door Sophie Reinders
Het verloop van een klassieke negentiende-eeuwse Bildungsroman is een vertrouwd literair gegeven: een jonge rebel verzet zich aanvankelijk tegen de dominante ideologie van de maatschappij - die in stand wordt gehouden door volwassenen en instituten als dragers van ideologieën en structuren die onder meer bestaan uit sekse, seksuele identiteit, religie en familie - maar gaat uiteindelijk toch op in die ooit door hem/haar verguisde samenleving. Grave plaatst het concept Bildung(sroman) in Na de roes, Over verbeeldingskracht en utopieën in de literatuur in een breder perspectief. Het Bildungsconcept is voor hem een basismodel met allerlei vertakkingen en kan op literaire werken worden toegepast, wat Grave overtuigend doet.
Hij vertrekt vanuit Hegels omschrijving van de klassieke Bildungsroman. Volgens
de Duitse filosoof zijn jongeren ‘nieuwe ridders’ die de burgerlijke
maatschappij, de staat en de wetten bestrijden omdat ze een belemmering vormen
bij het bereiken van hun idealen en het verbeteren van de wereld. Zij bevinden
zich in hun leerjaren: jaren waarin de realiteit hen in een model probeert te
persen. Na verloop van tijd leggen de jonge volwassenen zich bij de bestaande
verhoudingen neer. De voorstellingen van geluk die zij in hun jeugd hadden,
wijken sterk af van de realiteit. Het einde van de rebelse jaren van de
personages vormt in Hegels betoog het begin van een kleinburgerlijk leven dat
één grote ontluistering is. Uiteindelijk, zo schrijft Hegel, krijgt de held
toch een meisje en een baan, hij trouwt en wordt net als de anderen een
kleinburger. Zijn vrouw verandert van een onaards en buitengewoon knap wezen in
een zwoegende huisvrouw die haar unieke karakter verloren heeft. Hegel gebruikt
het begrip ‘Katzenjammer’ (de kater na de roes) voor dit bestaan en maakt
duidelijk dat de huwelijkse staat en een werkzaam leven op gespannen voet staan
met de voorstellingen van geluk die de personages in hun jeugd hadden.
De structuur die Hegel beschrijft is terug te vinden in vele Bildungsromans uit de achttiende en negentiende eeuw. Uiteraard brengen auteurs wel nuances aan. Zij besteden aandacht aan de verbeeldingskracht van personages, waarmee zij ideale beelden ontwerpen van zichzelf, van anderen en van de samenleving. Voorbeelden zijn daarbij belangrijk – uit de geschiedenis, de Bijbel, uit de muziekwereld en later ook uit films. Verbeeldingskracht – die het personage aanspoort zijn doelen te bereiken - en utopische voorstellingen – die worden gevoed door beelden die personages als voorbeeld nemen voor hun levensweg – keren voortdurend terug in allerlei literaire werken.
De structuur die Hegel beschrijft is terug te vinden in vele Bildungsromans uit de achttiende en negentiende eeuw. Uiteraard brengen auteurs wel nuances aan. Zij besteden aandacht aan de verbeeldingskracht van personages, waarmee zij ideale beelden ontwerpen van zichzelf, van anderen en van de samenleving. Voorbeelden zijn daarbij belangrijk – uit de geschiedenis, de Bijbel, uit de muziekwereld en later ook uit films. Verbeeldingskracht – die het personage aanspoort zijn doelen te bereiken - en utopische voorstellingen – die worden gevoed door beelden die personages als voorbeeld nemen voor hun levensweg – keren voortdurend terug in allerlei literaire werken.
Vanaf het
begin van de twintigste eeuw verandert de Bildungsroman van karakter: personages
zijn veelal kwetsbare en ontspoorde personages die niet in de maatschappij
functioneren en in de marge proberen te overleven. Dat betekent niet dat zij
hun utopieën opgeven, wel dat ze die niet kunnen verwezenlijken. Het verzet van
de hoofdpersoon eindigt niet in aanpassing, maar in een blijvend afwijzen van
de hem/haar omringende maatschappelijke omstandigheden, een blijvend verzet tegen de
mechanismen waarmee de sociale instituten hen willen disciplineren. De dromen
die personages niet kunnen verwezenlijken, verwijzen direct naar de gebreken
van de samenleving waarvan zij deel uitmaken. Personages vinden geen houvast in sociale
structuren en ontsnappen tijdelijk aan hun vervreemding buiten de grenzen van
tijd en ruimte, in roes en extase.
Grave rekt de definitie van Bildung(sroman)
op door o.a. gebruik te maken van de ideeën van Rahel Jaeggi die kanttekeningen
plaatst bij de metafoor die Grave aantreft bij veel van de door hem besproken
auteurs: een personage beschikt over een kern die tegen weerstand in tot ontplooiing
moet worden gebracht. Jaeggi betoogt dat je niet vervreemd bent van ‘iets’,
maar van wat je doet. Daaruit volgt dat een persoon (hetzelfde geldt voor een
personage) niet vervreemdt van een kern die zich ergens in hemzelf zou
bevinden, maar van wat hij doet, van de rollen waarin hij zich onbehaaglijk of
waarvan hij zich vervreemd voelt. De verwezenlijking van het individu vindt
plaats door en in de wereld; er is dus geen innerlijke groei, ontplooiing of
verwezenlijking van iets, maar het gaat alleen om handelingen. Door uit te gaan
van rollen - waarvan personages kunnen vervreemden en waar zij uit kunnen
stappen - kan Grave het concept Bildung uitbreiden tot volwassen personages.
