’t Weblog dat heden jubileert, kennen we als Neder-L. De ondertitel luidt: “Elektronisch
tijdschrift voor de neerlandistiek”. Vreemd die verschillende vormen, Neder- en Neer-. Een beetje halfslachtig ook. Ze herinneren aan de discussie
die jaren geleden gevoerd werd over de naam van ’t vak dat wij beoefenen. ’t
Was de Groningse hoogleraar Heeroma die ermee begon en die voorstelde de
traditionele benamingen neerlandistiek
en neerlandicus te vervangen door nederlandistiek en nederlandist, Hij gebruikte die benamingen zelf al sinds 1958.
In zijn boek Sprekend als Nederlandist
(1968) legt Heeroma uit dat ie tijdens zijn verblijf in ’t buitenland gemerkt had
dat de term neerlandicus daar
onbruikbaar is en bevreemding wekt, o.a. doordat ie afwijkt van benamingen als germanist en romanist. Neerlandicus is
trouwens potjeslatijn, aldus Heeroma. ’t Is een 19e-eeuwse creatie,
net als ’t vak Nederlands zelf; zie ’t stuk van Joop van der Horst.
Als benaming voor iemand die de Nederlandse
taal- en letterkunde beoefent, bestaat neerlandicus
waarschijnlijk sinds 1876, toen de studie Nederlands ingesteld werd. Maar ’t
adjectief neerlandicus was al eerder in gebruik. Ik heb ’t aangetroffen in de titel van
juridische en historische publicaties vanaf ongeveer 1840. Ook bij dissertaties
als deze: Dishoeck, Antonius Ewaldus van, uit Sas van Gent, Dissertatio
juridica inauguralis de hereditatis petitione secundum codicem civilem
Neerlandicum Leiden Hazenberg 1840.
Heeroma’s voorstel trok de aandacht van zijn
collega’s in ’t buitenland, die ’t probleem natuurlijk herkenden. In ’t ‘Verslag
van het eerste colloquium van hoogleraren en lectoren in de neerlandistiek aan
buitenlandse universiteiten’ (1961) is de brief aan voorzitter W. Thys opgenomen
waarin Heeroma, op verzoek van ’t Bestuur, zijn opvatting uiteenzet en verdedigt.
Hij weet te overtuigen, want vanaf 1964 heet ’t Colloquium ‘Colloquium van hoogleraren en lectoren in de nederlandistiek.’ Maar dat
dat stapsgewijs gegaan is, valt op te maken uit het verslag van de
Werkcommissie: “De term
neerlandist i.p.v. neerlandicus is door de Werkcommissie van het begin af
aanvaard; de termen nederlandist en nederlandistiek pas sinds een jaar.”
Ook in andere kringen ging men de nieuwe namen
gebruiken. Binnen de redactie van ’t in Vlaanderen geredigeerde kulturele
tijdschrift Ons Erfdeel bijvoorbeeld.
Voor Taal en Tongval schreef Willem Pée in 1969 zijn herdenkingsartikel
‘Een Russische nederlandist Jevgenij S. Sjoebin: Leningrad 7-11-1931 -
20-8-1968’. ’t Amsterdamse tijdschrift Spektator
was vanaf ’t begin (1971) weliswaar een ‘Tijdschrift voor neerlandistiek’, maar
de term Nederlandistiek werd er in artikelen
wel gebruikt en ’t bijbehorende instituut in Amsterdam heette in 1973 Instituut
voor Nederlandistiek.
Vanaf 1972 verschijnt ook Dokumentaal, met informatie over talloze aktiviteiten op het gebied
van de nederlandistiek, aldus Spektator. Maar of Dokumentaal dat nederlandistiek
zelf aanvankelijk ook in zijn ondertitel voerde, heb ik niet kunnen nagaan. In
1975 in elk geval niet meer. Toen heette ‘t ‘informatie- en
communicatiebulletin voor neerlandici’.
Als BL in Spektator
1975 schrijft: “[toen] vlogen toch scribenten elkaar al
in de haren over kwesties als: - is men Neerlandicus, Neérlandist, Nederlandist
of geen van drieën?” lijkt ’t
alsof ’t pleit beslecht was, ten
nadele van Nederlandist en nederlandistiek. Maar bij de docenten
in ’t buitenland was ’t zover nog niet. In 1976 opende Dr. Thys ’t Colloquium in
“mijn functie van voorzitter van de Internationale Vereniging voor Nederlandistiek die het Colloquium
organiseert”, maar de bron waaruit ik citeer heet: Verslag van het zesde
colloquium van docenten in de neerlandistiek
aan buitenlandse universiteiten. Internationale Vereniging voor Neerlandistiek, Den Haag / Hasselt 1978.
(Cursiveringen van mij. JS). Thys
houdt nog vast aan de nieuwe term waarschijnlijk omdat ie zich pas na lang
aarzelen door Heeroma had laten overtuigen. Jammer dat er geen verklaring terug
te vinden is waarom men naar de oude namen teruggegaan is.
Na 1979 is het voorgoed en overal afgelopen
met Nederlandist en nederlandistiek. Zelfs de ‘tussenvorm’ Neerlandist komt dan nergens meer voor.
’t Is weer overal neerlandistiek en neerlandicus. Ook de opvolger van Dokumentaal, ’t elektronisch
informatiebulletin NEDER-L, dat nu twintig jaar bestaat, presenteert zich als
een elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek.
Hier zou mijn verslag kunnen eindigen, ware ’t
niet dat er veel later nog gepleit is om de term neerlandicus te vervangen. Dat doet Marita Mathijsen in haar column
van 14 oktober 2000 in NRC-Handelsblad,
die ze eindigt met: “Alleen van dat woord zou ik wel afwillen.” Maar meer dan
een ingezonden brief van Hugo Pronk (NRC-Handelsblad
4 november 2000) heeft dat
niet opgeleverd. Die wil terug naar Heeroma’s Nederlandist.
Ja, waarom niet? Nederlandist is misschien nog een stap te ver, hoewel de
Spellingcorrector van Word 2010 dat woord al wél of nóg erkent. We zouden voorzichtig
kunnen beginnen met Nederlandistiek
in de ondertitel van ons jubilerende weblog.
Jan Stroop, Nederlandist
Geen opmerkingen:
Een reactie plaatsen