Laatst las ik bijvoorbeeld The End of the Affair en ontdekte via internet dat er ooit een fascinerende psychologische interpretatie van het gedrag van de hoofdpersonen verscheen in het Tijdschrift voor de psychiatrie. Ik had dat boek heel anders gelezen, als ik dit niet toevallig was tegengekomen.
Nu zou je daar nog over kunnen zeggen: als ik een echt goede geleerde was geweest, was ik ook vroeger zo'n artikel wel tegengekomen. Ik had dan ieder boek dat ik las via de mij ter beschikking staande bibliografische middelen nagetrokken en de titels die bij deze zoektocht naar boven kwamen, opgevraagd in mijn eigen UB. Nog even afgezien van het feit dat ik niet weet hoe ik op die manier bij een Nederlands psychiatrisch artikel over een Engelse roman was gekomen, heb ik nu in ieder geval nog veel meer lezers tot mijn beschikking: de tientallen boekloggers en andere niet-beroepslezers die hun bevindingen noteren, voor hun eigen plezier en dat van een handjevol lezers.
Er wordt de laatste dagen, na de uitreiking van de P.C. Hooftprijs aan Tonnus Oosterhoff, weer veel gespeculeerd over de invloed die de nieuwe media hebben op de schrijvers. Volgens mij beziet dat de revolutie van de verkeerde kant: er verandert veel meer voor de lezer. We hebben veel meer mogelijkheden tot onze beschikking, we kunnen op iedere tekst allerlei commentaar krijgen. Het intieme van het lezen kunnen we delen met anderen.
En je hoeft daarvoor niet eens meer achter je bureau te zitten. Wie op een iPad leest, kan tussendoor af en toe even iets op het internet uitzoeken. En zelfs wie op de bank zit met een gedrukt boek, kan er zijn telefoontje naast houden als een multifunctionele leesbril.
Nogmaals: je hoort er nooit iets over, ik weet niet of er studies naar zijn, maar er lijkt mij een stille revolutie aan de gang.
