolute
roerloosheid die op zichzelf weer goed in verband te brengen is met oude
godenbeelden. Maar die dorst blijft. Een dorst waarnaar? Naar de afwezige beweging,
richting, passaat? Die wereld van de oude godenbeelden, waar we voor één keer
zouden willen verblijven: hij lijkt nogal doods.
‘Hebben’ en ‘voelen’ in de eerste strofe, ‘zijn’ in de
tweede. Waar ook precies naar verlangd wordt, het verlangen wordt intenser. Een
mooie formulering, ‘hun blinde, grote hoofd dat altijd groter dan hun lichaam
is’ – de beelden op Paaseiland en in Angkor : ik zie ze voor me. De doodsheid
uit de eerste strofe komt terug in de vastgevroren vloeken. Dan twee
dubbelzinnige regels: ‘om hun dorst/ en om de beeldhouwer die vóór hen was’.
Dubbelzinnig omdat onduidelijk is op wie ze betrekking hebben. Gaat het om ‘je’
die ‘hen’ en ‘het vloeken’ wil zijn vanwege een bewonderenswaardige dorst en een
eerdere beeldhouwer of wordt het goddelijke vloeken nader toegelicht? Die
versteende beelden, met wie de ‘je’ zich wil vereenzelvigen – zijn die zelf wel
zo gelukkig met hun dorst en hun verstening?
De derde strofe biedt geen uitsluitsel. Een doodsere
omgeving dan in de eerste twee regels valt moeilijk voor te stellen. Het veld
legt een verbinding met de dorst uit de eerste strofe; als er geen terugkeer
mogelijk is, hebben we entree gekregen tot een dodenrijk. Voor het eerst komen
we een werkwoord tegen dat met een gebergte in verband kan worden gebracht:
rijzen. Maar zoals een gebergte uit de vlakte op kan rijzen, rijst hier de
stilte. Wanneer die stilte oplaait en we ook iets lezen over dode takken in een
willekeurig midden, zijn we weer terug in het hiëratische. Een vuur, een offervuur – dat is waar de
stilte naar oplaait. Puur geografisch gezien verblijven we nog steeds op een veld. Maar wat we meteen al
vermoedden, wordt steeds weer bevestigd: wat er aan hoogs is in dit gedicht, is
het hogere.
Attributen van het goddelijke – we zouden ze willen hebben, we
zouden ze willen voelen, we zouden ze willen zijn. We kunnen ze zelfs niet
kennen. Nee, ik moet preciezer zijn. Ging het in de eerste twee strofen over
verbeelde en dus versteende goden, nu gaat het toch echt over de goden zelf. Hun
anatomie is onkenbaar, maar rijkelijk voorzien van spieren. Geen vastgevroren
mondhoeken meer, maar een ‘zoute lach’ – deze goden werken zich in het zweet en
hebben daar plezier in. In plaats van tot goden wordt de ‘je’ geacht zich nu te
wenden tot een medemens – tot een vreemdeling. Een medetoerist met wie in de
bloedhitte tempels en godenbeelden worden afgestruind? De lezer van dit gedicht
die voor de duur van zijn lectuur zijn bedoeling koppelt? Hoe dan ook,
gedurende een middag wordt er in gezelschap gevlamd.
Dan de laatste regel van dit laatste gedicht: ‘als het
heersen van je dorst’. Dat is een verrassing. De dorst van de oude godenbeelden
die de ‘je’ een regel of twintig terug zo graag wilde voelen – die heerst nu. Het
moet wel om een en dezelfde dorst gaan. Het betekent dat het menselijke
rondlopen onlosmakelijk verbonden is met een attribuut van de goddelijke
verstening. Missie geslaagd. Het leidt wel tot dorst – de dorst die mensen en
godenbeelden delen. Als je er even over nadenkt, is het niet zo vreemd. Mensen
en godenbeelden hebben iets gemeen: ze zijn geen goden. Die goden met hun
aardrijkskunde – zij blijven een gebergte. Onbenaderbaar en ontoegankelijk. Maar
wij zijn ingeleid en weten wat er te weten valt.
Inleiding tot het
gebergte
Kon je, voor één keer maar, de ogen hebben
van de oude godenbeeldenen de dorst voelen die achter hun gelaat ligt
als een veld zonder beweging,
elke richting, elke passaat
in hen verzadigd.
Kon je hen toch zijn, hun blinde, grote hoofd
dat altijd groter dan hun lichaam is;
kon je het vloeken zijn dat in hun mondhoeken
van hout of steen ligt vastgevroren,
om hun dorst
en om de beeldhouwer die vóór hen was.
Het veld ligt in de droge, witte middag
waaruit geen terugkeer mogelijk is;
naar dode takken in een willekeurig midden
rijst de stilte, laait de stilte op.
Kon je de goden kennen en de aardrijkskunde
van hun spieren en hun zoute lach;
kon je de vreemdeling ontmoeten die zich daar beweegt
en die je achteloos je naam vraagt, je bedoeling
aan de zijne koppelt en weer verder loopt
met jou, een middag vlammend
als het heersen van je dorst.
Peter Ghyssaert, Ezelskaakbeen,
Amsterdam/Antwerpen 2011.
Wordt hier vervolgd
Geen opmerkingen:
Een reactie plaatsen