Dit is een productieve stap om aan te tonen wat hij aan wil tonen: dat het concept Bildung niet statisch is, dat het een (soms levenslang)
proces is en dus niet voorbehouden aan jonge personages.
De overgang van integratie naar verzet
toont hij ons vervolgens aan de hand van een dwarsdoorsnede van de Europese
letterkunde, met als kern de Nederlandse literatuur. In
15 essays analyseert Grave enkele Bildungsromans, korte verhalen en novellen
waarin het concept ‘Bildung’ te vinden is: van Cyriel Buysse tot
Margriet de Moor, van Conrad Busken Huet tot Robert Musil, van Multatuli tot
Thomas Mann, van F.M. Dostojewski tot Thomas Rosenboom, van Stendhal tot Wessel
te Gussinklo en van Louis Couperus tot Oscar van den Boogaard. Een groot aantal motieven blijkt terug te
keren in vrijwel alle werken waar hij in de studie aandacht aan besteedt: het
sublieme, en de epifanie, genot, geweld, zuiverheid en schoonheid. Zij vormen
de structuur van de bundel en spelen een rol bij de wegen, de keuzes en de
dwalingen van personages die op zoek zijn naar een passende rol in of buiten de
maatschappij.
Graves analyses zijn grondig, vlot geschreven en leiden regelmatig tot
verrassende inzichten en interpretaties. Hoewel de 15 essays ook goed op
zichzelf kunnen staan, vormen ze toch één geheel door de verbanden die Grave
voortdurend legt. Hij schetst overeenkomsten tussen W.F. Hermans en Rosenboom,
Van den Boogaard en Te Gussinklo en tussen motieven,
setting en personages in Musils De
verwarring van de jonge Törless, Te Gussinklo’s De verboden tuin en De opdracht
en Rosenbooms Vriend van Verdienste. Hij laat zien dat
Törless zijn leerjaren heeft afgesloten en volwassen is geworden (passend bij
het klassieke Bildungsconcept), maar dat Ewout Meyster (De opdracht) en Theo Altink (Vriend
van verdienste) nog niet zover zijn. Grave leest de
werken via ideeën van verschillende filosofen (bijv. Plato over genot; Sartre
over de walging en het lachen; Burke en Kant over het Sublieme) die hij
aanhaalt en toetst. Bij de
worsteling van zowel jonge als oude rebellen gaat het steeds om de
overkoepelende opposities vitaliteit versus stilstand en utopie versus
compromissen.
Maatschappijen
veranderen en Bildungsromans zijn van oudsher nauw verweven met de tijd waarin
ze verschenen: ze beschrijven niet alleen rolmodellen maar bieden deze de
lezers ook aan, aldus Grave. Zo had Hegels omschrijving van de Bildungsromans te
maken met de context van zijn tijd, waarbij het pessimisme en de bescheiden,
kleinburgerlijke verwachtingen passen. De bredere observatie in het laatste hoofdstuk waarin Grave schetst
hoe een maatschappelijke ontwikkeling - in dit geval de veranderende mogelijkheden
tot het verkrijgen van ‘kennis’ (niet langer enkel via oude elites als centra
van kennis, maar ook via massamedia) - terug te vinden is in Bildungsromans,
smaakt naar meer.
Er zijn nu meer ontwikkelingsmogelijkheden dan in de achttiende en negentiende eeuw: huwelijksbanden zijn niet meer voor altijd, mobiliteit tussen culturen neemt toe, we werken niet meer ons leven lang voor één werkgever. De huidige samenleving biedt en vereist een voortdurende heroriëntatie. Het is de vraag hoe de Bildungsroman met de tijd nog verder zal veranderen. De verbeeldingskracht van mensen (en personages) wordt door meer en uiteenlopende media gevoed. In de letteren wordt een debat gevoerd over het belang van engagement in literatuur en in de maatschappij is de roep hoorbaar om een strengere vorm van opvoeden. Gaan deze tendensen hun stempel op de letteren drukken? Is in deze tijd wellicht ‘ouderwetse’ Bildung weer meer in zwang? En zien we dezelfde ontwikkelingen ook in andere kunstvormen, bijvoorbeeld film? Grave zal het ongetwijfeld blijven volgen.
Er zijn nu meer ontwikkelingsmogelijkheden dan in de achttiende en negentiende eeuw: huwelijksbanden zijn niet meer voor altijd, mobiliteit tussen culturen neemt toe, we werken niet meer ons leven lang voor één werkgever. De huidige samenleving biedt en vereist een voortdurende heroriëntatie. Het is de vraag hoe de Bildungsroman met de tijd nog verder zal veranderen. De verbeeldingskracht van mensen (en personages) wordt door meer en uiteenlopende media gevoed. In de letteren wordt een debat gevoerd over het belang van engagement in literatuur en in de maatschappij is de roep hoorbaar om een strengere vorm van opvoeden. Gaan deze tendensen hun stempel op de letteren drukken? Is in deze tijd wellicht ‘ouderwetse’ Bildung weer meer in zwang? En zien we dezelfde ontwikkelingen ook in andere kunstvormen, bijvoorbeeld film? Grave zal het ongetwijfeld blijven volgen.
Jaap Grave, Na de roes, Over verbeeldingskracht en utopieën in de literatuur (Nijmegen, Vantilt 2012), 256 pp., ISBN 978 94 6004 083 2, € 19,95

Geen opmerkingen:
Een reactie plaatsen