Ik
heb
voor
dat
college
ook
een
discussieforum
geopend
om
interessante
uitspraken
uit
het
dagelijks
leven
te
verzamelen
en
daar
staan
nu
de
prachtigste
voorbeelden.
Een
student
haalde
het
volgende
berichtje
van
Facebook:
“Ben
ik
al
45
minuten
op
het
werk,
kom
je
erachter
dat
je
vandaag
vrij
bent.”
Een
andere
studente
tekende
op
uit
de
mond
van
een
verzorgster
in
Apenheul
(bij
het
voederen
van
de
dwergapen
met
levende
insecten):
“Je
weet
anders
niet
waarom
ze
dood
zijn
gegaan
en
anders
krijg
je
misschien
buikpijn.
Dus
je
kunt
de
insecten
dan
beter
levend
eten.”
En
één
student
hoorde
tot
zijn
verbazing
iemand
over
een
op
dat
moment
niet
aanwezige
vriend,
Daan,
zeggen:
“Dat
is
toch
dom!
Je
bent
Daan,
dan
houd
je
daar
toch
rekening
mee.”
Presentaties
in
het
laatste
college
gingen
onder
andere
over
dit
gebruik
van
‘je’,
bijvoorbeeld
of
driejarige
kinderen
dat
ook
al
gebruiken
(ja,
dus),
of
Engelsen
‘you’
ook
op
die
manier
gebruiken
(ja,
dus,
en
op
bijna
even
grote
schaal),
en
of
dit
‘je’
een
vertraging
oplevert
in
interpretatie,
gemeten
in
reactietijd
(het
voorlopige
antwoord
is
‘nee’).
Maar
het
experiment
waar
ik
wat
meer
over
wil
vertellen,
ging
over
het
gebruik
van
de
tweede
persoon
in
een
verhaal
en
het
effect
daarvan
op
de
lezers.
Het
is
wel
bekend
dat
lezers
zich
sneller
identificeren
met
een
hoofdpersoon
in
de
eerste
dan
in
de
derde
persoon,
maar
de
hypothese
van
deze
drie
studenten
was
dat
identificatie
nog
beter
gaat
als
het
verhaal
is
geschreven
in
de
tweede
persoon.
Een
van
de
drie
studenten,
een
student
Nederlands
die
onlangs
tweede
werd
in
de
Opium
Verhalenwedstrijd
2012,
schreef
speciaal
voor
de
gelegenheid
een
kort
verhaal
van
een
bladzijde.
Daarvan
werden
twee
versies
gemaakt,
een
in
de
ik-vorm
(Terwijl
ergens
in
het
station
op
een
fluitje
wordt
geblazen
stap
ik
de
AH
To
Go
binnen.
Drinkyoghurt,
dat
is
wat
ik
nodig
heb…)
en
een
in
de
jij-vorm
(Terwijl
ergens
in
het
station
op
een
fluitje
wordt
geblazen
stap
je
de
AH
To
Go
binnen.
Drinkyoghurt,
dat
is
wat
je
nodig
hebt…).
Het
experiment
werd
afgenomen
bij
een
ander
college
van
mij.
De
twee
versies
werden
om
en
om
uitgedeeld
aan
37
studenten,
die
niet
doorhadden
dat
er
twee
versies
waren,
en
na
het
verhaal
gelezen
te
hebben,
moesten
ze
op
de
achterkant
enkele
vragen
beantwoorden.
Het
resultaat
was
opzienbarend.
Hoewel
alle
studenten
antwoordden
dat
zij
zeker
niet
zouden
hebben
gedaan
wat
de
hoofdpersoon
in
het
verhaal
deed
(zoiets
doe
je
ook
niet,
normaal
gesproken),
scoorde
de
je-versie
significant
hoger
op
“In
mijn
verbeelding
was
het
alsof
ik
de
hoofdpersoon
was”
en
op
“Ik
had
het
gevoel
dat
ik
doormaakte
wat
de
hoofdpersoon
doormaakte”.
Ik
denk
dat
de
toepassing
van
linguïstische
methoden
om
literaire
werken
te
analyseren
verfrissend
kan
werken
in
de
literatuurwetenschap,
terwijl
de
uitbreiding
van
dagelijks
taalgebruik
als
object
van
studie
naar
de
taal
van
literatuur
een
verrijking
kan
betekenen
van
de
taalwetenschap.
Kortom,
je
ziet
zeker
een
toekomst
voor
de
neerlandistiek
(ik
in
elk
geval
wel)!
Helen de Hoop, hoogleraar Theoretische taalwetenschap, Radboud Universiteit Nijmegen
Geen opmerkingen:
Een reactie plaatsen